Log in

De moed om utopisch te zijn

QUO VADIS SP.A?

"Wish I didn’t have to go to work tomorrow", he said.
"Don’t, then. Stay home."
"No. I guess I’ve got to go."

Richard Yates, Revolutionary Road

De voorzittersverkiezingen van de Vlaamse socialisten vinden plaats onder een slecht gesternte. Wie een blik werpt op de cijfers moet erkennen dat de sociaaldemocratie electoraal gezien historisch zwak staat. Die electorale zwakte is niet het gevolg van de eventuele afwezigheid van sterke leidersfiguren of een paar slechte campagnes. De crisis waar de sociaaldemocratie voor staat is er één die structureel is. Wie het roer bij de Vlaamse socialisten ook moge overnemen, van belang is dat een analyse van die structurele malaise serieus wordt genomen. Enkel zo kan op termijn een kentering teweeg gebracht worden. Enkel zo krijgen we een hernieuwde hegemonie van links.

QUO VADIS SP.A?

Linksaf, zo snel mogelijk
Mark Elchardus
Eco-socialisme als nieuw groot verhaal
Marc Le Bruyn
De moed om utopisch te zijn
Thomas Decreus en Christophe Callewaert
Aan de volgende sp.a-voorzitter
Wim Vermeersch

In deze bijdrage willen we de structurele neergang van de sociaaldemocratie analyseren in termen van het door Gramsci ontwikkelde begrip hegemonie. Hegemonie is een begrip dat verwijst naar het dominant worden van een specifiek vertoog over de maatschappij. Met die dominantie gaat steeds een bepaalde machtsschikking tussen verschillende groepen in de samenleving gepaard. Wij zullen die machtsschikking in de eerste plaats interpreteren in termen van een verhouding tussen arbeid en kapitaal. We vertrekken daarbij van de constatering dat de verhouding arbeid en kapitaal evolueerde van een compromis naar een hernieuwde confrontatie ten voordele van kapitaal. Het is die hernieuwde confrontatie, in samenhang met structurele tendensen, die volgens ons de neergang betekende voor de naoorlogse hegemonie van de sociaaldemocratie.

Wij willen echter meer doen in deze bijdrage dan een zoveelste analyse bieden van de neergang van de sociaaldemocratie. Naar het einde van dit essay toe willen we ook aantonen dat er niet te onderschatten opportuniteiten zijn voor een nieuw links verhaal. Een verhaal dat de potentie heeft om hegemoniaal te worden. Voorwaarde hiertoe is wel een radicale heroriëntering en het achter ons laten van enkele van de voornaamste premissen waarop de sociale welvaartsstaat is gebaseerd.

DE HEGEMONIE VAN DE SOCIAALDEMOCRATIE

In de dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog was de sociaaldemocratie hegemoniaal. Dat wil niet zeggen dat alle sociaaldemocratische partijen per definitie met de electorale winst gingen lopen, maar wel dat het politieke programma en bijhorende weltanschauung van de sociaaldemocraten in grote mate gedeeld werd door concurrerende politieke krachten. Vrijwel alle politieke krachten van betekenis gingen ervan uit dat ongebreideld kapitalisme geen leefbare samenleving voortbrengt, dat een democratische politiek gestut moet worden door een sociale politiek en dat structureel sociaal overleg meer soelaas brengt dat klassenconflict. Deze nieuwe consensus werd ook erkend en toegejuicht in de Frankfurt Declaratie (1951), het document waarin de naoorlogse sociaaldemocratische partijen hun belangrijkste principes en streefdoelen uiteenzetten. Artikel 5 van de Frankfurt Declaratie luidt:
In many countries uncontrolled capitalism is giving place to an economy in which state intervention and collective ownership limit the scope of private capitalists. More people are coming to recognise the need for planning. Social security, free trade unionism and industrial democracy are winning ground. This development is largely a result of long years of struggle by Socialists and trade unionists. Wherever Socialism is strong, important steps have been taken towards the creation of a new social order’.1

Dit citaat is belangrijk omwille van twee redenen. Ten eerste toont het aan dat sociaaldemocraten de naoorlogse politiek genegen waren. Ze beschouwden de naoorlogse orde in belangrijke mate als een realisering van hun eigen programma en hun eigen politieke strijd. Ten tweede wordt impliciet erkend dat er een politieke consensus ontstaan is rond het programma van de sociaaldemocratie. Een consensus die partijgrenzen overschrijdt en het kader schept waarin de naoorlogse politiek vorm krijgt. Met andere woorden, in de Frankfurt Declaratie is er een zelfbewustzijn van de hegemoniale positie die sociaaldemocraten innemen.

De hegemonie van de sociaaldemocraten materialiseerde zich in het tot standkomen van de welvaartsstaat. De welvaartsstaat is de meest tastbare uiting en tegelijk de belangrijkste verwezenlijking van de sociaaldemocratische hegemonie. Hoewel de concrete implementatie van de welvaartsstaat verschilt van land tot land, kunnen we toch enkele basisprincipes2 onderscheiden die bepalend zijn voor de welvaartsstaat van na de Tweede Wereldoorlog:
1) Een zo groot mogelijke door de staat gegarandeerde werkgelegenheid. De welvaartsstaat gaat terug op het principe dat er werkgelegenheid voor iedereen kan worden gecreëerd. Het is de staat en niet de markt die zich hiervoor borg stelt. Indien nodig gaat de staat actief jobs creëren door middel van planning of tewerkstelling in de publieke sector.
2) Inkomenszekerheid. De welvaartsstaat garandeert inkomenszekerheid voor de burgers. Enerzijds door het voeren van een loonpolitiek die onder andere minimumlonen vastlegt, anderzijds door het invoeren van een verzekeringsstelsel dat behoedt voor risico’s zoals ziekte en werkloosheid.
3) Sterke progressieve belastingen. De welvaartsstaat handhaaft een sterke herverdelingspolitiek. De zwaarste schouders worden geacht de zwaarste lasten te dragen.
4) Economische democratie en overleg. Er worden reguleringen ontworpen met betrekking tot veiligheid, arbeidsuren en inspraak op de werkvloer. Om tot dergelijke afspraken te komen gaan werknemers en werkgevers met elkaar in dialoog. Dit zowel op het niveau van het bedrijf, sector als regionaal en nationaal.

HISTORISCH BLOK

Een hegemonie komt niet zomaar tot stand. Dat geldt ook voor de hegemonie van de sociaaldemocratie. Antonio Gramsci, de Italiaanse filosoof die het concept hegemonie ontwikkelde, wees erop dat het dominant worden van een politiek narratief steeds het resultaat is van een samenspel tussen structuur en superstructuur. Dit noodzakelijke samenspel tussen structuur en superstructuur wordt vaak uit het oog verloren. Traditionele marxisten neigen ernaar om de rol van de structuur - de economische verhoudingen - als bepalend voor de superstructuur te beschouwen. Hedendaagse interpretatoren van Gramsci kennen dan weer een bepalende rol toe aan de superstructuur: het zijn politieke evoluties die economische verhoudingen vormgeven, en niet andersom.

In dit debat nam Gramsci vooral een middenpositie in. Als marxist ging Gramsci ervan uit dat het geheel van economische verhoudingen de condities schept voor wat politiek mogelijk is. Maar dat betekent niet dat we moeten mee stappen in een deterministisch verhaal waarin economische verhoudingen bepalend zijn voor de politiek. Voor Gramsci gaat het er eerder om dat het geheel van economische verhoudingen de krijtlijnen bepalen voor wat politiek mogelijk is. Maar die krijtlijnen zijn ruim getrokken, en binnen het gebied dat ze afgrenzen bestaat er een ruime waaier aan historische mogelijkheden. Economische verhoudingen leiden dus nooit tot één bepaalde politieke uitkomst. De politiek blijft een grote mate van autonomie bewaren ten opzichte van de economie. Bovendien kan de politiek uiteraard ingrijpen in het geheel van economische verhoudingen en deze wijzigen. Het is dus niet enkel de structuur die op de superstructuur inwerkt, de superstructuur werkt evengoed in op de structuur. Er bestaat een constante wisselwerking tussen beide.

Dit alles is van belang als we willen begrijpen hoe en waarom een bepaald politiek narratief hegemoniaal wordt. De creatie van een hegemonie is in de eerste plaats een werk van politieke articulatie. Er moet een politiek discours ontwikkeld worden dat een coherente en bevattelijke weltanschauung uitdraagt. Een dergelijke weltanschauung wordt volgens Gramsci ontwikkeld en uitgedragen door politieke partijen en, indien succesvol, gereproduceerd doorheen de verschillende geledingen van de civiele samenlevingen (onderwijs, media, opvoeding, …). Maar een hegemonie is niet enkel het gevolg een sterk en coherent narratief. Wil een politiek narratief echt hegemoniaal worden, dan kan het niet losstaan van de structurele ontwikkelingen. Een succesvol politiek narratief moet de heersende economische verhoudingen op betekenisvolle wijze kunnen duiden en zich ook enten op het potentieel dat in die verhoudingen aanwezig is. Wanneer een politiek narratief daarin slaagt, dan spreekt Gramsci over een historisch blok.3 De notie van het historisch blok verwijst naar het op elkaar passen van een bepaald narratief en bepaalde structurele ontwikkelingen. In praktijk uit zich dit in specifieke machtsschikking tussen bepaalde groepen in de samenleving.

De hegemonie van de sociaaldemocratie en de materialisering daarvan in de welvaartsstaat kan worden begrepen als een historisch blok dat een bepaalde machtsschikking tussen arbeid en kapitaal inhield. Georganiseerde arbeid en kapitaal waren aan elkaar gewaagd, wat zich uitdrukte in het compromis dat ze met elkaar sloten. Er zijn drie belangrijke, structurele factoren die dit compromis mogelijk maakten. Ten eerste werden de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door een vrij spectaculaire economische groei. OESO-landen kenden een gemiddelde groei van vier procent in de jaren 1950 en van vijf procent in de jaren 1960. Die groei ging gepaard met een quasi volledige tewerkstelling en een keynesiaans geïnspireerd economisch beleid. Ten tweede was de economie vooral nationaal geïntegreerd en georganiseerd. Internationale handel vond voornamelijk plaats tussen landen met vergelijkbare arbeidsrechten. Het leidde ertoe dat er geen neerwaartse druk op lonen of arbeidsrechten ontstond. Ten derde bestond er een systemische competitie tussen kapitalisme en communisme. Europese elites hadden er alle baat bij om aan te tonen dat een gemengde economie zowel sociaal als economisch beter functioneerde dan een centraal geleide planeconomie. De naoorlogse welvaartsstaat moest het spook van de revolutie verdrijven door het te overtreffen.4

BARSTEN IN DE CONSENSUS

De hegemonie van de sociaaldemocratie en de welvaartsstaat, in combinatie met de structurele tendensen die haar mogelijk maakten, leidde tot een ongeziene welvaartsstijging. De periode tussen 1945 en 1975 wordt daarom soms aangeduid als Les Trentes Glorieuses. Lonen en productiviteit waren hoog, consumptiemogelijkheden namen toe en het sociale vangnet was performatief.5 Maar toch doen we er goed aan om die drie decennia niet te verheerlijken. Onder de spectaculaire welvaartsstijging broeide de existentiële onrust. De fordistische arbeidsorganisatie die kenmerkend was voor de dertig glorieuze jaren en waar de welvaartsstaat tevens op teerde, hielden een disciplinerende, seksistische, bureaucratische en uiterst conformistische samenleving in stand. Het is het type samenleving dat op de korrel werd genomen door schrijvers als Salinger (Catcher in the Rye), Miller (Death of a Salesman) en Yates (Revolutionary Road).

In de schoot van glorieuze welvaartsstaat ontstond toenemend verzet tegen het conformisme dat ermee samenhing. Aanvankelijk waren het vooral intellectuelen en kunstenaars die zich roerden. Er was de beat generatie in de VS en de Lettristische Internationale in Frankrijk (waaruit later de Situationisten zouden ontspruiten) die zich steeds meer gingen afzetten tegen de gevestigde normen. In plaats van het conformisme dat zo kenmerkend was voor de jaren 1950 werden individuele autonomie, authenticiteit, vrijheid en zelfexpressie naar voor geschoven als centrale waarden. Het waren ook die waarden die centraal zouden staan in de wereldwijde protestbeweging die mei ‘68 was.

Mei ‘68 kan het best begrepen worden als een linkse revolte tegenover de sociale consensus. Het was een golf van protest die potentialiteiten van de welvaartsstaat verder wou uitbuiten en zich tegelijk keerde tegen het consumentisme en het conformisme dat de welvaartsstaat met zich meebracht. In die zin was mei ‘68 de laatste grote opstoot van een tegendiscours dat zich ter linkerzijde van de hegemoniale sociaaldemocratie bevond. Een tegendiscours dat echter in de jaren na ‘68 steeds meer voor de kar gespannen werd van een rechtse kritiek op de welvaartsstaat. De kritiek op de bureaucratische staat bijvoorbeeld werd overgenomen door het rechtse kamp. Dat kamp eigende zich ook de verdediging van de individuele autonomie toe.6

Deze cultureel-politieke verschuiving ging gepaard met veranderingen op een structureel niveau. Vanaf begin jaren 1970 trad een ‘stagflatie’ op: de economie stagneerde en de inflatie steeg. Onder meer de oliecrisis van 1973 was een cruciale factor in het verder aanwakkeren van de stagflatie. Na verloop van tijd liet zich dit ook voelen op de arbeidsmarkt: de quasi volledige tewerkstelling waardoor de dertig glorieuze jaren gekenmerkt werden, verdween. In dezelfde periode onttrekt de private sector zich ook steeds uitdrukkelijker van het sociale compromis. De toenemende werkloosheid bood daartoe een uitgelezen kans. Eenmaal quasi volledige tewerkstelling wegvalt betekent dat immers een kantelen van de machtsbalans ten voordele van kapitaal. Want wanneer arbeid schaars wordt, kan kapitaal zijn eisen opleggen aan arbeid in plaats van andersom. Het was een evolutie die door kapitaal bewust als strategie werd verdergezet.

Naast toenemende werkloosheid was ook globalisering een strategie om winsten te maximaliseren en zich te onttrekken van de macht van georganiseerde arbeid en natiestaat. Door toedoen van globalisering werden bedrijven transnationale netwerken die zich vestigen in die landen die de laagste loonkost of het beste fiscaal regime kunnen garanderen. In die zin betekende het een emancipatie van het kapitaal ten opzichte van de politieke macht. Die emancipatie ging gepaard met de opkomst van supranationale instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank die de globale markt structureren.

Het zijn deze structurele tendensen die er, in combinatie met de culturele kritieken en veranderende arbeidsprocessen, voor zorgden dat de hegemonie van de sociaaldemocratie en de welvaartsstaat vanaf de jaren 1970 steeds meer onder druk kwam te staan. Deze toenemende druk vertaalde zich in een reële machtskanteling ten voordele van kapitaal en ten nadele van arbeid. De welvaartsstaat en de sociaaldemocratie werden in het defensief gedrongen door deze machtsverschuiving waardoor haar politieke speelruimte drastisch verkleinde. Deze defensieve positie en beperkte speelruimte houdt aan tot vandaag.

DE CRISIS DIE NOOIT VERGING

De structurele tendensen die leidden tot de ondergang van de hegemonie van de sociaaldemocratie zijn niet verdwenen. Ze zijn enkel sterker geworden. De economie is sinds de jaren 1970 steeds globaler geworden en de werkloosheid blijft hoog. De vraag is daarom niet: hoe kunnen we globalisering en werkloosheid tegengaan? Eerder dienen we te vertrekken van de vraag welke systemische ingrepen mogelijk zijn in tijden van globalisering en werkloosheid om de machtsbalans opnieuw te doen kantelen, zodat een hegemonie van links mogelijk wordt.

Op theoretisch niveau circuleren reeds een aantal pistes om de machtsbalans te doen keren. Als antwoord op de economische globalisering houdt Thomas Piketty een pleidooi voor een internationale vermogensbelasting. Dit zou inderdaad een erg belangrijke correctie kunnen betekenen op de globalisering. Voor velen is een internationale vermogensbelasting utopisch. Maar een internationale vermogensbelasting is in se niet utopischer dan het nastreven van een globale vrije markt. Bovendien bestaat er reeds een supranationaal kader dat die globale markt organiseert en reguleert. Dat kader zou op termijn verder uitgebouwd kunnen worden om vormen van internationale vermogensbelasting te organiseren. Wat vooral ontbreekt is de politieke wil om werk te maken van een vermogensbelasting, zowel op nationaal als internationaal niveau.

Een gelijkaardige politieke wil ontbreekt om op fundamentele wijze na te denken over het fenomeen werkloosheid. Zowel de linker- als de rechterzijde van het politieke spectrum gaat er impliciet van uit dat we kunnen terugkeren naar een quasi volledige tewerkstelling, dat sociale rechten moeten worden gekoppeld aan betaalde arbeid en dat een voltijdse, vaste loopbaan de norm is. Tegenover deze dominante ideeën steekt de waarheid schril af. Economische groei vertaalt zich in steeds minder jobcreatie omdat er steeds meer kan worden geproduceerd door minder mensen tewerk te stellen. Dat is ook de onderliggende logica van het kapitalistische productieproces. Het nastreven van winstmaximalisatie veronderstelt het aannemen van zo weinig mogelijk personeel en het nastreven van een maximum aan efficiëntie. Daarenboven betekent het bestaan van een hoge, structurele werkloosheid een strategisch voordeel voor kapitaal. Kapitaal heeft er dus alle belang bij dat zo weinig mogelijk jobs gecreëerd worden. Heden ten dage worden we steeds meer geconfronteerd met de effecten van die logica. Er zijn steeds minder jobs en de bestaande jobs zijn precair geworden. Halftijdse arbeid, flexibele loopbanen, onbetaalde stages en interimarbeid: dat is de norm die steeds meer geldt voor zowel hoog- als laaggeschoolden.7

Het schaarser worden van werk en de precarisering van het bestaande werk, creëert een toenemende en niet te onderschatten druk op werknemers en werkzoekenden. Werknemers zijn steeds meer bereid om tot het uiterste te gaan in hun job omdat ze weten dat een job een schaars goed is. Ook werkgevers weten dat. Op die manier ontstaat een zichzelf versterkend effect van uitbuiting en zelf-uitbuiting wat zich weerspiegelt in de spectaculaire stijging van het aantal werkgerelateerde psycho-sociale aandoeningen. Werkzoekenden worden aan een gelijkaardige druk blootgesteld. Zij worden steeds meer gecriminaliseerd en als de facto fraudeurs voorgesteld. Het controleapparaat dat op werkzoekenden wordt losgelaten, is kafkaiaans en een democratie stilaan onwaardig. Werkzoekenden zijn tweederangsburgers geworden die voortdurend gestigmatiseerd en gedisciplineerd worden, zowel door de politiek als door de instellingen waarvan ze afhankelijk zijn.

NAAR EEN HEGEMONIAAL ALTERNATIEF

Om opnieuw een gunstige uitgangspositie te creëren voor werknemers en werkzoekenden is een paradigmatische shift nodig. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog was het de volledige werkgelegenheid die werknemersgroep enorme macht en vertrouwen gaf. De werkloosheid in België is nu numeriek hoger dan in de donkere jaren 1980. Gezien de productiviteitsstijgingen en de voortdurende automatisering rijst de vraag of het nog mogelijk is om iedereen een voltijdse (38u/week) baan te geven. Vanuit ecologisch oogpunt is het zelfs niet wenselijk om dat te doen. Er zijn dan twee manieren om de onderhandelingspositie van werknemers te versterken. De eerste is een radicale vermindering van de arbeidsduur. De Britse denktank New Economic Foundation stelt voor om van 21u/week het nieuwe voltijds te maken. Dat is de tijd die je krijgt als je alle werk verdeelt over de mensen die in staat zijn te werken. Een tweede mogelijkheid is de invoering van een basisinkomen. Evidente voorwaarde is wel dat het basisinkomen hoog genoeg is, zodat de werknemer in principe bij machte is om werk te weigeren indien de condities hem of haar niet zinnen. Indien dat het geval is, kan ook het basisinkomen een structurele machtswissel helpen bewerkstelligen tussen arbeid en kapitaal. Het is ook een middel om inkomenszekerheid los te koppelen van arbeid. Het is daardoor ook een wapen tegen de stigmatisering van mensen die aangewezen zijn op een uitkering om te overleven.

Het basisinkomen of arbeidsduurvermindering kan ook deel uitmaken van een nieuw narratief dat zich ent op deze structurele machtswissel. Arbeidsduurvermindering of de introductie van een basisinkomen zijn maatregelen die bijdragen tot de autonomie van werkende mensen, hen opnieuw controle geeft over de schaarse tijd en hen toelaat om gezin en arbeid op een leefbare manier te combineren. Werkzoekenden worden dan weer bevrijd van de permanente druk en toenemende stigma dat op hen rust. Het is een verhaal gelijkheid én vrijheid dat burgers toelaat zich te emanciperen van zowel markt als staat. Alle experimenten met een basisinkomen en arbeidsduurvermindering wijzen erop dat dit ondernemingsdrang, creativiteit en onderlinge sociale betrokkenheid aanwakkert.

Niet enkel het realiseren van een basisinkomen of een radicale inperking van de werkweek, maar de politieke en sociale strijd aangaan om een basisinkomen te realiseren, zal bijdragen tot een offensief politiek narratief op links. Een narratief dat binnen de huidige constellatie kans maakt om hegemoniaal te worden net omdat het enkele structurele tendensen kan duiden en remediëren. Dat laatste is iets wat zowel de linker- als de rechterzijde van het politieke spectrum niet kan vandaag.
Uiteraard zullen een basisinkomen of een kortere werkweek niet genoeg zijn om een hernieuwde hegemonie van links te realiseren, maar het kan er wel een belangrijk element in zijn. Bovenal toont een idee als het basisinkomen of de kortere werkweek de richting aan waarin een links narratief zich zal moeten ontwikkelen om opnieuw hegemoniaal, of op zijn minst offensief te worden. Met een louter defensieve verdediging van de welvaartsstaat zullen in ieder geval geen potten meer gebroken worden.

CONCLUSIE

Eén van de voornaamste redenen waarom de sociaaldemocratie haar hegemonische positie moest afstaan aan het neoliberalisme, is het gebrek aan antwoorden op structurele tendensen die zich voltrokken. Deze tendensen deden de machtsbalans kantelen ten voordele van kapitaal en worden daardoor ook actief gestimuleerd door het kapitaal. De sociaaldemocratie bleef echter vastklampen aan de premissen van de welvaartsstaat. Dit leidde tot een defensieve politieke positie die zich als voornaamste doel stelt om wat er rest van de welvaartsstaat te redden. Het neoliberalisme nam de offensieve rol over.
Wil de sociaaldemocratie en links in het algemeen opnieuw een offensieve rol spelen, dan moet het enkele fundamentele premissen van de welvaartsstaat achter zich laten. Het idee van een volledige werkgelegenheid en de koppeling van betaald werk met de uitbouw van sociale rechten, is achterhaald. Om emancipatie in deze eeuw te realiseren zal naar andere, nieuwe middelen moeten worden gegrepen. Mogelijke antwoorden zijn het heffen van (internationele) vermogensbelastingen, de introductie van een universeel en onvoorwaardelijk basisinkomen en arbeidsduurvermindering. Deze ideeën dienen serieus genomen te worden door ze te onderzoeken en na te gaan in welke vorm ze concreet kunnen worden geïmplementeerd.

Utopisch? Misschien wel. Maar we doen er goed aan om volgende woorden die Friedrich Hayek, schreef in de lente van 1949:

The main lesson which the true liberal must learn from the success of the socialists is that it was their courage to be Utopian which gained them the support of the intellectuals and therefore an influence on public opinion which is daily making possible what only recently seemed utterly remote. Those who have concerned themselves exclusively with what seemed practicable in the existing state of opinion have constantly found that even this had rapidly become politically impossible as the result of changes in a public opinion which they have done nothing to guide’.8

Thomas Decreus en Christophe Callewaert
Journalisten DeWereldMorgen

Noten
1/ Voor een digitale versie van de Frankfurt Declaratie, zie http://www.socialistinternational.org/viewArticle.cfm?ArticleID=39.
2/ Deze fundamentele principes van de welvaartsstaat worden in ietwat gewijzigde vorm ook opgenoemd door Guy Standing. Zie Standing Guy, "The Need for a New Social Consensus". In: Van Parijs P. (ed.), Arguing for Basic Income. Ethical Foundations for Radical Reform, Verso, 1992, p. 47 e.v.
3/ Forgacs David (ed.), The Gramsci Reader. Selected Writings 1916-1935, New York University Press, 2000, pp. 192-193.
4/ Hobsbawn Eric, Age of Extremes. The Short Twentieth Century 1914-1991, Abacus, 1994, 268 e.v.
5/ Piketty Thomas, Capital in the 21st Century, Belknap Press, 2014, p. 87.
6/ Zoals Chiapello en Boltanski aantoonden in hun klassieke studie The New Spirit of Capitalism werd het tegendiscours van ‘68 geïntegreerd in een vernieuwd kapitalistisch arbeidsproces. Vanaf de jaren 1970 maakt het starre fordisme plaats voor het post-fordisme dat de individualiteit, creativiteit en autonomie onder werknemers stimuleerde. Waar het fordisme de individuele persoonlijkheid van de werknemer onderdrukte om de productiviteit te stimuleren, gaat het post-fordisme net die persoonlijkheid stimuleren en alle ruimte geven om het productieproces te stimuleren. Op die manier werd het linkse tegendiscours van mei ‘68 systeembevestigend en voer voor een rechtse kritiek op de welvaartsstaat. Boltanski Luc en Chiapello Eve, The New Spirit of Capitalism, Verso, 2007.
7/ Zie bv. Gorz André, After Work. Beyond the Wage-Based Society, Polity Press, 1999 of Standing Guy, The Precariat. The New Dangerous Class, Bloomsbury Academic, 2011.
8/ Hayek Friedrich, The Intellectuals and Socialism. Zie https://mises.org/library/intellectuals-and-socialism.

sp.a - ideologie - links

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 5 (mei), pagina 23 tot 31