Log in

'The Son Also Rises' / 'Our Kids'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 69 tot 73

The Son Also Rises, Surnames and the History of Social Mobility

Gregory Clark
Princeton University Press, Princeton, 2014

Our Kids, The American Dream in Crisis

Robert Putnam
Simon & Schuster, New York, 2015

Mensen houden van zeros die het tot hero schoppen. Denk aan The Great Gatsby van Scott Fitzgerald waarin protagonist Jay Gatsby wars van alle sociale klassenverschillen helemaal opklimt tot de high society van het Amerika tijdens de Roaring Twenties. Onderzoek toont aan dat mensen niet alleen wegdromen bij de verhalen over sociale mobiliteit die hen worden voorgeschoteld in boeken en films, maar dat ze over het algemeen ook sterke meritocratische neigingen hebben in hun denken over sociale rechtvaardigheid. Over ontwikkelde welvaartsstaten heen bestaat een wijdverspreid geloof in het meritocratische ideaal dat men kan bereiken wat men wil in onze samenleving, als men maar zijn stinkende best doet. Het is vandaag bon ton te veronderstellen dat individuen zich hebben losgerukt van de traditionele verbanden en de sociale klasse, dat zij vrije keuzes kunnen maken en dat de samenleving een maatschappij is geworden waarin mensen de ‘meesters van hun lot zijn’, om het met William Henley te zeggen. Sociologen als Ulrich Beck en Anthony Giddens capteerden dat gevoel in hun analyses van risico en ongelijkheid in de hedendaagse samenleving. Zij betoogden in de jaren 1990 dat ongelijkheden niet langer op sociale klasse zijn gebaseerd, en dat sociale klasse niet langer samenvalt met individuele kansen op een beter leven.

Een geloof in de meritocratie relateert ook aan het debat over ongelijkheid dat nu overal ter wereld hoog op de onderzoeks- en beleidsagenda staat. Als een samenleving echt meritocratisch is, dan is de huidige focus op inkomens- en vermogensongelijkheid en de one percent niet relevant. Ongelijkheid in de uitkomsten (inkomensongelijkheid, vermogensongelijkheid) is immers gerechtvaardigd omdat ze het gevolg is van de keuzes die mensen zelf hebben gemaakt. Wie ervoor kiest om niet hard te werken om vooruit te komen in het leven, en daardoor minder middelen heeft, moet voor die keuze niet gecompenseerd worden middels herverdelende maatregelen. Dat wil niet zeggen dat de overheid geen rol heeft te spelen in een meritocratie, maar die is beperkt tot het bewerkstelligen van gelijkheid van kansen. Iedereen moet dezelfde kans hebben om vooruit te komen in het leven. Het is niet aanvaardbaar dat wie veel talent heeft, of creatief is, of ondernemingszin heeft, de kans niet krijgt om die talenten te cultiveren door hard te werken, bijvoorbeeld omdat hoger onderwijs niet toegankelijk is. Dat is de taak van de overheid: zorgen dat iedereen gelijk aan de start komt. Wat dan leidt tot verschillen tussen mensen wat betreft inkomen, bezit, macht, is het gevolg van persoonlijke keuzes en verantwoordelijkheid, en zo is het goed.

Ofschoon het geloof in een meritocratische samenleving door veel mensen gedeeld wordt, weten we uit surveygegevens dat mensen er zich over het algemeen goed van bewust zijn dat de samenleving niet ideaal is en niet geregeerd wordt door het meritocratische droombeeld. Alleen schat men vaak verkeerd in hoe gapend de kloof wel niet is tussen perceptie en realiteit. De inhoud van twee recent verschenen boeken zal voor veel mensen dan ook een hard ontwaken zijn; ze slaan het meritocratische ideaal helemaal aan diggelen.

Gregory Clark, een econoom-historicus, en Robert Putnam, een socioloog, schreven met respectievelijk The Son Also Rises: Surnames and the History of Social Mobility en Our Kids: The American Dream in Crisis elk een belangrijke bijdrage aan de sociaalwetenschappelijke kennis over sociale mobiliteit. De teneur van beide boeken? De samenleving lijkt in niets op The Great Gatsby, maar wel op het lot van visverkoopster Molly Malone uit het bekende Ierse volksliedje: ‘She was a fishmonger, But sure ‘twas no wonder, For so were her father and mother before.’ Contra Giddens, Beck en tutti quanti stellen zij dat er vandaag bijzonder weinig sociale mobiliteit is. Het boeiende is nu dat beide boeken vertrekken vanuit een diametraal tegenovergestelde positie, en daarbij tot verschillende beleidsconclusies komen.

Putnam, een academische wereldster en bij het grote publiek vooral bekend vanwege zijn Bowling Alone (2000) waarin hij het concept sociaal kapitaal bekendmaakte bij het grote publiek, begint zijn boek met de levensverhalen van zijn leeftijdsgenoten die net zoals hijzelf opgroeiden in Port Clinton, Ohio, in de jaren 1950. Het vertrekpunt van Putnam is dat er vroeger wel raciale en genderongelijkheid was, maar dat er weinig sprake was van klasse gebonden ongelijkheid. Arme en rijke kinderen zaten bij elkaar in de klas, woonden in elkaars buurt, hun ouders begroetten en bejegenden elkander met respect en zowel rijk als arm probeerden hun kinderen de ‘juiste’ (lees: christelijke) waarden mee te geven, met name tijdens het avondmaal. Een paar bladzijden verder lijkt de lezer in Spenglers Untergang des Abendlandes beland: ‘A half century later, however, life in Port Clinton is a split-screen American nightmare’ (p. 1). Vandaag is de ongelijkheid gebaseerd op afkomst en sociaaleconomische klasse, wonen rijk en arm in aparte buurten, gaan ze naar aparte scholen, is er geen sprake meer van sociale cohesie, en van een socialiserend familiemoment tijdens het avondmaal komt al helemaal niets meer in huis bij de lagere inkomensgroepen. De toon voor wat komen moet, is meteen gezet. Misschien is het onbedoeld, maar het eerste hoofdstuk wasemt een ‘vroeger was het beter’-sfeertje uit, want de mensen kenden elkaar nog persoonlijk en er was sociale cohesie. Zoiets.

In ieder geval, de analyses van Putnam in de daaropvolgende hoofdstukken laten weinig aan de verbeelding. Elk hoofdstuk lardeert hij met de ene grafiek na de andere waarin het beeld van een diep verdeelde Amerikaanse samenleving wordt getoond, waarbij de kloof tussen de have’s en de have-not’s in de voorbije decennia alsmaar is toegenomen. Zijn empirisch materiaal is divers, gaande van vrouwelijke tewerkstelling en alleenstaand moederschap over obesitas tot deelname aan sportactiviteiten en het krijgen van bijles, maar telkenmale komt een duidelijke kloof naar sociale afkomst (meestal gemeten door middel van onderwijsniveau van de ouders) tot uiting. Putnam stelt daarbij duidelijk dat mensen er in absolute termen wel op vooruit zijn gaan, in die zin is er veel mobiliteit (kinderen zijn er in alle sociale klassen beter aan toe dan hun ouders in absolute termen, en dat zal ook morgen nog het geval zijn), maar dat de kloof tussen sociale groepen in relatieve termen groeit. Lage inkomensgroepen konden vroeger stijgen op de sociale ladder door middel van onderwijs. Vandaag hebben lage inkomensgroepen meer materiële welstand dan de lage inkomensgroepen van een generatie ervoor, maar hebben ze veel minder kans te klimmen op de sociale ladder. Een grote mate van relatieve ongelijkheid en lage sociale mobiliteit gaan hand in hand, zoals ook de OESO observeerde in hun recente rapport over ongelijkheid. Dat het de relatieve kloof is tussen groepen die relevant is voor sociale mobiliteit, is ook belangrijk in het licht van recente debatten dichter bij huis, zoals die over de onderwijshervorming of de tax shift.

Gregory Clark vertrekt in zijn boek van de conventionele maatstaven om ongelijkheid en mobiliteit te meten, in casu de ginicoëfficient en de inkomstenelasticiteit tussen vaders en zonen. Deze laatste maatstaf geeft weer in welke mate zonen tot dezelfde inkomensklasse als hun vader behoren. Zijn interpretatie is verrassend en tegengesteld aan die van Putnam: volgens de conventionele maatstaven is de sociale mobiliteit erg hoog binnen landen. Het probleem is echter, aldus Clark, dat de conventionele maatstaven niet geschikt zijn om sociale mobiliteit te meten. Zijn stelling is dat sociale mobiliteit gemeten moet worden over de eeuwen heen, niet over een paar generaties. Wanneer je sociale mobiliteit op de goeie manier (lees: zijn manier) meet, dan blijkt er van sociale mobiliteit nooit echt sprake te zijn geweest. In een geestige, maar niet altijd eenvoudige stijl onderbouwt Clarke deze stelling met onderzoek naar familienamen: in welke mate zijn familienamen die vroeger geassocieerd waren met een hoge maatschappelijke status daar ook vandaag nog mee geassocieerd? Zijn conclusie: heel sterk. Op basis van uiteenlopende bronnen in erg diverse landen en culturen komt hij bovendien tot de contra-intuïtieve conclusie dat dit gebrek aan sociale mobiliteit nauwelijks verschilt tussen landen. Of het nu gaat om de meest uitgebouwde sociale verzorgingsstaat met de hoogste sociale mobiliteit volgens conventionele maatstaven zoals Zweden, of om een samenleving met een verfoeid kastestelsel zoals India, sociale mobiliteit is overal even laag. Voor wie zich bezighoudt met de studie van sociaal beleid zorgt de cognitieve dissonantie bij het lezen van die conclusie even voor kortsluiting in de hersenpan. En het wordt nog meer dissonant, want de verklaring voor die persistentie in sociale status wijt Clark aan de genen; een debat dat men ter linkerzijde het liefst van al niet wil voeren, de strapatsen van Charles Murray en consorten indachtig. De vraag is natuurlijk of het klopt. Clark voert op zich geen overtuigend bewijs aan dat genen inderdaad de voornaamste verklaring zijn voor het gebrek aan mobiliteit over de eeuwen heen, en het is maar zeer de vraag of de studie van familienamen nu werkelijk de beste manier is om sociale mobiliteit te meten. En als het klopt, dan nog is het een partiële analyse: het is niet omdat elites hardnekkig blijven voortbestaan, dat er daaronder geen opwaartse en neerwaartse mobiliteit bestaat. Een uitgebouwde verzorgingsstaat bestaat bovendien nog niet zo lang; als de overerving van sociale status dan toch een proces van eeuwen is, kan het zijn dat de nivellerende effecten van welvaartsstaten op dat vlak nog niet zichtbaar zijn.

Hoe dan ook, Clark betoogt dat de sociale mobiliteit erg laag is, dat het altijd zo geweest is en altijd zo zal blijven. Putnam betoogt dat sociale mobiliteit vroeger hoog en nu veel lager is, maar dat we er wel iets aan kunnen doen. Putnam komt daarbij tot de belangrijke vaststelling dat inkomensongelijkheid en sociale mobiliteit niet los van elkaar gezien kunnen worden; ofte: de verdeling van de middelen vandaag bepaalt de kansen van kinderen morgen. We leven niet in een meritocratie, en dus is het niet voldoende om alleen in te zetten op kansenongelijkheid. Vreemd genoeg wordt met die wetenschap verder weinig gedaan. In zijn beleidsconclusies focust Putnam zich bijna exclusief op kansenongelijkheid op het niveau van het gezin, de buurt, en de school terwijl de maatschappelijke structuren die de inkomensverdeling mee vorm geven buiten schot blijven.

Een van zijn belangrijkste beleidsvoorstellen klinkt bekend in de oren: voorzie in kwaliteitsvolle kinderopvang tijdens de eerste levensjaren naar het voorbeeld van heel wat Europese landen. Dat is nuttig in een Amerikaanse context, maar hij ziet over het oog dat kwaliteitsvolle kinderopvang de relatieve kloof tussen kinderen die opgroeien in lage dan wel hoge inkomensgezinnen niet noodzakelijk verkleint; het is namelijk goed voor de ontwikkeling van alle kinderen. Bovendien is kinderopvang een dienstverlening die vaak moeilijk toegankelijk is voor gezinnen met een laag inkomen. Als kinderopvang van hoge kwaliteit goed is voor de ontwikkeling en de latere levenskansen van alle kinderen, en het zijn voornamelijk de kinderen die opgroeien in begoede gezinnen (en dus al starten met een voorsprong) die er gebruik van maken, dan zal kinderopvang de sociale ongelijkheid vergroten in plaats van verkleinen. Daarom moet je ook maatregelen nemen om de ongelijkheid in middelen tegen te gaan, maar verder dan een zinnetje over het verhogen van lonen van laagproductieve werknemers en een paragraaf over het doelmatiger inzetten van bestaande belastingkredieten gaat het niet. Dit kan natuurlijk ingegeven zijn door politiek-strategische overwegingen; zijn boek gaat immers over de VS, waar debatten over herverdeling moeilijk liggen. Maar zelfs dan blijft het analytisch een gemiste kans.

Clark gaat in zijn beleidsconclusies onverwachts veel verder dan Putnam. Hoewel hij meent dat sociale mobiliteit een illusie is, is zijn conclusie verrassend genoeg dat dit betekent dat we als maatschappij de morele plicht hebben om het leven beter te maken van zij die geen geluk hebben gehad met de genetische loterij. En dat kan door de middelen te herverdelen van hoge naar lage inkomens zodat iedereen voldoende middelen heeft om een menswaardig leven te leiden. Wie de bevinding van beide boeken samenlegt komt zo tot een coherent verhaal: zowel het indammen van ongelijkheid van middelen als het bewerkstelligen van gelijkheid van kansen zijn noodzakelijk om sociale vooruitgang voor iedereen mogelijk te maken. Maar voor het zover is, blijft de conclusie van beide boeken overtuigend en pijnlijk tegelijk: waar je wieg staat, bepaalt wie je wordt.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 6 (juni), pagina 69 tot 73