Abonneer Log in

Voer een redelijk en proportioneel beleid in de strijd tegen radicalisme

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 2 (februari), pagina 1 tot 3

De terreuraanslagen in Parijs, de dodelijke raid in het Waalse Verviers en verschillende huiszoekingen in binnen- en buitenland bij terreurverdachten en (ex-)Syriëstrijders, tonen aan dat we bedreigingen voor de openbare orde en de nationale veiligheid ernstig moeten nemen. De vraag is allang niet meer of we een antiradicaliseringsbeleid moeten voeren, maar wel: hoe?

PROFIEL

De eerste echte beleidsdiscussies over radicalisme en extremisme in ons land werden in de schoot van de regering-Di Rupo gevoerd. De concrete aanleiding was natuurlijk het fenomeen van de Syriëstrijders. In de lente van 2013 bleek dat er bijna honderd Syriëgangers waren. Een flink deel onder hen was ingelijfd in milities die streden tegen het regime van Bachar El Assad.

De eerste generatie Syriëstrijders konden worden teruggebracht tot het Antwerpse Sharia-4Belgium en het Brusselse Centre Islamique Belge van de Ayachi’s. Beide organisaties stonden al jaren bekend als haarden van islamitische radicalisering en extremisme in ons land. Ondertussen zijn lang niet alle Syriëstrijders doorwinterde jihadistische salafisten.

Ofschoon alle Syriëstrijders zich bedienen van het salafistische jargon om hun engagement en daden te duiden en te articuleren, zijn velen onder hen allesbehalve gesocialiseerd in dit streng religieuze milieu. Velen zijn zo snel geradicaliseerd dat ze onmogelijk alle salafistische do’s-and-don’ts kennen. Inderdaad, dé Syriëstrijder bestaat niet.

Hun profielen lopen uiteen. Van de ‘loser’ die met drugs worstelt en vooral op zoek is naar respect, erkenning en een groep om toe te behoren, naar de ‘romanticus’ die een onweerstaanbare drang heeft naar avontuur en de kick van geweld. Van de ‘hardcore jihadi’ die wel gesocialiseerd is in het salafistische universum - soms van thuis uit - en bij wie het stichten van de islamitische heilstaat en het martelaarschap boven alles verheven zijn, naar de ‘activistische rebel’, vaak hooggeschoold, die vanuit een rechtvaardigheidsgevoel maar ook vanuit gevoelens van miskenning en frustratie de wapens opneemt tegen ‘het systeem’. Van het ‘kuddedier’ dat de groepsdruk van vrienden en neven niet kan weerstaan, tot de ‘opportunist’ die schulden of een gevangenisstraf wenst te ontlopen, en maar al te graag jihadi bruidjes wil opscharrelen in Syrië of Irak.

Ondertussen zijn er een vijftigtal Syriëstrijders overleden, een honderdtal teruggekeerd en zouden er tweehonderd nog in Syrië zijn. En dan zijn er nog enkele honderden die nog liever vandaag dan morgen zouden willen vertrekken.

Vanwaar die dynamiek? In essentie is radicalisering een proces van vervreemding en indoctrinatie. Een proces dat verschillende oorzaken en risicofactoren kent. Er zijn religieuze, politieke, economische, psychosociale... elementen die op elkaar inwerken. De vatbaarheid voor radicalisering en de dosering in de oorzaken en risicofactoren verschilt van persoon tot persoon. Daarom ook dat er zoveel uiteenlopende profielen van Syriëstrijders zijn.

BELEID

Een fenomeen met een meervoudige en complexe aard verdient een doordacht , uitgekiend en geïntegreerd beleid. Niet evident als de beleidshefbomen uitgezaaid zijn over verschillende bevoegdheidsniveaus. De congruentie van de samenstelling van de federale (aan Vlaamse zijde) en de deelstaatregering zou enige afstemming moeten vergemakkelijken.

Zowel in het regeerakkoord van de regering-Michel als in de beleidsverklaring van minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid Jan Jambon werden de contouren getekend van een ‘antiradicaliseringsbeleid’. Met de aanslagen in Parijs en de dodelijke gebeurtenissen in Verviers, heeft de federale regering versneld ’12 maatregelen tegen radicalisme en terrorisme goedgekeurd’.

Gelet op de bevoegdheidsverdeling in ons land zijn de maatregelen van Jambon en minister van Justitie Geens vooral repressief van aard. Repressie is noodzakelijk in de strijd tegen gewelddadig extremisme. De effectiviteit ervan hangt af van de aard van maatregelen en hun inzet. De twaalf maatregelen van de federale regering bevatten een aantal redelijke maar ook sommige minder wenselijke maatregelen.

Aandacht voor radicalisering in de gevangenissen, de optimalisatie van de informatie-uitwisseling tussen administratieve en gerechtelijke diensten en overheden, een herziening van het plan Radicalisme in het licht van het fenomeen van de Syriëstrijders, de installatie van een Nationale Veiligheidsraad en de update van de circulaire Foreign Fighters om de informatie en opvolging op het terrein te optimaliseren, zijn positieve elementen. Ook het intrekken van de identiteitskaart van personen die een bedreiging zouden vormen voor de openbare orde en de nationale veiligheid is een goede zaak - op voorwaarde natuurlijk dat men staalharde aanwijzingen heeft dat hij/zij op het punt staat naar Syrië te vertrekken.

Andere maatregelen zijn op zijn minst betwistbaar. Zo wil men het strafwetboek aanvullen met een nieuw terroristisch misdrijf: ‘verplaatsing naar het buitenland voor terroristische doeleinden’. Goed zou je denken, maar wie bepaalt wat ‘terroristische doeleinden’ zijn? Moeten organisaties opgenomen zijn op de Europese of ook de Amerikaanse terreurlijst? Was het initieel niet de bedoeling om de huurlingenwet te activeren? Inderdaad, men lijkt hier van te hebben afgezien, wat een duidelijke politieke keuze verraadt: vechten voor organisaties die op de terreurlijst staan mag niet, maar voor pakweg de Koerdische Peshmerga’s, sjiitische milities of voor het Turkse, Israëlische of Marokkaanse leger wel. Het ware beter geweest als men elk engagement van iemand die drager is van de Belgische nationaliteit, binnen een regulier of niet-reguliere vechteenheid, had verboden.

Een andere betwistbare maatregel is de uitbreiding van de mogelijkheden voor het intrekken van de nationaliteit. Concreet wil dit zeggen dat een Syriëstrijder die veroordeeld wordt voor een oorlogsmisdaad of een misdaad tegen de menselijkheid de nationaliteit kan worden ontnomen. Het probleem dat zich hier stelt is dat Mohamed die geboren is als Belg, maar geworpen is in een gezin waarvan de grootvader Marokkaan was, een zwaardere straf krijgt dan Piet (en er zijn heel wat bekeerlingen onder de Syriëstrijders). Piet kan immers niet staatloos gemaakt worden. Mohamed die de dubbele nationaliteit heeft - van de Marokkaanse nationaliteit kan men geen afstand doen - kan de nationaliteit van zijn land van geboorte en dat van de geboorte van zijn ouders verliezen. Een ongelijke straf voor één en hetzelfde misdrijf is onredelijk en discriminerend. Het heeft ook een niet te onderschatten precedentwaarde. Geen persoon die als Belg in België is geboren, heeft de geboortegrond van zijn grootouders kunnen kiezen. Afkomst mag geen pasmunt zijn in de strijd tegen extremisme en terrorisme. Het is uitkijken naar de visie ter zake van de Raad van State en, wie weet, het Grondwettelijk Hof.

Tot slot heeft het debat dat volgde op de aanslagen in Parijs ook de Vlaamse regering in beweging gezet. Vlaanderen heeft heel wat beleidshefbomen om preventief te werk te gaan (welzijn, justitieel welzijnsbeleid, onderwijs, werk, moskee-erkenningen). De nota van minister van Binnenlands Bestuur Liesbeth Homans die in januari op de Vlaamse regering werd goedgekeurd, is te vaag en weinigzeggend, maar dat kan in dossiers als deze ook een pluspunt zijn: de verschillende ministers en hun departementen krijgen aldus meer ruimte om prioriteiten vast te leggen waarvan we hopen dat ze uitmonden in uitgekiende actieplannen.

Beleidsmakers van de verschillende beleidsniveaus kunnen niet ambitieus genoeg zijn in de uitwisseling van informatie en de uitwerking en de afstemming van maatregelen. Als de maatregelen redelijk en proportioneel zijn, dan verhoogt de kans op effectiviteit. Laat dat de rode draad zijn.

Bilal Benyaich
Redactielid Samenleving en politiek

edito - redactioneel - radicalisering - Syrië

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 2 (februari), pagina 1 tot 3