Abonneer Log in

To strike or not to strike: het stakingsdilemma ontrafeld

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 1 (januari), pagina 46 tot 48 en pagina 57 tot 59

Met de stakingsgolf van de laatste maanden ontstond er een felle discussie over de actiemethodes van de vakbond. De teneur is welgekend: ‘Het recht op staken, allemaal goed en wel, maar er is ook het recht op werken, niet?’. Het stakingspiket1 is voor vele niet-stakers een doorn in het oog. ‘Dat mensen niet willen gaan werken uit protest, ok, maar val dan toch tenminste de werkwilligen niet lastig’. Dat klinkt redelijk. Nochtans zijn er goede redenen om het piket in ere te houden omdat het stakingsrecht anders een juridische fictie wordt en alternatieven niet aantrekkelijk zijn.

In deze korte bijdrage staan we stil bij enkele van deze fundamentele dynamieken van het stakingswapen. We gebruiken daarvoor een zogenaamd dilemma van de gevangenen (prisoner’s dilemma) als illustratie. De beslissing om al dan niet te staken en de dynamieken daarrond zijn natuurlijk veel complexer dan hier weergegeven wordt, maar deze illustratie helpt ons om de belangrijkste boodschap van dit stuk te duiden: zonder omkadering, zonder zachte dwang is er van het stakingsrecht weinig sprake. En er zijn alternatieven voor de Belgische oplossing, maar die hebben veel meer negatieve neveneffecten.

AFWEGINGEN BIJ HET STAKEN

Om het dilemma van de gevangenen te duiden lijsten we eerste enkele basiskenmerken en dynamieken op die bij een staking horen. Er zijn er minstens vier: (1) staken is een individuele kost, (2) de kost daalt naarmate meer mensen meedoen aan de staking, (3) de opbrengst van een staking is niet exclusief en (4) de kans op succes hangt maar deels af van de participatie van de staking.

Staken is een individuele kost

Het eerste uitgangspunt is dat staken een engagement is waar kosten aan verbonden zijn op ongeveer vier vlakken. Ten eerste is er het verlies van inkomen. Op een stakingsdag wordt het arbeidscontract geschorst en ontvangt de staker bijgevolg geen loon. Indien de staker aangesloten is bij een vakbond en indien die vakbond de staking erkent, kan hij/zij in België wel aanspraak maken op een stakingvergoeding. Die vergoeding ligt echter nog steeds lager dan zijn loon en de staker lijdt dus sowieso een deel loonverlies. Ten tweede handelt de staker niet in het belang van zijn werkgever. Hij riskeert dan ook om in conflict te komen met zijn werkgever wat belangrijke repercussies kan hebben op zijn verdere carrière. Ten derde weten stakers in vele sectoren maar al te goed dat ze het werk dat ze niet doen op de stakingsdag op één of andere manier toch moeten inhalen in de dagen en weken erop. Contracten en afspraken blijven wat ze zijn. Als laatste betekent een stakingsdag ook verdomd vroeg opstaan om het piket te gaan bezetten.

De staking is dan wel een collectieve actie, toch worden deze kosten gedragen door de individuele staker. Het is hij/zij die de financiële en andere gevolgen van de staking voelt en de enige manier om eraan te ontsnappen is door niet mee te staken.

De kost daalt naarmate er meer mensen staken

Een tweede belangrijke dynamiek bij een staking is dat de individuele kost van een staking daalt naarmate er meer mensen deelnemen aan een staking. Het stakingsrecht is een individueel recht. Iemand kan perfect alleen in staking gaan als hij het oneens is met de gang van zaken. Helaas zijn daar nogal grote kosten aan verbonden. De vakbond zal zijn staking hoogstwaarschijnlijk niet aanvaarden en dus zal hij naast een stakingsvergoeding grijpen. Maar belangrijker is dat een individuele staking de relatie tussen werkgever en werknemer volledig ondermijnt en dat de staker zijn stakingsdag beter kan gebruiken om alvast te zoeken naar ander werk.

Naarmate er meer mensen meedoen aan een staking daalt de kost. Ten eerste omdat ze dan wel een stakingsvergoeding zullen krijgen en ten tweede omdat het voor de werkgever onmogelijk wordt om af te rekenen met alle stakers als de staking gedragen wordt door een groot deel van het personeel. Het negatieve effect van staken op de individuele carrière wordt dus minder groot.

De staking is dus een individueel recht, maar een collectieve realiteit. De kosten aan een individuele uitvoering van het stakingsrecht zijn te groot waardoor het in de praktijk enkel collectief kan worden ingezet.

De (eventuele) opbrengst van een staking is niet exclusief

Na de kosten richten we onze aandacht op de (eventuele) opbrengsten van de staking, de resultaten. Als een staking een resultaat oplevert, dan is dat resultaat voor alle werknemers hetzelfde. Stakers en niet-stakers. Het resultaat van een staking is dus niet-exclusief. Als de indexsprong vermeden wordt, dan zullen alle werknemers hun loon aangepast zien. Als de werknemers in een bedrijf een loonsverhoging of andere voordelen weten te onderhandelen, dan gelden die voor alle werknemers, vakbondsleden en niet-vakbondsleden. Of een individuele werknemer dus meedoet aan een staking of niet, als de actie succesvol is en er worden enkele eisen ingewilligd, dan zal dat voor iedereen zo zijn.

Een positieve uitkomst is afhankelijk van de participatie aan een staking

Naast het feit dat de opbrengst niet exclusief is, weten we ook dat de kans op een positieve uitkomst (een loonsverhoging, het afvoeren van de indexsprong…) stijgt naarmate er meer mensen meedoen aan een staking. Als alle werknemers uit een land of een bedrijf samen in staking gaan voor een aantal maatregelen kan de werkgever of de beleidsmaker zo’n signaal niet negeren. In het verleden zijn de voorbeelden legio van stakingen die belangrijke doorbraken hebben betekend in het sociaal beleid, maar als de staking niet goed wordt opgevolgd, dan is de kans op succes zeer klein.

HET STAKINGSDILEMMA

Deze vier basisdynamieken van de staking kunnen we samenvatten in een vereenvoudigde afbeelding van de realiteit (Figuur 1). We doen dit aan de hand van een denkbeeldige situatie waarin twee werknemers (Jef en Özgün) in een bedrijf moeten beslissen om te staken of niet te staken tegen een bepaalde maatregel. We concentreren ons hier voor het gemak enkel op de werknemers en gaan ervan uit dat alle andere actiemogelijkheden (overleg, overtuigen, bedreigen, kidnappen) uitgeput of onmogelijk zijn. In totaal zijn er dus drie mogelijke uitkomsten: beide staken, beide staken niet of een werknemer staakt en de andere niet. Laten we even de individuele resultaten van de vier kwadranten bekijken:

- Beide staken niet: In dat geval is de kans op een gelukte staking onbestaande. Zowel Jef als Özgün zullen zich dus tevreden moeten stellen met het ondernemings- of politiek beleid.
- Beide staken wel: Zowel Jef als Özgün gaan bepaalde kosten maken tijdens de stakingsactie, maar de kans op succes is groot en die worden dus gecompenseerd. Daarnaast zijn de kosten van het staken gering omdat ze gedragen worden door zowel Jef als Özgün.
- Özgün staakt, Jef niet: In dit geval is de kans op succes van de staking geringer, maar niet onbestaande. Als de actie slaagt dan profiteert Özgün daarvan, maar de kosten voor de staking zijn wel hoger. Ze toont zich als ‘ambetant’ en loopt het risico daar gevolgen van te dragen. Voor Jef is de situatie echter anders. Hij maakt geen kosten, kan meeprofiteren als de actie slaagt en heeft zich werkwillig getoond terwijl Özgün staakte. Zijn relatie met de werkgever wordt dus verbeterd en hij kan daar misschien de vruchten van dragen. Jef wint dus op vele vlakken.
- Jef staakt, Özgün niet: Dezelfde afweging als hierboven.

Wat leren we hieruit? Als Jef en Özgün enkel kijken naar hun eigenbelang is voor beide een sterke stimulans om niet te staken. De kans op succes van de staking als ze niet meestaken daalt maar licht, als de staking slaagt profiteren ze mee van de resultaten, ze lopen geen kosten op door te staken én kunnen rekenen op een winst in de relatie met hun werkgever omdat ze zich werkwillig tonen. Niet staken is dus vaak de dominante keuze voor een individuele werknemer. Om het stakingrecht effectief te maken moet het dus omkaderd worden.

HET DILEMMA OPGELOST

Dit voorbeeld is sterk vereenvoudigd maar legt wel enkele belangrijke dynamieken bij een staking bloot. Het is duidelijk dat er bij een staking een sterkere motivatie bestaat voor individuele werknemers om niet mee te doen aan een staking dan om er wel aan mee te doen. Zonder omkadering van het stakingsrecht is dit recht in de praktijk bijna een juridische fictie.

Optie 1: Sterke coördinatie, de ketting erop

Het prisoner’s dilemma kan eenvoudig opgelost worden door de bonden toe te laten de individuele acties van de werknemers te coördineren. Als Jef en Özgün samen zitten en hun kaarten op tafel leggen, zullen ze het er snel over eens zijn dat het wenselijk is om samen wel of samen niet te staken. Met twee lijkt dat eenvoudig. In een groter bedrijf moet men daarvoor personeelsvergaderingen of stemmingen organiseren rond de staking. Stemt een meerderheid van het personeel voor de staking, dan wordt het bedrijf afgesloten en wordt iedereen verplicht om mee te staken. De individuele kosten worden verlaagd, de baten verdeeld. Het dilemma wordt dus opgelost door de mogelijkheid uit te schakelen waarbij werknemers individueel beslissen om niet mee te staken.

Het probleem met deze strategie is dat de meerderheid van stakers hun wil opleggen tegenover de minderheid van werkwilligen. Het recht om niet te staken wordt hier enigszins mee geschonden wat nogal wat weerstand kan veroorzaken bij het personeel dat niet wil staken.

Optie 2: Recht op niet-staken, maar exclusieve voordelen

Een andere optie is het recht op niet-staken vrijwaren, maar de effectiviteit van stakingen beschermen door akkoorden toe te laten die enkel betrekking hebben op de leden van de vakbond, de stakers dus. In sommige staten in de VS werden zogenaamde right to work acts ingevoerd die het recht op niet-staken (en niet lid zijn van een vakbond) moeten vrijwaren. Als antwoord daarop gaan vakbond opnieuw akkoorden sluiten die enkel gelden voor de vakbondsleden (en dus de stakers). Niet-stakers kunnen dus niet meegenieten van eventuele loonsverhogingen of andere voordelen. Het voordeel dat een individuele werknemer kan hebben door niet mee te doen aan een staking wordt opeens veel kleiner. Hij kan zich nog steeds profileren als werkwillig en verliest geen loon. Maar als de staking slaagt, dan krijgt hij geen deel van de koek. Niet staken is niet altijd de dominantie keuze meer.

De beslissing om al of niet te staken hangt in dit systeem sterk af van de slaagkansen van de staking. Als er veel personeelsleden lid zijn van de vakbond en hun stakingsbereidheid tonen, dan zal iedereen overstag gaan. Is de syndicalisatiegraad en actiebereidheid minder, dan zal niemand het risico lopen om mee te staken. Ook in dit systeem wordt het recht om (niet) te staken dus geschonden. Toch zijn er enkele neveneffecten. Zo ontstaat er ongelijkheid tussen werknemers en dreigt het te eindigen in de facto closed shops. Waar de vakbond een voet aan wal heeft is iedereen lid om van de voordelen te genieten. Maar zolang de vakbond geen duidelijke meerderheid aan zijn kant heeft, zullen werknemers weinig geneigd zijn om aan een staking te participeren.

Optie 3: De tussenweg: het stakerspiket

Zowel optie 1 als optie 2 hebben dus enkele belangrijke nadelen. In beide systemen wordt het recht op (niet) staken deels geschonden. De ene keer door een meerderheidsbeslissing van het personeel, de andere keer door het werken met exclusieve akkoorden. Is er dan geen tussenoplossing? Jawel, en die wordt momenteel in België toegepast: het stakerspiket.

De Belgische realiteit komt erop neer dat de vakbond toegelaten wordt om werken tijdens een stakingsactie duurder te maken, en staken goedkoper. Werken op een stakingsdag wordt in België ‘duurder’ gemaakt door werknemers het moeilijk te maken om op hun werk te raken en door de organisatie van een stakingspiket. Zo’n piket oefent een sterke mate van sociale druk uit op de werkwilligen. Als ze écht willen werken moeten ze veel moeite doen om er te raken en lopen ze het risico op verslechterde relaties met hun collega’s. Omgekeerd wordt het staken ‘goedkoper’ gemaakt door een stakersvergoeding en door er een collectieve actie van te maken.

Het recht op niet staken wordt dus niet geschonden. Men kan dus steeds gaan werken als men dat écht wil, alleen worden de kosten (sterk) opgedreven. Omgekeerd lopen we niet het risico om in een situatie te komen waar men niet mag, of net moet lid zijn van een vakbond om in een bedrijf te werken. Het succes van een staking staat in dit geval in verhouding met de kracht van de stakers om anderen te overtuigen, om piketten te bezetten en om dus de kosten van staken te verlagen en die van werken te verhogen.

WAT MET EEN POLITIEKE STAKING?

Tot hiertoe hebben we gesproken over dynamieken bij de staking, maar natuurlijk zijn er belangrijke verschillen tussen soorten stakingen. In de voorbije maanden ging het niet over stakingen in bedrijven, maar nationale politieke stakingen tegen overheidsmaatregelen. De te overtuigen partij is een andere. Maar ook daar spelen dezelfde dynamieken. De eventuele opbrengst is minder duidelijk en de kans dat de individuele bijdrage aan de staking het verschil gaat maken tussen een succesvolle en niet-succesvolle staking is veel kleiner. De kans op free-rider gedrag is dus hoger, veel hoger. Daarom drijven de vakbonden, nog meer dan tijdens een bedrijfsstaking, de kost van werken op door het vertragen van het verkeer, het stilleggen van het openbaar vervoer en het organiseren van collectieve piketten bij KMO-zones. Want zeker bij KMO’s zijn de kosten van de staking hoger, door de veel nauwere band met de werkgever.

De optie om de eventuele resultaten van de staking dan maar exclusief te maken is moeilijker. Een indexsprong enkel voor de niet-stakers is politieke fictie, maar het werken met (overgangs)maatregelen voor specifieke groepen is een courante manier van compromisvorming na een staking en is rechtstreeks afhankelijk van de participatie van die groepen in de staking.

WAT LEREN WE HIERUIT?

Door de fundamentele dynamieken die spelen rond een stakingsparticipatie te bekijken, leren we dat het stakingsrecht zonder meer (en dus met de absolute vrijheid om onbelemmerd te gaan werken) bijna een juridische fictie is. Zelfs al ziet een meerderheid van de werknemers een staking als een goede politiek, nog steeds is er een sterke stimulans om zich ‘werkwillig’ te tonen. Om het stakingsrecht effectief te maken, moet dit probleem van collectieve actie, dit prisoner’s dilemma een stuk worden opgelost. Dat kan op verschillende manieren. De actie kan dwingend gemaakt worden indien meer dan de helft van de werknemers wil staken, maar daarmee wordt de vrijheid om niet te staken geschonden. De resultaten kunnen ook exclusief gemaakt worden zoals soms gebeurt in de VS, maar dat leidt tot ongelijke behandeling van werknemers en problemen rond de vrijheid om (niet) lid te worden van een vakbond. De tussenoplossing stelt de vakbonden in staat om werken duurder te maken en staken goedkoper. Zowel het stakingsrecht, het recht om niet te staken en het recht om (geen) lid te worden van de vakbond worden hierbij gevrijwaard en effectief gemaakt. Of waarom het stakerspiket helemaal geen slecht idee is.

Stan De Spiegelaere
Onderzoeker aan het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA - KU Leuven)
en actief bij de denktank Poliargus.

Noot
1/ Een stakingspiket heeft verschillende functies. Het brengt mensen samen rond een staking, het zorgt voor een zichtbaarheid van de actie, het werkt informerend en activerend, maar het is er vooral op gericht om de opvolging van de staking te maximaliseren. Het stakingspiket moet ervoor zorgen dat zo veel mogelijk mensen niet gaan werken en wel staken. Het piket wil dus van werkwilligen stakers maken en dat is essentieel bij een staking. Enkele fundamentele dynamieken bij de staking zorgen er namelijk voor dat zonder die sociale druk, zonder die drukkingsmiddelen, zonder het piket, het stakingswapen een juridische fictie dreigt te zijn.

piket - stakingsrecht - vakbond

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 1 (januari), pagina 46 tot 48 en pagina 57 tot 59