Log in

'Antwerpen, herwonnen stad? 1940-2012. Maatschappij, ruimtelijk plannen en beleid'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 78 tot 80

Antwerpen, herwonnen stad? 1940-2012. Maatschappij, ruimtelijk plannen en beleid

Jef Van den Broeck, Peter Vermeulen, Stijn Oosterlynck en Ympkje Albeda
Die Keure, Brugge , 2015

De lezer is meteen gewaarschuwd: dit is geen historisch werk, het heeft geen wetenschappelijke ambitie en is evenmin door geschiedkundigen geschreven. De auteurs van Antwerpen, herwonnen stad spelen al in de eerste alinea van de 400 bladzijden tellende turf open kaart. Het is een door getuigen en betrokkenen geschreven boek - de enen door hun leeftijd al wat langer getuigend en wat meer betrokken dan de anderen, al zijn ze nu ook weer niet zo oud dat ze de hele beschreven periode van meer dan zeventig jaar (1940-2012) zelf maatschappelijk bewust en actief hebben meegemaakt. Die aan theoretische onderbouwing gekoppelde terreinkennis wordt aangevuld met informatie, verzameld in een kleine veertig interviews met bevoorrechte getuigen (voornamelijk academici, politici en vertegenwoordigers van het middenveld en van overheidsdiensten). De selectie van die gesprekspartners verraadt ook welke kennis de auteurs zelf inbrengen. In hun rugzak zit veel theoretische en praktische bagage over ruimtelijke planning en stedenbouw, acties rond stadsvernieuwing, en de sociale en politieke aspecten van die stadsvernieuwing (met Stijn Oosterlynck en Ympkje Albeda, beiden verbonden aan OASeS van de Universiteit Antwerpen). Dat helpt natuurlijk, zeker als het hele boek wordt opgebouwd rond de trialoog tussen burgers, beleidsmakers en vaklui.

Het boek bevat zes delen. In een eerste hoofdstuk wordt het tijdperk vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog tot het einde van de vorige gemeentelijke bestuursperiode (2012) op basis van de eerder geschetste trialoog in vijf tijdspannen verdeeld. Een tweede hoofdstuk heeft het over ‘Plannen voor stad en regio: continuïteit in visie en discontinuïteit in beleid’. Volgen: ‘Antwerpen als woonstad tussen suburbanisatie en stadsvernieuwing’, ‘Keuze voor automobiliteit of publieke ruimte’ en ‘Economische ontwikkeling, onbegrensde (ruimtelijke) groei’. In het zesde hoofdstuk formuleren de auteurs lessen en uitdagingen voor ‘ruimtelijke ontwikkeling als maatschappelijk project’.

Voor de auteurs is 1993 en het werk van intendant (en latere schepen van Cultuur) Eric Antonis voor ‘Antwerpen Culturele Hoofdstad van Europa’ een katalysator voor de herwonnen stad. Het programma van de Culturele Hoofdstad bevatte inderdaad ook een stevig stedenbouwkundig en architecturaal hoofdstuk. De doorbraak van het Vlaams Belang (Zwarte Zondag, 24 november 1991) had toen al plaatsgevonden en de subsidies van Vlaanderen, België en de Europese Unie moesten nog naar de steden vloeien - want stedenbouw blijft in dit land het enige beleidsdomein zonder geld. En dus moet dat geld van elders komen. Zo leven we in een regio die al een tijd een verdienstelijk stedenbeleid voert, maar dat wel doet in een voorts anti-stedelijke beleidscontext.

Dat bij de benadering van de stedenbouwkundige geschiedenis van de stad vooral de jaren 1970 een voor de structuur en inhoud van het boek prominente plaats krijgen toebedeeld, is niet abnormaal. Het is een periode die Peter Vermeulen (Stramien, actievoerder, nu van Ringland) en Jef Van den Broeck (onder meer professor emeritus KUL en stichter van studiegroep Omgeving) actief hebben beleefd. ‘Een nieuwe generatie ruimtelijke planners staat op, met een nieuwe visie en een nieuw instrumentarium.’ Het is ook de tijd van de ontzuiling, het groeiende milieubesef en de roep om democratisering. Het modernisme wordt vanaf het einde van de jaren 1960 fundamenteel ter discussie gesteld. Aandacht voor erfgoed en participatie, een stad op mensenmaat en een actievere ruimtelijke planning zijn sleutelbegrippen. Nog voordat de oliecrisis uitbrak, is het Conscienceplein in de Antwerpse stadskern onder meer ten gevolge van ludiek kunstenaarsprotest autovrij gemaakt. In stad en brede rand rijzen actiegroepen als paddenstoelen uit de grond. Vaak viseren ze geplande mobiliteitsmaatregelen - niet alleen voor het autoverkeer maar ook voor de haven (Duwvaartkanaal) en de luchtvaart (vliegveld van Deurne).

Net in die periode wordt het concept van dynamische structuurplanning gekoppeld aan strategische projecten door ruimtelijke planners nader ontwikkeld. Dat moet ook leiden tot meer kwaliteit en capaciteit bij de voor ruimtelijke ordening bevoegde diensten. Na een intensieve wisselwerking tussen ruimtelijke planners en actiegroepen (soms moeilijk van mekaar te onderscheiden) aan de ene en het schepencollege aan de andere kant, krijgt de nieuw opgerichte vzw Stramien onder leiding van Peter Vermeulen en Paul Van de Poel van het stadsbestuur de opdracht een structuurplan te schrijven. De stad is sinds 1983 met zeven randgemeenten gefuseerd - en daarop overigens slecht voorbereid. Het structuurplan krijgt uiteindelijk de titel ‘Antwerpen, herwonnen stad’. Dat is meteen ook de titel van het boek dat meer dan een kwarteeuw later is verschenen. Nu met een vraagteken. Dit eerste Antwerpse structuurplan wordt wel al in 1990 goedgekeurd, maar belandt in de volgende bestuursperiode onder een dikke laag stof. Het is wachten tot 2006, wanneer een nieuw ‘Strategisch Ruimtelijk Structuurplan Antwerpen’ van kracht gaat.

Als dit boek één zaak duidelijk maakt, dan wel dat ruimtelijke planning broodnodig is. Maar doordachte ruimtelijke planning maakt slechts een kans als de wisselwerking met het vergunningenbeleid behoorlijk functioneert, er politiek draagvlak voor bestaat en er een breed maatschappelijk debat tussen politici, experts en maatschappelijk middenveld kan plaatsvinden. Die wisselwerking zal in de toekomst alleen maar belangrijker worden. Net zoals samenwerking tussen stad en regio. ‘Het uitwerken van een visie en een strategisch actieplan - met budgets - voor de stadsregio, is voor de auteurs een topprioriteit.’

Misschien besteedt het boek iets te weinig aandacht aan de ruimtelijke realiteit in delen van de stad waar geen actie wordt gevoerd of geen grotere planningsprocessen op gang worden gebracht. En dan gaat het uiteraard om de weliswaar vermelde bouw van bioscoopzalen of Wijnegem Shopping Center aan de rand van de stad. Er is vooral minder aandacht voor de ontwikkeling in de districten buiten de kern. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de in het boek onvoldoende scherp afgelijnde definitie van het begrip stad en stadsregio. Het gaat in essentie om de oude stad Antwerpen van voor de fusie van 1983. Maar tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en, zeg maar, de jaren 1980 hebben zich in toenmalige randgemeenten zoals Merksem en Deurne vrijwel ongecontroleerde vormen van suburbanisatie voorgedaan. En dan hebben we het niet eens over latere ontwikkelingen verder weg van de stad, met het naburige Brecht jarenlang als snelst groeiende gemeente. Tel de files daar! Deurne gaat er prat op zo groot als Kortrijk te zijn, maar ga er maar eens op zoek naar het stadscentrum. Oeps, vergeten!

Los daarvan is Antwerpen, herwonnen stad? een uitermate informatief, breedvoerig en mooi geïllustreerd boek met tijdgekleurde en hedendaagse illustraties. Wie wil weten hoe Antwerpen - en bij uitbreiding ongetwijfeld ook andere steden, zou een chauvinistische Antwerpenaar durven te zeggen - zich de voorbije driekwarteeuw ten goede en ten kwade heeft ontwikkeld, moet er zich aanzetten. Het is zeker geen salontafelboek maar door de intelligente indeling hoeft de lezer niet onmiddellijk alle hoofdstukken (chronologisch) te lezen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 78 tot 80