Log in

'The Zero Marginal Cost Society'

Uitgelezen

The Zero Marginal Cost Society

Jeremy Rifkin
Palgrave Macmillan Trade, New York, 2014

Jeremy Rifkin is uiteraard niet de eerste de beste. De man heeft een neus om toekomstbepalende technologische ontwikkelingen op te sporen en maatschappelijk te decoderen. In zijn eerder verschenen spraakmakend boek The Third Industrial Revolution zette hij het wervend beeld neer van een ‘energie-internet’. Ons elektriciteitsnet, zo stelde Rifkin toen, moet evolueren van een net dat stroom op hoge spanning geproduceerd door enkele zeer grote centrales langs kilometerslange lijnen tot in de verste uithoeken brengt (als een waterval), naar een net dat in twee richtingen werkt. Een ‘slim net’ waar zogenaamde prosumenten (die tegelijk stroom consumeren als zelf produceren met eigen zonnepanelen of warmtekrachtinstallaties) stroom van afhalen, maar ook opzetten. Zoals een internet waar iedereen pakketjes informatie kan vanaf halen en op kan verzenden.

Zijn laatste boek The Zero Marginal Cost Society - The Internet of Things, the Collaborative Commons and the Eclipse of Capitalism bouwt hierop verder. Prosumenten produceren, consumeren en delen niet alleen energie (via het slim net) en muziek, film, vermaak en informatie (via het internet), maar straks ook 3D geprinte producten. Ze delen onder meer ook auto’s, huizen, kleding en voedsel via sociale media, ruil-, leen- en leaseclubs. Via online cursussen op internet kan iedereen over heel de wereld intussen les krijgen van de beste proffen uit de beste universiteiten. In open source communities werken wereldwijd duizenden informatici gezamenlijk aan nieuwe, vrij te gebruiken softeware, hardware en nieuwe product- en procesontwerpen. De vrij beschikbare kennis zorgt samen met de onwaarschijnlijke daling in de kosten van stroomopwekking uit zonne-energie en (straks) overal beschikbare 3D printers, voor een revival van de decentrale plaatselijke productie waar iedereen aan kan deelnemen. De tijd van de schaalvergroting, centralisatie en concentratie van productie in handen van mono- of oligopolistische bedrijven is voorbij. We staan aan de vooravond van een gedemocratiseerde economie waarbij iedereen toegang heeft tot en mee bouwt aan het sociaal kapitaal en het productieapparaat in een soort ‘internet van goederen’. De revolutie voltrekt zich dus niet door een overname door een georganiseerde arbeidersklasse van de controle over de centralistische en door het kapitalisme opgebouwde productiemiddelen - zoals Marx het had voorspeld - maar door een coproductie waarbij het intellectuele kapitaal wordt geglobaliseerd, terwijl de productie voor een groot stuk wordt gelokaliseerd. Intellectuele kennis wordt niet langer afgeschermd met patenten, octrooien of copyrights, maar samen opgebouwd en gratis gedeeld. Het beschikken over producten wordt minder belangrijk, de toegang tot diensten des te meer. Eigendom maakt plaats voor ‘gemeendom’. We beleven een revival van de ‘commons’, de ‘meent’. Rifkin heeft het over de ‘collaborative commons’ - de samen opgebouwde, samen werkende en samen beheerde gemeendom - met het ‘internet van goederen’ als technologische soulmate die iedereen tot prosument maakt en met elkaar verbindt.

Volgens Rifkin geeft dit tijdperk van de Collobarative Commons het kapitalisme meer en meer het nakijken. Dat kapitalisme wordt het slachtoffer van zijn eigen contradicties en van zijn eigen succes. De steeds toenemende productiviteit maakt dat de zogenaamde marginale kost (de kost van de productie van een bijkomende eenheid) van de productie van hoe langer hoe meer producten en diensten naar bijna nul tendeert. En net die marginale kost is op de markt prijsbepalend. Het gevolg is dat de marktprijzen dermate dalen dat winstmarges verdwijnen, (nieuwe) productiecapaciteit zich op de markt niet langer kan terugverdienen en de aandeelhouders/eigenaars hun geïnvesteerd kapitaal zien verdampen. De decentrale technologie en de ‘open source’-kennis maakt dat oligopolisten en monopolisten de controle over het productieapparaat niet langer kunnen domineren en voor zich kunnen houden.

Gaat dit nu allemaal wel zo’n vaart lopen? Hebben we hier niet te maken fenomenen die zich in het beste geval naast onze markteconomie ontwikkelen zonder daar voor in de plaats te komen? Een aantal feiten en cijfers in het boek doen toch duizelen. Airbnb vult meer bedden dan de hele Hilton en InterContinental, de twee grootste hotelketens ter wereld. Wikipedia heeft de traditionele encyclopedieën al lang uit ons geheugen gewist. Het als freeware ontwikkelde besturingsprogramma Linux draait in meer dan 90% van de snelste 500 supercomputers in de wereld. Kranten, uitgeverijen, bioscopen en de muziekindustrie lijden al verschrikkelijk onder de gratis gedeelde muziek, films en nieuws. Autodeel- en fietsdeelprojecten winnen immens aan populariteit en iedereen weet welke verwoestende effecten Uber (hoewel niet echt peer-to-peer) aanricht in de reguliere taxisector. Ondertussen zien we ook dat de opkomst van zonne-energie en windenergie - die eens gebouwd quasi gratis draaien - de groothandelsprijzen van stroom in Europa dermate drukken dat de weinige uren die gascentrales nog moeten tussenkomen deze te weinig opbrengen om rendabel te kunnen blijven. De traditionele oligopolisten moeten daardoor zware verliezen nemen op hun klassiek productiepark. Ze splitsen hun fossiele installaties af in een soort ‘bad bank’ zoals het Duitse E.ON of overtuigen hun regelgevers ‘capaciteitssteun’ te geven voor het achter de hand houden van hun klassieke centrales zodat deze ook betaald worden als ze niet produceren.

En we staan nog maar aan het begin. Wereldwijd werken honderden ingenieurs en ICT-ers samen aan Wikispeed, de eerste niet gepatenteerde elektrische wagen die via open source zal worden ontwikkeld via een modulair systeem dat toestaat om nieuwe optimalisaties in bepaalde onderdelen, onmiddellijk toe te passen zonder te moeten wachten op de lancering van een volgende ‘model’.

Volgens een studie van Deutsche Bank zijn de opwekkosten van zonnepanelen dermate aan het dalen dat tegen 2017 in 80% van de wereldmarkt, zonnestroom ‘grid parity’ wordt bereikt. Dat wil zeggen dat het zelf opwekken van stroom even goedkoop of goedkoper is dan de stroom van het net te halen. Net zoals met onze ICT-infrastructuur ontstaat ook hier de vraag wie nog voor de netkosten gaat opdraaien. Niet alleen de toegang tot hernieuwbare energie komt in ieders bereik, ook de toegang tot internet. Via nieuwe technologie - die onder meer gebruik maakt van vrije radiofrequenties - zou volgens Rifkin gratis Wifi eerder de regel dan de uitzondering worden.

De opkomst van de deeleconomie en de productie van meer en meer goederen en diensten aan een marginale kost van nagenoeg nul, ondergraven het verdieners­model waarop tal van economische sectoren stoelen. Dat drukt ook de werkgelegenheid binnen de klassieke reguliere economie. Die werkgelegenheid wordt verder aangetast door de verdere automatisering, robotisering, digitalisering en virtualisering. Niet alleen de klassieke handenarbeid neemt verder af, ook in de dienstensector, zo voorspelt Rifkin, worden meer en meer jobs door computers vervangen. Sensoren allerhande, big data en artificiële intelligentie brengen alles in een stroomversnelling. Bankbedienden, verzekeringsmakelaars, verkopers, reclamemakelaars en zelfs vertalers en advocaten moeten in computerprogramma’s geduchte concurrenten zien. Niet alleen de klassieke ‘brick and mortar’ winkels hebben hun beste tijd gehad, maar ook de kantoorjobs.

The Zero Marginal Cost Society maakt ons duidelijk dat deze evolutie al onder ons is, dat ze plaatsgrijpt onder onze ogen zonder dat we het in de mot hadden. We maken de geboorte mee van een Derde Industriële Revolutie, die net als de andere een samenspel is tussen een nieuw energiesysteem (overvloedig beschikbare hernieuwbare energie), nieuwe communicatietechnologie (het internet) en een nieuwe vorm van logistiek die zorgt voor de distributie van de (3D geprinte) producten en (gerecycleerde) grondstoffen. In dat nieuwe logistieke stelsel wordt de info over te verzenden ladingpakketten, beschikbare opslagruimte en transportcapaciteit gestandaardiseerd, gedigitaliseerd en uitgewisseld en wordt opslag en transport geautomatiseerd net zoals dat vandaag gebeurt met de informatiepakketten die over het internet gaan. Deze nieuwe Industriële Revolutie wordt ook cultureel ingebed met de opkomende ‘collaborative commons’. Waar de markteconomie cultureel mee vorm kreeg door de invoering van het eigendomsrecht dat in de plaats kwam van de in feodale tijden gedeelde gemene gronden, de ‘meente’, krijgen we nu terug een cultuur van delen, van coproductie en cobeheer in plaats van concurrentie. Het ‘gemeendom’ wordt opnieuw geopend en hersteld na de naasting ervan door de ‘enclosures’ en de commodificatie die plaatsvond tijdens de 200 jaar dat het kapitalisme heerste op aarde. Het publieke domein, de kennisgemeenschap, de virtuele gemeenschap, de gemeenschap van hernieuwbare bronnen, het gezamenlijk gedeelde electromagnetisch spectrum, onze watervoorraden en atmosfeer: ze worden allemaal terug publiek geclaimd en uit de exclusieve controle gehaald van een minderheidsgroep van private eigenaars. En - in tegenstelling tot de commons uit de feodale tijden - is het nieuwe gemeengoed vaak onbegrensd. Niet langer exclusieve private controle (kapitalisme) of overheidscontrole (communisme) beheren deze sferen, maar wel de gemeenschap van samenwerkende prosumenten ('collaborative commons' opgebouwd via peer-production), geholpen door de overheid. Sociaal kapitaal wordt belangrijker en komt naast en deels in de plaats van marktkapitaal. Niet langer het bezitten van (status)goederen wordt bepalend voor iemands identiteit, wel de bijdrage die iemand levert aan de gemeenschappelijke pool.

The Zero Marginal Cost Society is een boek voor iedereen die inzicht wil krijgen in het tijdsgewricht waarin we leven en in de technologische en culturele krachten die op ons samenleven en onze markt­ordening ingrijpen. Iedereen die het beleid wil maken of beïnvloeden weet met het lezen van dit boek in welk spel we spelen. Rifkin laat zien welke golf er op ons afkomt zonder echter aan te geven hoe we ermee moeten omgaan, hoe de paradigmashift van marktkapitalisme naar de collaboratieve commons moet worden begeleid. Als we hier onvoorbereid of ondoordacht mee omgaan, kunnen we ons aan heel wat schokgolven verwachten. De erosie van de reguliere arbeid zal dan leiden tot een aantasting van de menselijke waardigheid en van de maatschappelijke cohesie in plaats van dat nieuwe participatiemogelijkheden in gezamenlijk beheerde 'collaborative commons' juist voor nieuwe ontplooiing en grotere samenhang gaat zorgen. Als we niet snel tot een alternatieve financiering komen van onze sociale zekerheid dan dreigt - door een verder wegkwijnende belastingsbasis - de fiscale crisis en de daarmee samenhangende legitimiteitscrisis van onze verzorgingsstaat alleen maar in omvang toe te nemen. En wie draait nog op voor de noodzakelijke vaste kosten van de infrastructuur of het productieapparaat dat producten en diensten uitbraakt waarvoor op de markt amper nog prijzen worden aangerekend?

Rifkins boek nodigt uit tot veel meer. Het verhoogt de urgentie van een aantal denkoefeningen die vandaag bezig zijn: het pleidooi voor een basisinkomen of voor de 15-urige werkweek van Rutger Bregman, de opbouw van een peer-to-peer samenleving waar onder meer Michiel Bauwens zijn schouders onder zet, de verhouding tussen vrijwilligerswerk of bijklussen in de nieuwe deeleconomie en de sterk gereguleerde arbeid in de reguliere sectoren die erdoor worden aangevreten, de discussie over de taxshift, enzovoort.

Als we de golf van de nieuwe Industriële Revolutie goed inbedden en er bovenop geraken, dan kan ze ons ver brengen. Als we ze niet tijdig zien aankomen, dreigt ze ons te verzwelgen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 4 (april), pagina 103 tot 106