Log in

'Een jaar in de wereld van de ongelijkheid'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 74 tot 77

Een jaar in de wereld van de ongelijkheid

Geert Schuermans
uitgeverij epo, Antwerpen, 2015

Met dank aan Piketty en andere Wilkinsons staat de toenemende sociale ongelijkheid vandaag in de schijnwerpers van het maatschappelijk debat. De polemiek over een taxshift bewijst dat ten overvloede. Het boek van Schuermans komt dan ook just in time.

Geert Schuermans kreeg als stafmedewerker communicatie van Samenlevingsopbouw de opdracht om zich een jaar lang in de wereld van de ongelijkheid onder te dompelen. Hij worstelde zich door een stapel literatuur en nam interviews af met buitenlande en binnenlandse experten, politici en praktijkmensen. Het leverde een meer dan lezenswaardige introductie op dit thema op, met een unieke vertaalslag naar de situatie hier te lande. Het boek focust in eerste instantie op het maatschappelijk debat over ongelijkheid om daarna in te zoomen op herverdelingsmechanismen: eerst de ‘koude solidariteit’ van de sociale zekerheid en vervolgens ‘de warme solidariteit’ van de vele initiatieven van onderuit. Het boek sluit af met een rist interviews met kopstukken van de politieke partijen.

In het eerste deel over ongelijkheid passeren de vele - vaak tegenstrijdige - theorieën en visies de revue. Zowel van diegenen die ongelijkheid niet verwerpelijk achten als van diegenen die een meer egalitaire samenleving bepleiten. Tot de voorstanders van ongelijkheid behoren libertaire denkers als de Amerikaanse schrijfster/filosofe Ayn Rand die in haar roman Atlas Shrugged (1957) een regelrecht pleidooi houdt voor een laissez-faire kapitalisme. Dat de toenmalige VOKA-top dit boek cadeau deed aan Bart De Wever toen hij in aanloop van Di Rupo I werd aangesteld als formateur, vermeldt Schuermans als een veelzeggende anekdote. Vooral de trickle-down economics staat model voor een ideologische stroming die het opneemt voor ongelijkheid. De redenering gaat als volgt: de overheid moet de rijken zoveel mogelijk ongemoeid laten en zo weinig mogelijk belasten. Want rijke mensen brengen de samenleving heel veel bij, op voorwaarde dat we ze daarvoor voldoende belonen. Op lange termijn sijpelt hun rijkdom namelijk door naar de armen omdat ze jobs creëren en de economie aanzwengelen.

Deze visie wordt aangevochten door een schare van economisten en wetenschappers die aantonen dat ongelijkheid niet alleen nefast is vanuit ethisch perspectief, maar bovendien ook economisch niet rendeert en politiek onhoudbaar is. We zitten dan in het (goed) gezelschap van Paul Krugman, Joseph Stiglitz, James Galbraith, Thomas Piketty, Richard Wilkinson en Kate Pickett, maar ook van Paul De grauwe, Ive Marx, Jozef Pacolet en andere Ides Nicaises. Deze denkers leveren de grondstof voor Schuermans’ betoog dat de ongelijkheid toeneemt (alhoewel minder erg bij ons) en dat dé zaligmakende oplossing niet voorhanden is. Een vermogens(winst)belasting behoort tot de mogelijke remedies, maar veel zal afhangen van ‘de beproefde recepten’ zoals James Galbraith aangeeft. Naast een rechtvaardige fiscaliteit zijn dat: onderwijs, hoge minimumlonen, gezondheidszorg en sociale zekerheid. Dit verklaart meteen waarom de ongelijkheid bij ons minder sterk toeslaat: onze sterke traditie van herverdelend beleid en van collectief loonoverleg zit - of moeten we stilaan zeggen zat - daar voor veel tussen. Sterke vakbonden zijn veel performanter om ongelijkheid te bestrijden dan het voorstel van Piketty, beweert Galbraith.

Dit brengt ons naadloos bij het tweede deel van het boek dat de indirecte ‘koude’ solidariteit van de sociale zekerheid onder de loep neemt. Schuermans concentreert zich op de herverdelende werking van deze kathedraal van de werknemersbeweging, en laat de fiscaliteit links liggen. Marcel Van Dam, de éminence grise van de Nederlandse sociaaldemocratie, noemde de sociale zekerheid ooit de mooiste uitvinding van de 20ste eeuw. In het boek komt haar geschiedenis kort aan bod; van de lokale initiatieven tot en met het Sociaal Pact. Ook de financiering - via bijdragen op arbeid maar met een groeiend aandeel overheidstoelagen en alternatieve financiering - en de uitgavenstructuur passeren de revue. Schuermans belicht tevens de onvolkomenheden van het systeem. Die worden het best samengevat in de stelling van Bea Cantillon dat ‘de onderkant wegschuift’. Hoe performant het systeem ook is; we zijn er niet in geslaagd om de armoede uit de wereld te helpen. Daar zit het beruchte Mattheuseffect voor iets tussen: de sociale voordelen komen het meest terecht bij wie het al iets beter heeft. Volgens Schuermans is er ook sprake van onderbescherming: mensen die recht hebben op sociale voorzieningen maar er om één of andere reden niet van genieten. Hierbij gaat het heus niet alleen over het niet opvragen van voordelen, de zogenaamde non- take- up, maar ook over het ontoereikend karakter van de hulpverlening zelf. Cantillon zoekt de oorzaken van het wegschuiven van de onderkant trouwens niet alleen in systeemfouten binnen de sociale zekerheid zelf, maar ook in de belendende percelen. Het beleid is er ondanks de activeringsretoriek niet in geslaagd voldoende jobs te creëren voor lager geschoolden waardoor het aantal gezinnen zonder werk onvoldoende afneemt. De sociale bescherming is voor deze ‘werkarme’ gezinnen minder genereus geworden. Bovendien botst de sociale zekerheid op een glazen plafond: de minimumlonen blijven te laag waardoor de minimumuitkeringen onvoldoende verhoogd kunnen worden. Daarenboven wordt het beleid meer en meer gekenmerkt door de nadruk op de individuele verantwoordelijkheid (‘voor wat, hoort wat’) en op een terugtredende overheid die haar sociale verantwoordelijkheid meer en meer doorschuift naar de markt en naar de (participatie)samenleving. Schuermans geeft aan dat we dat niet hoeven te ondergaan. Hij geeft het voorbeeld van Samenlevingsopbouw dat een ‘lokaal proactief kader’ ontwikkelde om die onderbescherming te lijf te gaan. Dit kader legt de verantwoordelijkheid niet bij het individu maar wel bij de dienstverleners, zoals het OCMW of de mutualiteiten, die zelf initiatief nemen om mensen te bereiken.

Waarmee we beland zijn bij de tweede pijler van solidariteit en het derde deel van het boek: de directe of ‘warme’ solidariteit. Terwijl ons sociaal model steeds meer onder druk staat, zoeken de mensen naar andere manieren om samen sociale risico’s op te vangen. Schuermans verwijst naar geefpleinen, boekenruilkasten, repair cafés en vele andere initiatieven die van onderuit groeien, maar ook naar bloeiende initiatieven die naar de financiële generositeit van mensen hengelen, zoals het alom gekende Music For Life. Desalniettemin bestaat de ruggengraat van de directe solidariteit uit de vele welzijnsorganisaties die lokaal actief zijn en die de mensen steun verlenen en vooral ook ondersteuning bieden om het heft in eigen handen te nemen. We hebben het over organisaties die zich inlaten met armoedebestrijding en samenlevingsopbouw. Schuermans illustreert een en ander met sprekende voorbeelden vanuit het werkveld, zoals het project ‘Droomjob’ in West-Vlaanderen (begeleiding op maat), het Atelier Groot Eiland in Brussel (sociale tewerkstelling), het fietsatelier en het project Energie en Armoede te Antwerpen. Het middenveld is daarmee voortdurend op zoek naar nieuwe wegen om de lokale ontwikkelingsdynamiek op gang te brengen. Tegenwoordig wordt die sociale creativiteit vaak geduid als ‘Sociale Innovatie’. Net zoals hij met de indirecte solidariteit deed, schetst hij ook hier niet alleen de merites maar ook de beperkingen van de directe solidariteit: enkel de staat kan sociale rechten echt garanderen. Een caritatieve relatie is steeds een asymmetrische relatie; er is altijd iemand die geeft en iemand die krijgt en de laatste is afhankelijk van de eerste. Daarenboven loert de politieke recuperatie om de hoek. Vandaag, meer dan ooit, wil de politiek zich ontdoen van haar verantwoordelijkheden en de bal doorspelen naar ‘de participatiesamenleving’, soms onder het mom van ‘de vermaatschappelijking van de zorg’. Schuermans concludeert met de boutade van Cantillon dat de sociale zekerheid de grijze olifant is en de directe solidariteit de vlinder. De eerste is grijzer en logger, maar werpt in elk geval meer gewicht in de schaal.

Geert Schuermans heeft een lezenswaardig boek geschreven dat leest als een trein. Voor wie een totaalbeeld wenst over ongelijkheid en de bestrijding ervan, is het op een aantal vlakken onvolledig. De auteur geeft zelf aan dat hij niet ingaat op fiscaliteit en ook niet op het basisinkomen. Ook wie meer wil weten over de discussie over het (ontbreken van) sociale bescherming op Europees niveau, blijft op z’n honger zitten. Hoewel Schuermans de cruciale rol van de vakbonden en van het sociaal overleg erkent, worden thema’s als de welvaartsaanpassing van de uitkeringen, het optrekken van pensioenen en het overleg omtrent lonen en minimumlonen niet uitgespit.

De grootste verdienste ligt volgens mij in de vertaalslag die de auteur maakt van de grote debatten over ongelijkheid en sociale bescherming naar de praktijk op het terrein, de praxis van de opbouwwerkers en andere sociale werkers. Het geeft de vaak theoretische problematiek een menselijk gezicht. Ik leer hier in elk geval dat de samenwerking op het middenveld o zo nodig is om onze welvaartsstaat scherp te houden. Samenwerking tussen de opzichters van de olifant en de hoeders van de vlindertuin.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 74 tot 77