Abonneer Log in

De weg naar Addis Abbeba

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 22 tot 24 en pagina 33 tot 38

2015 kondigt zich aan als een cruciaal jaar voor duurzame ontwikkeling. In 2015 komt een einde aan de Millenniumdoelstellingen die de afgelopen 15 jaar de wereldwijde strijd tegen armoede hebben bepaald. 2015 wordt dan ook gekruid door drie bijzonder belangrijke toppen. In september dit jaar valt de beslissing over de opvolgers van de Millenniumdoelstellingen, de zogenaamde Sustainable Development Goals (SDG’s). In december moet op de klimaattop in Parijs een opvolger van het Kyotoprotocol overeengekomen worden. Dat protocol moet vanaf 2020 bindende doelstellingen vastleggen voor de reductie van broeikasgassen. Maar vooraf vindt in het Ethiopische Addis Abeba in juli de top rond ontwikkelingsfinanciering plaats - onderwerp van dit artikel.

In deze bijdrage focussen we specifiek op dat moment waar een nieuw kader rond de duurzame financiering van de toekomstige ontwikkelingsdoelen moet worden vastgelegd. Voor België zal vicepremier Alexander De Croo, tevens verantwoordelijk voor ontwikkelingssamenwerking, deelnemen. Succes in Addis Abeba houdt ook de kansen gaaf voor succes in New York in september en Parijs in december. In deze bijdrage schetsen we de uitdagingen die de wereldgemeenschap te wachten staat en geven we een stand van zaken van de onderhandelingen met bijzondere aandacht voor de positie van de Europese Unie (EU) en België. Tot slot willen we Europese en Belgische beleidsmakers een aantal duidelijke prioriteiten meegeven.1

DE VRAAG VAN 2.500 MILJARD

Zonder adequate, transparante en voorspelbare financiering zal het moeilijk zijn momentum te genereren voor de zeer ambitieuze SDG’s. Om die SDG’s waar te maken zou jaarlijks tussen 5.000 en 7.000 miljard dollar tot 2030 nodig zijn. Dat blijkt uit schattingen van het expertencomité rond financiering voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (VN).2 De conferentie voor handel en ontwikkeling van de VN (UNCTAD) schat dat tussen 3.300 en 4.500 miljard dollar daarvan nodig is in ontwikkelingslanden. Rekening houdend met de huidige niveaus van publieke en private investeringen in ontwikkelingslanden, betekent dat een tekort van 2.500 miljard dollar per jaar om de voorgestelde ontwikkelingsdoelen te behalen voor 2030.3

In aanloop naar de top kijken heel wat waarnemers in eerste instantie naar investeringen uit de private sector om die kloof te dichten. Hoewel private investeringen een rol moeten spelen, blijven die investeringen al te vaak beperkt tot een aantal vooral lucratieve sectoren en landen met voldoende absorptiekwaliteit. Het is dan ook noodzakelijk te focussen op een betere inning van belasting in ontwikkelingslanden, gecombineerd met het stopzetten van schadelijke belastingvrijstellingen en een grondige aanpak van belastingontwijking en belastingparadijzen. Deze aanpak kan meer dan 1.500 miljard dollar per jaar opbrengen. Gecombineerd met een stevig engagement op vlak van zowel de kwantiteit als kwaliteit van hulp en een aantal innovatieve ingrepen zoals een financiële transactietaks, koolstoftaks en bijkomende ‘bijzondere trekkingsrechten’ van het IMF kan de investeringskloof voor bijna 90% dichtgereden worden.4

De voorbereidende teksten van de politieke verklaring en de concrete actieagenda vallen grosso modo uit elkaar in zes delen: binnenlandse publieke financiering (voornamelijk afkomstig uit belastingen), internationale publieke financiering, private financiering, duurzaam beheer van schulden, internationale handel en ‘systemische kwesties’ zoals de structuur van het financiële en monetaire systeem.

DE RELATIVITEIT VAN DE HULP?

In het kader van de onderhandelingen in aanloop naar de top valt de EU op door een voortdurende relativering van het belang van hulp binnen de totale geldstromen naar ontwikkelingslanden, of ‘official development assistance’ (ODA) in het jargon. Kijken we puur naar de cijfers, hebben ze gelijk. In 1970 bedroeg het aandeel van ODA in de financiële stromen naar ontwikkelingslanden nog 70%. Vandaag is dat teruggezakt tot 13%. Meer dan dat de ontwikkelingshulp is gedaald, betekent dit dat andere stromen, zoals investeringen, stortingen van migranten en commerciële kredieten zijn toegenomen. Kijken we echter naar de kwaliteit van die stroom, krijgen we een heel ander beeld.
Hulp is veel minder volatiel dan andere financiële stromen zoals buitenlandse investeringen en financiële beleggingen in ontwikkelingslanden. Die kunnen zeer sterk schommelen in functie van de economische conjunctuur. Dat bleek zeer duidelijk in de nasleep van de financiële crisis toen die stromen naar ontwikkelingslanden grotendeels opdroogden.

Hulp is dan ook de enige voorspelbare en anticyclische stroom van publieke financiële middelen. Vooral in de armste landen, waar die overige financiële stromen vooralsnog beperkt blijven, blijft hulp van onschatbare waarde. Om duurzame ontwikkeling mogelijk te maken blijft hulp een onvervangbaar onderdeel in een steeds meer divers financieringslandschap.

Het is dan ook pijnlijk om vast te stellen dat een historisch engagement dat ook in wetteksten is verankerd - het engagement om minimaal 0,7% van het bnp als officiële ontwikkelingshulp te reserveren - zo sterk onder druk staat in de EU. Tegelijkertijd merken we dat de OESO-landen sterke engagementen vragen van de opkomende landen. In haar officiële positie, aangenomen op een ministerraad in mei dit jaar, herbevestigt de EU het aloude ‘0,7-engagement’ op voorwaarde dat ook groeilanden eenzelfde engagement aangaan. De EU is er als de kippen bij om te wijzen dat de kloof tussen ‘Noord’ en ‘Zuid’ voorbij- gestreefd is, maar als we naar de verantwoordelijkheid kijken, blijft die kloof zeer groot. Het afschuiven van de eigen verantwoordelijkheid vergroot bovendien de kans dat legitieme vragen aan groeilanden om de interne keuken op orde te stellen op een koude steen zullen vallen.

MEER BELASTINGINKOMSTEN?

Binnenlandse publieke financiering is de meest duurzame en voorspelbare manier voor ontwikkelingslanden om de eigen ontwikkeling te financieren. In ontwikkelingslanden schommelt de verhouding tussen de fiscale inkomsten en het BNP tussen 15 en 20%. In OESO-landen is dat gemiddeld 34%. Dat betekent dat er nog heel wat ruimte is voor ontwikkelingslanden om potentiële inkomsten aan te boren. Het gevaar daarbij is dat die verantwoordelijkheid bijna exclusief op ontwikkelingslanden zelf wordt afgewenteld. Onder andere de Europese Unie lijkt hier op aan te sturen. Dat kan er toe leiden dat de druk op de vaak straatarme bevolking nog toeneemt.

Voor de ontwikkelingslanden en ngo’s moet het dan ook gaan over barrières die de mobilisering van binnenlandse middelen belemmeren. Die situeren zich immers voornamelijk op het internationale niveau. Ontwikkelingslanden zijn vaker slachtoffer van de gaten in het fiscale systeem die maken dat multinationals hun belastbare winsten verschuiven naar landen waar de tarieven zeer laag liggen. Ook de zogenaamde ‘spillover-effecten’ - de impact van fiscale beslissingen in één land op een ander land - spelen sterker in ontwikkelingslanden.5 De omvang en impact van die internationale barrières werden recent pijnlijk duidelijk door de journalistieke onthullingen in de Luxleaks en Swissleaks affaires.6 Op basis van gegevenslekken werd duidelijk op welke manieren multinationals hun belastingfacturen optimaliseren.

Enkel via internationale samenwerking kunnen die barrières aangepakt worden. Die samenwerking krijgt sinds de historische top van de G20 in Londen in april 2009 vooral vorm binnen de G20 en de OESO. Voor de Europese Unie en andere rijke landen is dat voldoende, maar er dreigt een enorm legitimiteitsprobleem. Het is niet normaal dat spelregels die een globaal bereik hebben, worden bepaald door een select clubje van OESO-leden (34 voornamelijk westerse landen en een handvol groeilanden). Dergelijk systeem is ondemocratisch en weinig efficiënt omdat het risico te groot is dat heel wat ontwikkelingslanden zullen afhaken. Het is veel makkelijker om je niets van de nieuwe spelregels aan te trekken als je niet mee rond tafel zat toen de beslissing viel. Daarom zijn zowel ontwikkelingslanden als ngo’s vragende partij om het bestaande VN-expertencomité m.b.t. samenwerking in fiscale aangelegenheden op te waarderen tot een volwaardig intergouvernementeel orgaan. De Verenigde Naties is de enige internationale instelling waar alle landen op gelijke voet kunnen deelnemen. Dat betekent niet dat de OESO van het fiscale toneel moet verdwijnen. Ze moet doen waarvoor ze is bedoeld en waar ze goed in is: beleidsadvies op maat op basis van gedegen onderzoek.

PRIVATE SECTOR: VRIJGELEIDE OF LEIBAND?

De Monterrey-consensus die vorm kreeg in de eerste top rond ontwikkelingsfinanciering in 2002 benadrukte dat privaat kapitaal een belangrijke bijdrage kan leveren tot de verbetering van de productiviteit, technologietransfers en jobcreatie in ontwikkelingslanden. In de aanloop naar Addis Abeba wordt steeds nadrukkelijker gewezen naar de private sector. Over het feit dat het bedrijfsleven een rol kan spelen, bestaat eigenlijk weinig discussie. De vraag is op welke manier dat moet gebeuren.

In een context waarin publieke budgetten sterk onder druk staan, wijzen Europese onderhandelaars op de rol van publieke middelen als glijmiddel voor private investeringen: ‘blended’ of ‘leveraged finance’ in het jargon. Daarbij is een grote rol weggelegd voor (semi-) publieke ontwikkelingsbanken zoals de Europese Investeringsbank of het Belgische BIO-Invest. Die aanpak is niet zonder risico’s maar krijgt weinig aandacht in Europese gremia. Niet zelden blijken publiek-private samenwerkingen duurder uit te vallen voor de belastingbetaler en is er - zeker in landen met problematische regelgeving - een gebrek aan mechanismen om publieke en private belangen te verzoenen en zowel risico’s als baten op een billijke manier te verdelen. Tot slot bestaat ook het risico dat overheden private investeringen gaan subsidiëren terwijl dat eigenlijk niet nodig is. In een kritisch rapport stelde het Europese Rekenhof vast dat ‘de nood voor subsidie voor slechts de helft van de onderzochte projecten werd aangetoond’ in de periode 2007-2013.7

De groep van ontwikkelingslanden binnen de G77 waarschuwen voor die risico’s en willen dat de discussie in Addis Abeba vooral gaat over de regels waar bedrijven zich aan moeten houden als ze samenwerken met overheden. Ontwikkelingslanden eisen dan ook dat bedrijven in hoge mate verantwoording afleggen aan overheden over de geboekte vooruitgang op vlak van duurzame ontwikkeling. Ook voor ngo’s, zowel in Noord als Zuid, moet Addis Abeba de aanzet geven tot een omvattend, transparant en regelgevend kader, zodat private investeringen duurzame ontwikkeling en ondernemerschap kunnen stimuleren. Eerder dan over het inzetten van publieke middelen om private investeringen te ‘smeren’ moet de discussie gaan over de spelregels die maken dat economische winst samengaat met maatschappelijke winst.

DUURZAME ONTWIKKELING, DUURZAME SCHULDEN

Hoewel de schulden van overheden in ontwikkelingslanden vandaag historisch laag zijn8, betekent dat niet dat het probleem van de baan is. Schulden zijn niet noodzakelijk verminderd, ze hebben zich vooral verplaatst. Bovendien zijn ook de risico’s complexer en dus moeilijker in te schatten. Zo begeven recent ook landen als Rwanda, Zambia, Senegal, Ghana en Gabon zich op de internationale kapitaalmarkten met de uitgifte van obligaties. Dat maakt financiering op termijn duurder en meer risicovol gezien het nog de vraag is of en voor welk bedrag die landen erin zullen slagen die leningen te herfinancieren. Het rendement op Afrikaanse obligaties is immers zeer volatiel. Het rendement op Ghanese obligaties uitgegeven in 2007 bedroeg 8% in 2008, steeg tot meer dan 20% in 2009 om terug te vallen op amper 5% in 2012.

De laatste decennia heeft de internationale gemeenschap, veelal op initiatief van schuldeisers, verschillende initiatieven genomen om de schuldenlast van de armste landen te verlichten (Highly Indepted Poor Countries Iniative, Multilateral Debt Relief Initiative). Een historische analyse van die mechanismen legt een aantal fundamentele problemen bloot. Zo worden mechanismen voor schuldherschikking vooral gedomineerd door schuldeisers, gaan ze voorbij aan de verantwoordelijkheid van schuldeisers en geven financiële overwegingen de doorslag niet zelden ten koste van mensenrechten.

Een andere belangrijke weke plek in het systeem is de mogelijkheid dat een minderheid van speculatieve ‘holdout creditors’ - zgn. ‘aasgierfondsen’ - schuldherschikkingen bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Dergelijke aasgierfondsen kopen schuldpapier op van kwetsbare landen die onder zware schuldenlast gebukt gaan en op de rand van een bankroet staan. Vervolgens trachten ze langs juridische weg de volledige nominale waarde (vermeerderd met achterstallige interesten en eventuele boetes) van die obligaties terug te krijgen. Omdat aasgierfondsen vooral toeslaan wanneer het land weer aan de beterhand is, leggen ze een zware hypotheek op de toekomstige ontwikkeling in het land. In het recente geval van Argentinië kwamen ook de afspraken met het merendeel van de schuldeisers op de helling te staan.

Een multilateraal raamwerk waarbinnen publieke schulden kunnen worden herschikt en de gemaakte afspraken ook een juridisch bindend karakter hebben, is het antwoord op die uitdagingen en een basisvoorwaarde voor een duurzaam schuldbeleid. Leidende principes daarbij zijn de mensenrechten, de gedeelde verantwoordelijkheid van schuldenaars en schuldeisers en de betrokkenheid van alle partijen. Die aanpak moet in de plaats komen van de halfslachtige aanpak zoals voorgesteld door het IMF.9 Daarin gelden zogenaamde ‘collective action clauses’ of CAC’s, die moeten voorkomen dat een minderheid van schuldeisers een herschikking kan dwarsbomen, als leidraad. Ondertussen is het positief dat een aantal landen, waaronder ook België, unilaterale actie ondernemen.10 In de federale kamer ligt een wetsvoorstel op tafel ondertekend door alle democratische fracties dat een juridisch kader vastlegt waardoor aasgierfondsen enkel de prijs die ze zelf hebben betaald voor de schulden kunnen terugvorderen.11 Met dit initiatief positioneert België zich in internationaal perspectief als een pionier in de strijd tegen aasgierfondsen.

IT’S THE INSTITUTIONS, STUPID!

Addis Abeba mag niet alleen een ‘fundraising event’ worden, maar moet ook werk maken van een meer democratisch monetair en financieel systeem. Dat zal niet onmiddellijk meer geld in het laatje brengen, maar verzekert wel dat de belangen van alle betrokkenen in het ‘mondiaal partnerschap’ waar de Europese Unie (EU) de mond van vol heeft mee in rekening worden genomen. Of zoals een onderhandelaar van de groep van ontwikkelingslanden zich liet ontvallen: ‘if you are not around the table, you are on the menu’.

Historisch spelen de Verenigde Naties (VN) slechts de tweede viool wanneer het aankomt op financiële en economische kwesties. Het zwaartepunt ligt bij de internationale financiële instellingen, zoals de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Sinds 1999 hebben de G20, een forum met de 20 grootste economieën ter wereld, de coördinerende rol overgenomen die in principe de Economische en Sociale Raad (Ecosoc) van de VN toekomt. Andere voorbeelden zijn de Financial Stability Board (FSB). Die speelt een sleutelrol in het bepalen van de nieuwe spelregels in de financiële sector, maar blijft beperkt tot de leden van de G20. Hetzelfde geldt voor instellingen als het Basel-comité voor banktoezicht, de Bank voor Internationale Betalingen. Kleinere en economisch minder sterke landen - veelal ontwikkelingslanden - hebben daardoor slechts beperkte toegang tot de internationale economische besluitvorming, hetgeen ze wel kunnen binnen de VN.

De discussies in het kader van Financing for Development - in Monterrey (2002)12 en Doha (2008)13 - hebben de VN toegelaten die rol in de economische sfeer te spelen. Vooral in de zogenaamde ‘Bretton Woods-instellingen’ (Wereldbank, IMF) stelt het gebrek aan ‘global governance’ zich het scherpst. Monterrey en Doha zetten de institutionele kwesties op de agenda. Concreet betekent dat bijvoorbeeld een hervorming van de stemverhoudingen binnen het IMF waar naast een meerderheid van aandeelhouders ook een meerderheid van het aantal lidstaten nodig zou worden. Die hervorming bleef grotendeels dode letter. In de opbouw naar de zogenaamde ‘crisistop’14 in 2009 trachtte de Algemene Vergadering van de VN meer vat te krijgen op het financiële systeem met het zogenaamde ‘Stiglitz-rapport’.15 Die poging werd grotendeels ondermijnd door de rijke landen en kon de fundamentele dominantie van de G20 en de internationale financiële instellingen in die arena niet temperen.

GEEN STRATEGISCHE SPELLETJES

Hoewel de verwachtingen hoog gespannen zijn, klinken in de wandelgangen geruchten dat ook de resultaten van Addis al bij al beperkt zullen blijven. Er wordt zelfs gefluisterd over een partieel akkoord waarover in 2016 opnieuw gepraat zou moeten worden. Wat er ook van zij, feit is wel dat de tegenstellingen tussen verschillende onderhandelingsblokken groot zijn. Achter die tegenstellingen zitten ook strategische overwegingen: Europa en andere rijke landen willen voorkomen dat vooral opkomende mogendheden als Brazilië, India en China langs de kassa passeren om later in New York en Parijs verstek te geven. Op hun beurt willen ontwikkelingslanden Addis Abeba gebruiken om de druk op rijke landen op te voeren om hun engagementen, bijvoorbeeld op vlak van hulp en klimaatfinanciering, waar te maken. Daarbij benadrukken ze het principe van de ‘gedeelde, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid’ dat zegt dat elk lid van de internationale gemeenschap verantwoordelijkheid draagt, maar dat niet van iedereen dezelfde inspanningen kunnen en mogen worden verwacht.

Inhoudelijk zijn de discussies rond de financiering en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling zeer sterk verbonden en moet sterke onderlinge coherentie gegarandeerd worden. Daarnaast zal natuurlijk ook het kostenplaatje van de SDG’s op de agenda staan. Dat is niet gering overigens. Een expertenpanel van de VN schat de kost op een globaal minimaal sociaal vangnet op 66 miljard dollar per jaar terwijl jaarlijks bijna 7.000 miljard dollar investeringen in basisinfrastructuur nodig zal zijn. Maar toch moeten we vermijden de discussie in Addis Abeba enkel als een opwarmingssessie voor de cruciale top rond de SDG’s in september te zien. Door alles op één hoop te gooien, riskeer je het enige platform te verliezen waar alle landen op gelijke voet over de financiële en economische spelregels kunnen discussiëren. Dat is net de reden waarom de ontwikkelingslanden er voor hebben gekozen deze top voor de cruciale septemberbesprekingen te houden.

Samen met onze partners in Afrika, Azië en Latijns-Amerika vragen we de verantwoordelijke onderhandelaars komaf te maken met dergelijke strategische spelletjes. In een wereld waar problemen niet stoppen aan de grenzen en een aanpak dus per definitie grenzen moet overschrijden, vormt Addis Abeba een uitgelezen kans om dat multilateralisme waar te maken. Hoewel Addis Abeba geen juridisch bindende regels zal opleveren, kan het bepalend zijn voor een economisch en financieel systeem dat democratischer, inclusiever en participatiever is dan het systeem dat haar beperkingen duidelijk heeft getoond tijdens de voorbij crisis.

QUID BELGIË?

Tijdens de voorbereidende onderhandelingsrondes in New York zette vicepremier en minister voor ontwikkelingssamenwerking Alexander De Croo de Belgische prioriteiten op een rijtje: de betrokkenheid van alle spelers op alle mogelijke bestuursniveaus, digitalisering, de nood aan efficiënte belastinginning en de strijd tegen ‘illicit financial flows’ en goed beheer van natuurlijke rijkdommen, effectievere ontwikkelingshulp en grotere aandacht voor de minst ontwikkelde landen in ontwikkelingssamenwerking.16 De concrete invulling van die prioriteiten blijft voorlopig vaag. Daaraan moet ook na de top gewerkt worden. Dat gebeurt best in samenspraak met alle betrokkenen. Ook het parlement moet een actieve rol spelen, zowel bij de standpuntbepaling als bij de opvolging van de concrete implementatie in de komende jaren.

België is een klein land en moet onderhandelen binnen de kaders van de EU. Dat betekent echter niet dat ons land geen rol kan spelen en erop aandringen dat Europa het gesprek aangaat met ontwikkelingslanden. Vandaag zien we die bereidheid veel te weinig terwijl de Europese Commissie en de lidstaten wel de mond vol hebben van gedeelde verantwoordelijkheid. De discussies rond een multilateraal mechanisme voor schuldherschikkingen of een fiscaal forum binnen de Verenigde Naties zijn goede voorbeelden. Daar zien we dat Europa elk gesprek weigert. We zouden België dan ook graag een meer actieve rol zien opnemen als ‘broker’. Met een uniek wetsvoorstel dat de vleugels knipt van aasgierfondsen heeft ons land getoond dat het maatregelen durft te nemen. Trek die lijn door en breng mensen rond de tafel.

Gedeelde verantwoordelijkheid betekent ook dat we in eigen land aan de status quo durven raken en het huis op orde moeten zetten. Vooraleer te praten over aanvullingen op de officiële hulp of de herdefiniëring ervan, zullen we verantwoording moeten afleggen waarom die 0,7% nog steeds niet is bereikt, ook bij ons niet. Dat engagement staat nog steeds in regeerakkoord en moet eindelijk gekoppeld worden aan een bindend en geloofwaardig groeipad. Het eigen huis op orde zetten betekent ook een geloofwaardige tax shift die werk maakt van de strijd tegen belastingontduiking en -ontwijking en een grotere bijdrage vraagt van vermogens, een proactieve houding in de discussies over de implementatie van de FTT binnen de Europese versterkte samenwerking en een uitweg uit de impasse rond de verdeling van de klimaatverplichtingen over de gemeenschappen en gewesten.

Net als iedereen, moet ook België buiten haar comfortzone treden. Enkel dan kan er iets uit Addis Abeba rollen waarop we de komende jaren kunnen verder bouwen en neemt de kans toe dat ook de komende tops in New York en Parijs meer worden dan een mooi moment voor de foto.

Noten

  1. Lees ook de briefing paper ‘Financing for Development. Eerste mijlpaal in een cruciaal jaar voor duurzame ontwikkeling’ (maart 2015) via http://www.11.be/en/component/docman/doc\_download/1677-financing-for-development-position-paper. Deze bijdrage is deels gebaseerd op een bijdrage voor Wereldbeeld,tijdschrift van de Vereniging voor de Verenigde Naties, verschenen in juni 2015.
  2. Report of the Intergovernmental Committee of Experts on Sustainable Development Financing, August 2014, http://www.un.org/ga/search/view\_doc.asp?symbol=A/69/315&Lang=E.
  3. UNCTAD (2014), World Investment Report 2014: Investing in the SDG’s, an action plan, http://unctad.org/en/PublicationsLibrary/wir2014\_en.pdf.
  4. ActionAid (2014), The elephant in the room. How to finance our future?, http://www.actionaid.org/sites/files/actionaid/the\_elephant\_in\_the\_room\_-\_how\_to\_finance\_our\_future.pdf.
  5. IMF (2014), ‘Spillovers in international corporate taxation’, IMF Policy Paper, http://www.imf.org/external/np/pp/eng/2014/050914.pdf.
  6. Van de Poel, J. (2015), ‘Wat na Luxleaks?’, Samenleving en politiek, 22 (1), pp. 36-45.
  7. European Court of Auditors (2014), ‘The effectiveness of blending regional investment facility grants with financial institution loans to support EU external policies’, Special Report Nr. 16, http://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/SR14\_16/SR14\_16\_EN.pdf.
  8. World Bank (2014), International Debt Statistics, https://openknowledge.worldbank.org/bitstream/handle/10986/17048/9781464800511.pdf.
  9. IMF (2014), ‘Strengthening the contractual framework to address collective action problems in sovereign debt restructuring’, IMF Staff Report, http://www.imf.org/external/np/pp/eng/2014/090214.pdf.
  10. ‘België knipt vleugels van aasgierfondsen’, in: De Standaard, 7 mei 2015, http://www.standaard.be/cnt/dmf20150506\_01667763; ‘Belgisch initiatief tegen aasgierfondsen voorbeeld voor Europa and rest van de wereld’, 11.11.11, http://www.11.be/artikels/item/belgisch-initiatief-tegen-aasgierfondsen-voorbeeld-voor-europa-en-rest-van-de-wereld.
  11. http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/54/1057/54K1057001.pdf.
  12. Monterrey Consensus on Financing for Development, 18-22 March 2002, http://www.un.org/esa/ffd/monterrey/MonterreyConsensus.pdf.
  13. Doha Declaration on Financing for Development, 29 November - 2 December 2008, http://www.un.org/esa/ffd/doha/documents/Doha\_Declaration\_FFD.pdf.
  14. Outcome of the Conference on the World Financial and Economic Crisis and its Impacts on Development, 2 July 2009, http://www.un.org/ga/search/view\_doc.asp?symbol=A/RES/63/303&Lang=E.
  15. Report of the Commission of Experts of the President of the United Nations General Assembly on Reforms of the International Monetary and Financial System, 21 September 2009, http://www.un.org/ga/econcrisissummit/docs/FinalReport\_CoE.pdf.
  16. http://www.alexanderdecroo.be/intervention-financing-for-development-drafting-session-for-the-addis-ababa-outcome-document-new-york-13-april-2015/.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 22 tot 24 en pagina 33 tot 38