Log in

In Memoriam Steve Stevaert

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 5 (mei), pagina 39 - 40 en 49-50

Compañero,

Het is nu precies twee weken geleden. Dinsdag aten we samen hopscheuten met een gepocheerd eitje. Daarna voerde je me, laat op de avond, van Brussel naar Antwerpen. Je ratelde traag - je blijft een Limburger - over je plannen en we lachten. Er was veel toekomst. Die toekomst mis ik vreselijk. Woensdag belde je. Je vertelde me over de nieuwe clip van Stromae die je geweldig vond. Donderdag was je weg. Ik heb met mijn vingertoppen je assen gevoeld.

Ze hebben me gevraagd iets over je te schrijven. Eerst De Morgen. Je was toen nog gewoon vermist, maar men ‘bereidde zich al voor op het ergste’. Je hebt geen idee wat er dan door je heen gaat. Later volgden andere persorganen. Ik heb dat geweigerd. Ik heb een week lang geen krant kunnen aanraken. Uiteindelijk heb ik toegezegd aan Samenleving en politiek, je weet wel, dat blad waar je pukkels van kreeg. Je vond het een speeltuin voor politicologen. Daarom was Sampol ook nuttig. ‘Als ze daar spelen, maken ze nergens anders iets kapot,’ zei je.

Er werd geschreven dat je een moeilijke verhouding had met intellectuelen. Je zou dat ten stelligste ontkend hebben. Je was dol op brains. Maar je vond dat heel wat intellectuelen een belangrijk deel van hun hersenen niet gebruiken. Michel de Montaigne, niet toevallig je lievelingsfilosoof - ik geloof ook je enige filosoof - greep het pseudo-intellectualisme bij de horens toen hij schreef: ‘Il y a ignorance abecedaire, qui va devant la science, une autre doctorale, qui vient après la science.’ Er is een ongeletterde onwetendheid en een geletterde onwetendheid. Jij was mild voor de eerste en bikkelhard voor de tweede. Je kon niet begrijpen dat intellectuelen uiterst dwaas kunnen zijn.

Jijzelf was het toonbeeld van de ongeletterde wijsheid. Maar laat me je niet te veel prijzen. ‘I come to bury Caesar, not to praise him.’ Die lepe truc wil ik wel gebruiken, want uiteraard kom ik je hier prijzen. Je bent mijn vriend; een briljant politicus. En verdomme de peter van mijn zoon. We hebben het hem moeten uitleggen, weet je. Ik heb gelogen. Ik heb verteld dat je een ongeluk hebt gehad. Hij leert nu zwemmen. Ik kan hem dus niets over een kanaal vertellen.

Maar het was geen ongeluk. Het was het vervolg op de toespraak van Antonius: ‘The evil that men do lives after them; The good is oft interrèd with their bones.’ Daar was je zo bang voor. De publieke veroordeling, lang voor een mogelijk vonnis. De kwaadsprekerij. Wees maar zeker dat je er bakken van over je heen hebt gekregen. Van de usual suspects, het triumviraat van de wansmaak: Camps, Dedecker, Sanctorum. Zelfs Van Overtveldt heeft zijn best gedaan om elke vorm van menselijkheid achter zich te laten. De banaliteit van het kwaad borrelde ook op uit de riolen van Twitter. Walter Pauli noemde het je laatste juiste inschatting. Je wist wat je te wachten stond. Of liever, wat je naasten te wachten stonden. Je had alweer gelijk. De mediastorm is al geluwd. Maar de storm in mijn hart raast als een allesvernietigende tornado. Ik mag niet dromen wat jouw meest dierbaren nu moeten voelen. Er zijn momenten dat ik kwaad op je ben, Steve.

Maar meestal niet.

Weet je Steve, ik heb de afgelopen week Shakespeare leren waarderen. Zoals elke dwaas citeerde ik ‘to be or not to be’. Deze week heb ik ook de volgende zinnen gelezen. ‘Zijn of niet zijn, daar gaat het om. Is het eervoller om in je hoofd die voortdurende aanvallen van het nietsontziende lot te verdragen of de wapens op te nemen tegen de zee van moeilijkheden en er al vechtend een einde aan te maken?’ Hier spreekt een would be zelfdoder.

Jij hebt het gedaan. Ik heb die donderdag als een bezetene naar de livebeelden van TV-Limburg gekeken. Uren kabbelend kanaal. Dan een tentje. Het was rood. Dat zou je geapprecieerd hebben.

Was ‘zijn of niet zijn’ echt de ultieme vraag? Zo lijkt het toch. We moeten het hier over hebben: er is veel geschreven over verkrachting. Over hoe vrouwen niet ernstig worden genomen. Er was een uitstekend artikel met cijfers en percentages; er was een videogetuigenis. Een vriendin vertelde in de krant over haar verkrachting. Rake getuigenis. Het was allemaal ‘naar aanleiding van’. Je weet dat Angelique, mijn vrouw, jouw vriendin, ook verkracht werd. Je hebt ons toen nog geholpen. Ik word ziek van verkrachters. Nu wordt breed uitgesmeerd dat ook jij misschien… Dat speelt, weet je. Ik kan het niet geloven, maar ik wil evenmin dat slachtoffers onrecht worden aangedaan. Het is lastig om het ‘niet weten’ een respectvolle plaats te geven. Wij moeten allemaal leven met die gapende vraag: wat is er verdomme gebeurd? Ik heb de afgelopen week allerlei puzzelstukken verzameld en ze in elkaar gepast. Ze bieden alvast rust. Ik was niet alleen in mijn zoektocht. Heel wat vrienden hebben getracht een antwoord te vinden op die open vragen. We hebben met elkaar gesproken, onze bevindingen naast elkaar gelegd. We kunnen nu een klassieke Griekse tragedie schrijven waarin de held, door een opstapeling van dwaasheid, onkunde, toevalligheden, misverstanden en uiteindelijk kwaadsprekerij, achterklap en publieke schande aan zijn einde komt. Het Lot, quoi.

Je hebt me ooit verteld dat wat we niet kunnen veranderen, we moeten ondergaan. Welk een tragiek er ook plaats heeft gehad, jij blijft een uitzonderlijk mens. Dat je gebreken had, wisten we allemaal. Maar je talenten waren verbluffend. Ik heb ooit foto’s in mijn handen gehad van toen je een tiener was, een schriel kieken met lang haar, als pierenverdriet. Een jongen met een verlegen, guitige blik. Je had twee grote gaven: een onfeilbare intuïtie en een magistraal talent voor massapsychologie. Jij was als een thermometer voor de samenleving. Je doorzag rationaliseringen en ging recht naar de kern. Je vertelde me keer op keer dat ik foute vrienden had. Niet omdat mijn vrienden fout waren, maar omdat ik er van uit ging dat zij het ijkpunt waren. Dat ik iets kon leren door te luisteren naar mijn omgeving. Je leerde me dat dat niet zo is. Dat we een verkeerd beeld krijgen van de samenleving als we die afmeten aan onze directe omgeving. Jij wist dieper te peilen. Jij wist hoe mensen zijn. Daarom hield je ook zo van mensen. De afgelopen veertien dagen is dat vaak geschreven: je hield echt van mensen. Vooral van hun gebreken.

Over dat talent om de mens te doorgronden als emotioneel wezen hebben slimme mensen dikke boeken geschreven. Michel de Montaigne wist al dat emoties en passies even bepalend zijn in onze keuzes als de rede. Bepalender zelfs. Precies omdat je dat besef belichaamde, werd je de ideale politicus zoals Drew Westen, de auteur van The Political Mind, die zich zou voorstellen: iemand die in staat is de waarden van mensen te peilen en hen aan te spreken op datgene waarvan ze menen dat het hun identiteit uitmaakt. Je uitspraak dat ‘de meeste mensen socialist zijn, maar dat nog niet beseffen’, is daarop gebaseerd. Jij was er van overtuigd dat de meerderheid van de bevolking empathisch ingesteld is. Voor jou was socialisme de programmatorische vertaling van menselijke empathie. Weten hoe het voelt om als gezin met kleine kinderen zonder elektriciteit te worden gezet. Het daarom evident vinden dat we solidair die gezinnen een pakket gratis energie geven. Dat met volle goesting doen. Meer is het niet. Maar ook niet minder.

Er zijn politicologen die in de krant beweerd hebben dat jouw gratis-verhaal nooit onderbouwd werd. Je zou daarin het bewijs hebben gezien dat politicologen onwetend zijn. Het essay ‘Socialisme is gratis’ werd uitgegeven door Houtekiet en bevindt zich ongetwijfeld in een bibliotheek. Het is tien jaar oud en ik heb het afgelopen week herlezen. Je was er opnieuw visionair in. De geefpleinen, de gratis soepbedeling als actiemiddel, de problematiek van de ‘commons’ en de deeleconomie,… het staat er allemaal in aangekondigd. Het gratis-verhaal was zowat het sterkste verhaal dat de sociaaldemocratie kon én kan vertellen. Op 8 april, een week na je wanhoopsdaad, maakte Anne Hidalgo, de burgemeester van Parijs, bekend dat ze gratis openbaar vervoer wil. Nu beseft men dat het iets kan betekenen in de strijd tegen luchtvervuiling. Dat zou jij nooit gezegd hebben: te high brow. Jij zei dat trams en bussen beter mensen dan lucht vervoeren.

Je was wel vaker visionair. Toen we tien jaar geleden naar Cuba trokken en er met Fidel door de straten van Havana scheurden, werd je weggehoond als een vriendje van de dictatuur. Vandaag schudt Obama de hand van die andere Castro en vraagt hij het Congres om Cuba van de lijst van ‘terrorisme steunende staten’ te halen. Jij wist tien jaar geleden al dat het belachelijk was om een dwergstaat als Cuba tot the Axis of Evil te rekenen en dat het land op weg was om de twintigste eeuw te verlaten. Herinner je je het moment dat Fidel over het bordes wandelde? Ik dacht dat ik droomde. Het was alsof ik de twintigste eeuw zag materialiseren. De nog levende verpersoonlijking van de Koude Oorlog, van een belangrijke periode in mijn leven. Een man die Kennedy had gekend, die de ondergang van de Sovjet-Unie had meegemaakt en zijn land daar zwaar voor zag betalen, die vervloekt en geprezen werd. Jij hield geen blad voor de mond en dat werd geapprecieerd. Toen ze je vroegen om minister te worden in de Cubaanse regering was je gevleid, maar heb je dat wijselijk afgewezen. (Dit is een bot dat ik de hyena’s toewerp, Steve. Eens kijken of ze bijten.) Je bent gouverneur van Limburg geworden. Je had altijd gevoel voor humor. Je zag de Limburgers ook graag.

Ik denk dat ze verwachten dat ik al je politieke verdiensten opsom. Ik ga dat niet doen. Ik zou zelfs niet weten wat je precies allemaal verwezenlijkt hebt. Van zodra ik lijstjes begin te maken, heb ik meteen de indruk dat ik belangrijke dingen vergeet. Ik kan wel wat uitkramen zoals, pakweg, de afschaffing van het ‘kijk- en luistergeld’, maar dat zijn onbeduidende symbooldossiers. Daarom zijn ze belangrijk. Mensen die daar hun boterham mee verdienen, zullen allicht de juiste analyses maken. Of wellicht niet. Ik ken je niet als een opsomming van verwezenlijkingen. Dat zou je onrecht aan doen. Ik ken je als een genereus man, l’esprit généreux. Een beetje zoals je eerste campagne: Zeg Steve, stem Stevaert. Daarmee was de toon gezegd. Je was een man die zich graag met de voornaam liet aanspreken. Ja, dat werd uiteindelijk een gimmick, maar het was wel authentiek.

Ik kende je zus niet Steve, maar ik heb samen met haar geweend. Met neven en nichten, met vrienden, met Marleen. Wij hebben jouw assen tussen ons in gehouden en elkaar geknuffeld en ze heeft me verteld hoe vreselijk graag ze je ziet. Ik heb Marc vastgepakt, die 16 jaar je chauffeur was en waarvan slechts een hoopje ellende overblijft. Ik sta met je op en ik ga met je slapen. Ach, het zal allicht slijten. Daarop heb je gerekend. This too shall pass.

Had je dat maar bedacht voor je sprong.

Jan de Zutter
Redactielid Samenleving en politiek
21 april 2015

in memoriam - Steve Stevaert

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 5 (mei), pagina 39 - 40 en 49-50