Log in

2052 - A Global Forecast for the Next Forty Years

Uitgelezen

2052 - A Global Forecast for the Next Forty Years

Jorgen Randers
Chelsea Green Publishing Co, Hartford, 2012

Excuus beste lezer, driewerf excuus! Ik val u namelijk lastig met een ‘oud’ boek. Zoals al overduidelijk blijkt uit de ondertitel, is 2052 verschenen in 2012. Toch is het een voldoende belangrijke bijdrage aan het mondiale debat om deze bespreking te rechtvaardigen, zelfs al lijkt die wat laattijdig.

In tegenstelling tot veel andere boeken en rapporten waarin naar de toekomst gekeken wordt, hanteert 2052 geen scenario-benadering in de vorm van ‘wat als’ vragen. Noch is het een backcasting-oefening, waarbij vertrokken wordt vanuit een gewenste situatie en ‘teruggerekend’ wordt om te kijken welke (beleids)keuzes gemaakt moeten worden om de gewenste toekomstvisie te bereiken. Het is een voorspelling van de meest waarschijnlijke ontwikkelingen over de komende 40 jaar. Een van de sterktes van het boek is het globale karakter van de projectie, die zowel sociaaleconomische, politieke, ecologische, demografische, urbanistische, sociologische, biologische, veiligheids-, en andere dimensies omvat. Het is dus een geïntegreerde benadering, waarin bijvoorbeeld de impact van het klimaat op de ecosystemen in de oceanen terugkoppeling geeft naar de voedselproductie en daardoor ook de volksgezondheid, de demografische ontwikkelingen en de economische groei en inkomensverdeling. Deze globale projectie wordt in bepaalde hoofdstukken ‘verlucht’ door ‘vakgebied flitsen’, geschreven door experten. Dit geeft vaak een verrassende kijk op een weinig bekend probleem of vakgebied.

De klimaatproblematiek loopt als een rode draad doorheen het boek. Het is dan ook dé uitdaging volgens de auteur en op dat vlak is hij pessimistisch, aangezien hij ervan uitgaat dat we de doelstelling van maximaal 2° Celsius opwarming tegen 2050 niet zullen halen. Door het ‘overshooten’ van deze grens komen we in de zone waarin na 2052 een zichzelf versterkend opwarmingsspiraal kan ontstaan. Het knelpunt dat leidt tot overshooting is niet gebrek aan kennis, maar gebrek aan consensus over de te nemen maatregelen. Een van de meest confronterende aspecten van het boek is dan ook de vaststelling dat de problemen perfect op te lossen zijn, maar dat de democratische en kapitalistische systemen hier niet toe in staat blijken, toch niet tijdig genoeg om structureel onheil te vermijden. Democratische regimes worden gedreven door korte termijn georiënteerde kiezers, kapitalistische markteconomieën worden gedreven door korte termijn georiënteerde bedrijfsleiders en aandeelhouders. Het gevolg is dat de ‘war-like action’ die nodig is om de problemen voldoende daadkrachtig aan te pakken, eenvoudigweg niet te verwachten zijn. ‘It is cheaper to push the world over the cliff than to try to save it’ is de onthutsende, maar niet onlogische conclusie. Het democratisch-kapitalistische systeem neemt de weloverwogen beslissing dat de kortetermijnlasten voor het oplossen van een langetermijnprobleem niet verantwoord zijn. Dit ogenschijnlijk irrationeel gedrag is onder andere verklaarbaar doordat onze besluitvormings- en economische modellen lineair van aard zijn, terwijl biologische ecosystemen een non-lineair gedrag vertonen.

Volgens Renders zijn wat hij ‘semi-autoritaire regimes’ noemt veel beter uitgerust voor een op duurzaamheid gericht beleid. Dat hij China hieronder rekent is weinig verrassend. Dat ook de Europese Commissie in het lijstje van semi-autoritaire regimes opduikt is wel onverwacht. Toch zijn er inderdaad voorbeelden te vinden die deze visie onderbouwen, omdat de Europese Commissie in dossiers als klimaatbeleid inderdaad een voortrekkersrol speelt (of moet dat eerder speelde zijn?) t.o.v. de Europese Raad en het Parlement.

Door de grote inertie die ontstaat door het falend besluitvormingsproces is oplopende milieu-, klimaat-, economische en sociale schade onvermijdelijk. Dat proces is op een aantal vlakken immers al overduidelijk zichtbaar (overbevissing, verdwijnen van regenwoud, CO2-uitstoot). Pas als de negatieve gevolgen van deze overshooting zicht- en voelbaar worden, begint het moeizame opbouwen naar een oplossing. Ondertussen gaat de achteruitgang natuurlijk gewoon verder, soms zelfs volgens een zich versterkende dynamiek. Randers merkt dan ook op dat zijn meest waarschijnlijke projectie van de toestand van de wereld ver afwijkt van wat hij graag zou zien.

Toch is het boek niet op alle vlakken een deprimerende kijk op een steeds verder naar de ecologische - en daarmee ook menselijke - afgrond razend sociaaleconomisch model. Op een aantal vlakken blijkt waar we waarschijnlijk als aardse samenleving zullen staan in 2052 minder pessimistisch te zijn dan veelal gedacht. Zo zal de bevolkingsgroei minder escaleren dan algemeen verwacht, wat een gunstig effect heeft op de milieu-impact van de mens.

Het boek hanteert naast een aantal van de welbekende indicatoren, zoals BNP en de ecologische voetafdruk, ook een aantal minder gekende concepten, zoals bio-capaciteit. Deze grootheid meet de hoeveelheid biologisch productief land en heeft de voorbije 40 jaar enigszins verwonderlijk goed doorstaan. Ook de komende decennia komt de bio-capaciteit niet echt onder druk. Pas vanaf 2040 hebben de effecten van de klimaatwijziging een significante invloed op deze indicator. De niet-energetische voetafdruk van de mensheid blijft dus relatief goed onder controle en ligt nog geruime tijd binnen de grenzen van wat duurzaam is. Het is de energetische voetafdruk die nu al ruim de duurzaamheidsgrenzen overschrijdt. Globaal ligt de ecologische voetafdruk van de mens nu op 1,4 aardes. De CO2-uitstoot daarentegenligt op een niveau van 200% t.o.v. de duurzame situatie. Dit soort van overshoot kan natuurlijk enige tijd doorgaan, omdat de gevolgen ervan niet onmiddellijk merkbaar zijn. Net zoals je aan overbevissing kan doen door meer vis te vangen dan er bijkomt, totdat de vispopulatie in het gebied zover is gezakt dat visserij geen leefbaar bedrijf meer is.

De enige ‘oplossingen’ voor niet-duurzame overshoot situaties zijn beheerde afbouw of ineenstorting. Een - helaas zeldzaam - voorbeeld van relatief succesvolle beheerde afbouw is het Protocol van Montreal uit 1987, dat de emissie van ozonlaag vernietigende chemische stoffen verbood of aan banden legde. Een voorbeeld van ineenstorting vinden we in de Canadese kabeljauwvisserij, die sinds 1992 eenvoudigweg stilviel wegens gebrek aan vangst. Helaas is er van herstel van de Canadese kabeljauwpopulatie ook ruim twee decennia later nog geen sprake. Maar het scenario 'ineenstorting' is in het geval van de klimaatopwarming natuurlijk van een heel andere orde dan een lokaal visserijprobleem.

Zoals al gezegd, leidt de toekomstvisie in het boek 2052 zeker niet altijd tot wanhoop. Zo wordt een paradigmaverandering inzake duurzaamheid voorzien, die gepaard gaat met een verschuiving van de ‘ik’- naar een ‘wij-cultuur’ en nieuwe zakenmodellen, die niet meer kapitalistisch van aard zijn.

Enkele ‘flitsen’ zijn ronduit fascinerend voor wie het vakgebied in kwestie niet volgt. Bijvoorbeeld een militaire toekomst met kleinschalige, permanente, geprivatiseerde en zo goed als volledig geautomatiseerde conflicten enerzijds en de inzet van menselijke soldaten in het bestrijden van (klimaat-)rampen anderzijds.

Ook sociaaleconomisch wordt een intrigerend beeld geschetst, bijvoorbeeld inzake de nood aan nieuwe herverdelingsmechanismen gelet op de zeer lage economische groei die verwacht wordt, zeker in de OESO-landen. De gezondheidszorg wordt steeds meer economisch gedreven wat tot nieuwe ethische keuzes zal leiden: wie mag leven, wie niet? De impact van het besef dat de voorraden olie en aardgas die op de balansen van multinationals staan nooit zullen verbrand kunnen worden, zal de hypotheekcrisis ver overstijgen. Maatschappelijke waarden zoals privacy zullen een ‘bourgeois charm’ worden in de komende decennia.

Het is interessant om af te sluiten met Randers’ eigen reactie op zijn toekomstverkenning: hij was eerst opgelucht, daarna wanhopig. Opgelucht omdat de toestand in 2052 niet zo erg zal zijn als hij intuïtief dacht. Maar al het onnodige verlies en lijden dat het gevolg is van het onvermogen om de problemen nu daadwerkelijk aan te pakken kan alleen tot wanhoop leiden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 86 tot 88