Abonneer Log in

Het juridisch bekampen van Mein Kampf

TO PUBLISH OR NOT TO PUBLISH?

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 2 (februari), pagina 32 tot 35

In Amsterdam sprak een rechtbank een antiquair, die het boek Mein Kampf verkocht, vrij van ‘haatzaaien’. Hoe zit het met die zaak? En hoe zit het in België met de verkoop van ‘gevoelige’ boeken?

TO PUBLISH OR NOT TO PUBLISH?

Over vrije meningsuiting en culturele vervuiling
François Levrau
Het juridisch bekampen van Mein Kampf
Jogchum Vrielink

Vaak wordt gesteld dat Mein Kampf in Nederland een ‘verboden boek’ is. Het boek staat echter niet op een soort index librorum prohibitorum. Je mag het probleemloos in persoonlijk bezit hebben. Veel Nederlandse bibliotheken hebben het in hun collectie.1

Wel kleven er strafrechtelijke aspecten aan de verspreiding en het publieke gebruik ervan. Een en ander wordt strafbaar geacht op basis van de wetgeving die het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR) van de VN implementeert.

Het gaat vooral om artikel 137e, lid 1, 2o van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht (Sr) dat, ‘anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving’, een verbod inhoudt op het verspreiden van een voorwerp waarin een uitlating vervat is die beledigend is voor een groep mensen wegens hun ras of die aanzet tot haat of geweld.

INHERENT KWAADAARDIG

De belangrijkste uitspraak is een arrest van de Hoge Raad (het Nederlandse ‘Hof van Cassatie’) van 12 mei 1987.2 Daarin vernietigde de Raad een beschikking van de rechtbank van Maastricht, die een vordering van het Openbaar Ministerie had afgewezen ten aanzien van een verkoper die in de etalage van een curiosumwinkel een exemplaar van Mein Kampf te koop aanbood.

De rechtbank had overwogen dat het boek weliswaar inhoudelijk aanzette tot haat, maar dat verkoop ervan, gegeven de omstandigheden, toch niet viel onder artikel 137 Sr. De rechtbank wees erop dat de etalering ‘op geen enkele wijze provocerend of aanstootgevend’ was en dat de verdachte evenmin blijk gaf ‘van enig motief van politieke, laat staan van discriminatoire aard’.

De Hoge Raad oordeelde echter dat de intrinsieke kwaadwillige strekking van het boek op zich volstond en dat de bedoelingen van de dader irrelevant waren, net als de wijze van aanprijzing.

Andere Nederlandse rechtspraak ligt in dezelfde, strenge lijn. Zo werd respectievelijk in 1998 en 2000 door de rechtbank en het gerechtshof van Amsterdam iemand veroordeeld die op een rommelmarkt een historisch exemplaar van Mein Kampf verkocht.

BELGIË?

In België liggen de zaken anders. Een aanvaring met Nederland, specifiek over deze kwestie, kan dienen als illustratie. In 1982 verzocht de Nederlandse regering, bij monde van haar Brusselse ambassadeur, het Belgische gerecht om op te treden tegen de verspreiding van een Nederlandse vertaling. Nederland wilde zo tegengaan dat het werk ook in het noorden zou worden verspreid. De toenmalige Belgische minister van Justitie liet de zaak onderzoeken.

De Antwerpse procureur reageerde als eerste. Hij gaf aan dat de zaak alvast in Antwerpen geen verder gevolg zou krijgen. Enerzijds vanwege de grondwettelijke regeling inzake drukpersmisdrijven: persmisdrijven kunnen alleen vervolgd worden voor het hof van assisen en dat gebeurt in de praktijk nooit, omdat het hof voorrang geeft aan zware strafzaken.3 Anderzijds voerde de procureur ook inhoudelijke argumenten aan. Zo gaf hij aan dat het ging om een historisch document, dat bovendien in België in vele talen verkrijgbaar was, zodat vervolging van (enkel) de Nederlandse versie willekeurig zou zijn. Ook het verbod op de retroactieve werking van strafwetgeving werd aangevoerd. Tot slot meende de procureur dat de Belgische racismewetgeving beperkter was van opzet dan de Nederlandse. Elders volgde men dit standpunt en de zaak werd zodoende nergens voor de rechter gebracht.

Dit incident typeert het verschil in benadering van Mein Kampf boven en onder de Moerdijk: verkoop en verspreiding van het werk wordt in België niet als een inbreuk op de racismewetgeving beschouwd; in 1982 niet en tegenwoordig al helemaal niet.

Bij het zogenaamde ‘verspreidingsdelict’ dat de Belgische racismewetgeving sinds 2007 eveneens kent,4 en dat lijkt op de Nederlandse strafbepaling, vereiste het Grondwettelijk Hof niet alleen dat de verspreiding op grote schaal plaatsvindt (zodat de verkoop van enkele exemplaren van Mein Kampf er nooit onder kan vallen), maar ook dat de verspreider de kwaadwillige bedoeling moet hebben om ‘haat aan te wakkeren’ (zodat loutere verkoop, ongeacht het aantal exemplaren, niet strafbaar is).5

KENTERING?

Inmiddels lijkt ook in Nederland de rechtspraak op een koerswijziging aan te sturen. De recente Amsterdamse zaak had betrekking op de verkoop van Mein Kampf in een antiquariaat, The Totalitarian Art Gallery. De eigenaar gaf in een reactie aan dat hij wist dat het waarschijnlijk niet mocht, maar dat hij het boek niet verkocht vanuit een bepaalde ideologie: ‘Het is historisch materiaal dat bij mijn collectie past’. The Totalitarian Art Gallery verkoopt boeken, parafernalia en propagandakunst uit diverse totalitaire regimes.

De rechtbank sprak de verkoper vrij, omdat ze een veroordeling niet in overeenstemming achtte met de vrijheid van meningsuiting, gewaarborgd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechter onderstreept dat het Europees Hof een hoge mate van bescherming toekent aan uitingen die van belang zijn voor het maatschappelijk debat. Daarvan zou bij Mein Kampf onmiskenbaar sprake zijn, zo stelt de rechtbank, zodat strikt getoetst moet worden aan artikel 10, omdat anders een veroordeling in Straatsburg dreigt voor de Nederlandse staat.

De rechtbank wijst verder op de ruime beschikbaarheid van Mein Kampf op het internet. Ook vindt de rechter het relevant dat het ging om de verkoop van (dure) antiquarische exemplaren, in kleine aantallen. De rechtbank geeft aan dat die context geen reden geeft om ‘aan te nemen dat kopers van het boek op een voor de beschermde groep mensen schadelijke wijze zullen aanwenden’.

Al bij al is naar het oordeel van de rechter geen sprake van een dringende maatschappelijke noodzaak (pressing social need), zodat een beperking van de uitingsvrijheid, door een veroordeling van de verdachte, niet proportioneel zou zijn.

ZELFS DUITSLAND MINDER STRENG

Op de redenering van de rechtbank valt wel wat af te dingen. Zo ontbreekt in de lezing van de Straatsburgse rechtspraak elke verwijzing naar de afkeer die het Europees Hof heeft voor alles wat met nazisme en racisme te maken heeft. Het Hof acht die zaken onverenigbaar met de basiswaarden van het Verdrag. Zeker waar het gaat om de verspreiding van antisemitische, nazistische of Holocaust-rechtvaardigende uitingen of teksten, gunt het Europees Hof daarom veel ruimte aan verdragsstaten om naar eigen inzicht te bestraffen. Het is dan ook, in tegenstelling tot wat de rechtbank claimt, vrijwel uitgesloten dat bestraffing van de antiquair tot een veroordeling van Nederland door het EHRM zou leiden.

Tegelijk valt uit de rechtspraak van het Europees Hof geen verplichting af te leiden voor staten om in dit soort zaken de expressievrijheid te beperken. Staten mogen, bij de bescherming van rechten, verder gaan dan het Hof zelf. En er zijn goede redenen om dat te doen, in de context van artikel 137e Sr in het algemeen en bij toepassingen inzake Mein Kampf in het bijzonder.

Wat betreft artikel 137e Sr geldt dat dit artikel onderdeel is van een reeks andere delicten, die de laatste jaren allemaal beperkter geïnterpreteerd werden om meer ruimte te bieden aan de expressievrijheid (bijvoorbeeld in het Wildersproces). Alleen artikel 137e blijft achter bij die ontwikkeling. Dat is des te problematischer, omdat dat artikel een louter verspreidingsdelict betreft, waardoor de spanning met de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid (nog) groter is dan bij bepalingen zoals ‘aanzetten tot haat’.

Specifiek wat betreft toepassingen in verband met Mein kampf kan worden aangesloten bij de terechte opmerkingen die de Amsterdamse rechtbank hierover maakt, waaronder de ruime beschikbaarheid van het werk online en in buurlanden. Het gaat voor de hedendaagse lezer bovendien om een vrijwel onleesbare historische tekst, die inhoudelijk allang niet meer ergens toe ‘aanzet’ (tenzij tot verwarring of slaap). De enkelingen die er toch in slagen het boek daadwerkelijk te lezen en die nadien antisemitisch blijken, die waren dat voordien ook al.

In casu ging het bovendien - zoals de rechtbank terecht relevant acht - om de verkoop van dure antiquarische exemplaren in een gespecialiseerde winkel die voorwerpen uit totalitaire regimes verkoopt. Van een reëel risico dat het toestaan van (minstens) dergelijke verkoop antisemitisme zou aanwakkeren, lijkt geen sprake en evenmin is er een gevaar van onverhoedse confrontatie. Daarbij kan nog opgemerkt worden dat zélfs in Duitsland de verkoop van antieke exemplaren van Mein Kampf niet strafbaar is.6

ZELFBESTENDIGENDE SYMBOLIEK

Voorstanders van het verbod zouden tegenwerpen dat het voorgaande de ‘symboolwaarde’ van het boek miskent. Het Openbaar Ministerie argumenteerde bijvoorbeeld dat het boek ‘het symbool is geworden van de verschrikkelijkheden die Hitler en zijn regime hebben aangericht’ en dat het daarom ‘verboden’ moest blijven.

Vanuit de expressievrijheid bezien, is het verbieden van ‘symbolen’ echter altijd problematisch. Bovendien werkt die aanpakzelfbestendigend en houdt zo, paradoxaal genoeg, het probleem in stand dat het verbod zogezegd rechtvaardigt: het verbod wordt gewettigd door het symbolische belang, maar het symbolische belang wordt gehandhaafd én versterkt door het verbod.

De huidige benadering sorteert immers het effect van de ‘verboden vrucht’, waardoor de interesse in het boek juist wordt aangewakkerd. In de woorden van de antiquair: ‘Ik verkocht het boek al zes jaar, en er was bijna nooit belangstelling voor. Totdat er vorig jaar aangifte tegen me werd gedaan’.7

Je haalt de symbolische kracht dus niet uit Mein Kampf door verkoop en verspreiding te blijven sanctioneren. Die kracht haal je er eerder uit door het boek toe te laten. Vrijheid dus. Ook voor Mein Kampf. Die beslissing is ook in symbolisch opzicht betekenisvoller dan om het boek te blijven behandelen als een soort Toverring van Sauron.

Jogchum Vrielink
Postdoctoraal onderzoeker en onderzoekscoördinator discriminatierecht binnen het Steunpunt Gelijkekansenbeleid aan de KU Leuven.

Noot
1/ Zij het meestal ter inzage, zonder mogelijkheid om het uit te lenen.
2/ HR 12 mei 1987, NJ 1988, 299.
3/ (Enkel) voor racistische drukpersmisdrijven veranderde deze regeling overigens in 1999: sindsdien is de gewone correctionele rechtbank daarvoor bevoegd.
4/ Zie J. Vrielink, ‘Strafbare ideeën: geen goed idee’, Samenleving en politiek 2007, nr. 3, 4-10.
5/ GwH 12 februari 2009, nr. 17/2009, B.74.4; GwH 11 maart 2009, nr. 40/2009, B.70.1.
6/ Verkoop en verspreiding van (ongewijzigde) edities van voor 1949 wordt toegelaten, daar het om een ‘pre-constitutioneel geschrift’ (eine vorkonstitutionelle Schrift) gaat (Bundesgerichtshof 25 juli 1979, 3 StR 182/79 (S)).
7/ ANP, ‘Meer interesse in Mein Kampf door rechtszaak’, Het Parool, 26 augustus 2014.

vrije meningsuiting - Mein Kampf

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 2 (februari), pagina 32 tot 35