Abonneer Log in

De welvaartsstaat als magneet die immigranten aantrekt?

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 40 tot 47

De opspelende vluchtelingenstroom vanuit het Midden-Oosten heeft het politieke debat over de gevolgen van immigratie op de sociale zekerheid opnieuw kleur gegeven. Politieke actoren werpen graag de metafoor van welvaartsmagnetisme op, met de achterliggende gedachte dat genereuze sociale voorzieningen disproportioneel meer immigranten aantrekken. De opzet van deze bijdrage is om enkele claims rond dit welvaartsmagnetisme kritisch te evalueren, onder meer door na te gaan of immigranten meer naar de meest ontwikkelde welvaartsstaten trekken, door te evalueren of sociale voorzieningen de integratie van immigranten juist verhindert en door te onderzoeken wat immigranten zelf verwachten van de overheid.

Door de aanhoudende instroom aan asielzoekers, gevoed door de oorlog in Syrië en de toenemende dreiging van IS, lijken de grenzen aan de solidariteit onder Europeanen met de vluchtelingen stilaan zichtbaar. De opvang van de recente instroom aan vluchtelingen neemt nu eenmaal een hap uit de begroting, terwijl deze door de aanhoudende economische crisis al verschillende ingrepen heeft vereist. De politieke elite heeft het niet nagelaten om de druk die de recente stijging aan asielzoekers op de solidariteit zet verder te articuleren, niet in het minst in ons eigen land.

Terwijl bevoegd Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Theo Francken (N-VA), de tering naar de nering zet door met beperkte middelen toch bijkomende opvangcapaciteit te creëren, stelt de voorzitter van zijn partij, Bart De Wever, dat de instroom aan vluchtelingen best wordt ingeperkt door de ‘achterdeur’ van de Schengenzone stevig op slot te houden. De toch aanwezige vluchtelingen genieten in België immers materiële steun, onder begeleiding van het OCMW die hier zelf beperkte voorzieningen voor krijgt. Deze voorzieningen komen, volgens de retoriek, in het vaarwater van de beschikbare middelen voor autochtone Belgen. Met dat verschil, zo is de claim, dat autochtone Belgen doorgaans wel hebben bijgedragen aan de welvaartsstaat, terwijl de asielzoekers dit nog niet hebben gedaan. De Wever pleit daarom voor een apart statuut voor vluchtelingen, om hen de eerste jaren na hun aankomst geen gelijke toegang tot de sociale zekerheid te geven.

WEINIG BEWIJS VOOR WELVAARTSMAGNETISME

In zijn argumentatie duidt Bart De Wever expliciet op het systeem van welvaartsmagnetisme. Dit concept valt terug te brengen op economische verklaringen voor migratiestromen (Castles & Miller, 1994). Dit economische model stelt dat er enerzijds push-factoren bestaan die immigranten uit hun land van herkomst duwen (bijvoorbeeld oorlog, tewerkstelling, klimaatontwikkelingen); daarnaast zijn er ook pull-factoren in het land van bestemming die mee bepalen waarom een immigrant bijvoorbeeld voor België en niet voor Frankrijk zou kiezen. De welvaartsstaat zou, in de optiek van De Wever, fungeren als een van de belangrijkste pull-mechanismen. De gedachte is dat een land met een betere sociale bescherming - ook voor immigranten - disproportioneel meer immigranten aantrekt. Via informele kanalen, zoals mensensmokkelaars en contacten in het land van bestemming, zouden immigranten informatie aangereikt worden over deze voorzieningen, en dus een belangrijke factor worden in de beslissing over naar welk land men het best migreert. Voor deze stelling zou De Wever zonder twijfel sympathie krijgen van de Amerikaanse econoom George Borjas (1999) die vaststelde dat Amerikaanse staten met betere sociale voorzieningen ook meer immigranten herbergt die afhankelijk zijn van voorzieningen. De logische gevolgtrekking zou zijn dat in Europa - waarin de sociale bescherming verder staat dan in Amerika - dit fenomeen van welvaartsmagnetisme nog sterker aanwezig is.

Onderzoek tussen Europese landen biedt echter weinig bewijs voor de stelling dat de best ontwikkelde welvaartsstaten significant meer immigranten zou aantrekken. Door een analyse van Europese migratiestatistieken voor de periode 1980-2004 hebben Marc Hooghe en collega’s (2008) verklaringen gezocht voor de instroom van immigranten naar West-Europese landen doorheen de tijd (zie Tabel 1). De belangrijkste verklaringen lijken de populatie van het gastland (grotere landen trekken nu eenmaal meer immigranten aan) en tewerkstelling (werkloosheid remt immigratie af). De huidige economische crisis heeft verder bewijs geleverd voor deze bevinding. De economische crisis heeft migratie geenszins doen stilvallen, wat ook duidelijk is in de instroom van vluchtelingen; toch is de globale instroom, vooral van arbeidsmigranten, iets afgezwakt (Tilly, 2011). Maar wat betreft de omvang van de welvaartsstaat toont de analyses in Tabel 1 aan dat deze ongerelateerd zijn aan migratiestromen. De Noord-Europese landen, die het meest genereus zijn in haar sociale voorzieningen, trekken dus niet significant meer immigranten aan dan de kleinere welvaartsstaten van Zuid-Europa.

WAT DAN MET DIE HANGMAT?

Dat migranten niet eerder geneigd zijn om de meest omvangrijke welvaartsstaten te verkiezen, doet niets af aan de vraag of ze dan wel meer gaan ‘profiteren’ - een ander woord dat in het politieke discours wel eens vaker terugkomt om de relatie van immigranten met de welvaartsstaat te omschrijven. Ruud Koopmans (2010), professor aan het Berlijnse Social Science Research Center, heeft zich de afgelopen jaren op deze vraag geworpen. In zijn onderzoek verdedigt hij de stelling dat landen die gekenmerkt worden door zowel genereuze sociale voorzieningen als multicultureel beleid dat groepsrechten verleent aan immigranten, gekenmerkt worden door een lagere sociaaleconomische integratie van immigranten. Het mechanisme, aldus Koopmans, is dat in dergelijke landen immigranten eigenlijk niet echt aangemoedigd worden om skills aan te leren die belangrijk zijn voor de arbeidsmarkt, zoals het leren van de taal, bijkomende vaardigheden via training en dies meer.

Ook al kunnen er bij dit onderzoek veel opmerkingen gemaakt worden - bijvoorbeeld het feit dat er maar een beperkt aantal landen werd onderzocht - toch zijn de conclusies niet min, en strekken ze ook voor België tot aanbeveling. Het beleid moet zich nu eenmaal richten op het wegwerken van barrières - zowel aan de kant van de immigrant (taalachterstand, ongelijkheid in het onderwijs) als structurele barrières op de arbeidsmarkt. Op beide vlakken blijft België nog altijd een slechte leerling in de klas. Enerzijds zijn er wat betreft onderwijsongelijkheid nog veel noodzakelijke stappen voorwaarts te zetten (Agirdag, 2011). Maar ook op de arbeidsmarkt tonen veldexperimenten aan dat immigranten in sommige sectoren nog steeds structureel worden benadeeld (Baert et al., 2015).

MAAR OOK EEN HANGMATCULTUUR?

Deze eerder geciteerde onderzoeken hebben een ding gemeen: ze hebben de immigranten op geen enkel moment zelf aan het woord gelaten. Want als immigranten toch vooral op zoek zijn naar uitgebreide sociale voorzieningen, dan zou dit zich idealiter ook moeten afspiegelen in hun attitudes. Als de metafoor van de welvaartsstaat als magneet standhoudt, dan zou moeten blijken dat immigranten significant meer dan autochtonen van mening zijn dat de overheid moet instaan in hun levensonderhoud. Bovendien zou je verwachten dat deze meer uitgesproken idee van de verwachte rol van de overheid aanwezig is in de hoofden van immigranten die in de meest ontwikkelde welvaartsstaten wonen.

Om meer grip te krijgen op dergelijke hypothese raadpleegden we het European Social Survey van 2008. In dit landenvergelijkend onderzoek zijn representatieve steekproeven uit meer dan 25 Europese landen bevraagd over hun politieke en sociale attitudes. In dit onderzoek hebben we gepeild naar de mate waarin dat de overheid zou moeten instaan in het voorzien van (1) jobs voor iedereen die wil, (2) een toereikende gezondheidszorg voor zieken, (3) een zekere levensstandaard voor ouderen, (4) een zekere levensstandaard voor werklozen, (5) kinderopvang voor werkende ouders, en (6) betaald verlof voor mensen die voor hun zieke familieleden willen zorgen. Van deze items is een schaal gemaakt die loopt van 0 tot 10, waarbij de waarde 0 staat dat het helemaal niet tot de taak van de overheid behoort, en een waarde 10 dat dit volledig tot de taak van de overheid behoort.

Een punt van discussie wat betreft het European Social Survey is dat door haar doelstelling om representatieve steekproeven te trekken, geen goed beeld van immigranten gegeven kan worden. De immigranten die dus in de gerealiseerde steekproef zitten zijn doorgaans dus al in zekere mate geïntegreerd, aangezien ze bijvoorbeeld al een woordje in de plaatselijke landstaal kunnen meepraten. Toch blijkt uit beschrijvingen van de afkomst van de immigranten dat deze de migratiegeschiedenis van het land van bestemming goed weerspiegelt. In België is de grootste groep immigranten West-Europees (die doorgaans voor de Europese instellingen werken), maar daarnaast komen Afrikanen en immigranten uit het Midden-Oosten (de band met de oud-kolonies, maar ook de Marokkaanse en Turkse gastarbeiders) veel voor.

Figuur 1. Opinies over de verkozen rol van de overheid onder autochtonen, eerste en tweede generatie immigranten, gecontroleerd en ongecontroleerd.

Noot: De multivariate verschillen zijn onder controle van gender, leeftijd, opleidingsniveau, tewerkstellingsstatus, ooit langdurig werkloos zijn geweest, inkomen, een sociale uitkering krijgen, politieke links-rechts ideologie, gepercipieerde samenlevingsproblemen en percepties over de leefomstandigheden van werklozen.

Wanneer we kijken naar enkele beschrijvende statistieken zien we dat de gemiddelde autochtone Europeaan sterk van mening is dat het leveren van sociale voorzieningen de taak van de overheid moet zijn (met een score van 7,56 op een schaal van 0 tot 10). Bovendien zien we dat de tweede generatie immigranten - opgegroeid in het gastland maar met ouders geboren in het buitenland - meer verwachten van de overheid dan de autochtone respondenten (7,67), terwijl dat de eerste generatie immigranten - zij die geboren zijn in het buitenland - nog meer verwachten (7,74). Op de schaal die gaat van 0 tot 10 zijn de verschillen weliswaar significant, maar desalniettemin bijzonder klein. Deze verschillen worden grotendeels gereduceerd wanneer relevante achtergrondkenmerken (zoals opleidingsniveau, inkomen en tewerkstellingssituatie) en opinies en percepties mee in rekening worden genomen. Dan blijkt dat er namelijk geen verschil meer is tussen autochtonen en tweede generatie immigranten, terwijl eerste generatie immigranten nog iets meer verwachten van de overheid.

Bovendien zijn enkele nuances noodzakelijk. Om te beginnen blijkt bij verdere analyses van de eerste generatie immigranten dan zij die langer in het land verblijven juist meer verwachten. In de afwezigheid van motieven voor dit antwoordgedrag, is het enkel maar speculeren naar verklaringen. Een mogelijke verklaring is dat langer inwonende respondenten juist richting pensioengerechtigde leeftijd bewegen, en vanwege hun onvolledig arbeidsmarktraject juist meer inspanning van de overheid verwachten. Anderzijds kan het ook zijn dat de meest recente instroom juist minder verwachtingen heeft. Bovendien zien we dat immigranten met burgerschap - de genaturaliseerden - minder verwachten van de overheid. Burgerschap impliceert een sterkere band met het land van bestemming, en confronteert immigranten nog meer met hun rechten en plichten. Dit kan ertoe leiden dat men gevoeliger wordt voor eventuele misbruiken.

SELECTIE OF ACCULTURATIE?

Dan blijft de vraag over of er sprake is van selectie van immigranten die veel vragen van de overheid in de meest ontwikkelde welvaartsstaten. Met andere woorden: is het zo dat de immigranten die Scandinavië als bestemming hebben gekozen veel meer verwachten van de overheid dan immigranten die naar Zuid-Europa zijn getrokken?
Hier bestaat andermaal geen empirisch bewijs voor: er is geen relatie tussen de per capita uitgaven aan de sociale zekerheid en landenverschillen in opinies van immigranten. Waar echter wel een sterke overlap tussen bestaat, zijn de attitudes van de autochtone bevolking en de attitudes van de immigranten. Kort gezegd: in landen waar de bevolking vrij veel overheidsinmenging vraagt, volgen immigranten hen hierin, en omgekeerd. Er is dus duidelijk sprake van acculturatie van de opinies van immigranten aan de cultuur van het gastland.

Figuur 2. Overlap tussen de geprefereerde rol van de overheid onder autochtonen (X-as) en immigranten (Y-as).

Noot: De diagonaal geeft een theoretische perfecte overlap weer tussen de immigranten en de autochtonen van een welbepaald land. Elke punt geeft een land weer in het European Social Survey.

Nu valt er veel op te merken aan dit soort onderzoek. Ten eerste is het niet duidelijk hoe die acculturatie uiteindelijk verloopt. Nemen immigranten zogenaamde ‘cues’ over uit het publieke debat, volgt het uit ervaringen met de sociale zekerheid of heeft het gewoon te maken met alledaagse interacties met andere burgers? Op basis van kwantitatief onderzoek is dit niet goed duidelijk te maken. Zonder twijfel zullen de komende jaren studies van kwalitatieve aard onderliggende mechanismen beter kunnen blootleggen. Ten tweede zou men als kritiek kunnen geven dat het huidige onderzoek de pijnpunten wat betreft de minst geïntegreerde immigranten niet blootlegt. Dat is uiteraard een probleem, maar het neemt niet weg dat de scheeftrekking in de steekproef met meest geïntegreerde immigrant aanwezig is in elk land, waardoor de verschillen tussen landen minder vertekend zijn. Een derde punt zou kunnen zijn dat uitgerekend deze items over de rol van de overheid deze patronen laten zien. Niets is minder waar. Ook andere vragen over welvaartsherverdeling tonen eenzelfde patronen. Amerikaanse collega’s hebben bijvoorbeeld gelijkaardige mechanismen van acculturatie ontdekt rond items die peilen naar wanneer immigranten aanspraak zouden mogen maken op sociale rechten (Kolbe & Crepaz, 2013).

IMPLICATIES VAN HET ONDERZOEK

Sowieso zal de komende jaren meer duidelijk worden wat immigranten nu zelf verwachten van welvaartsherverdeling. Enkele internationale onderzoeksprojecten staan in de steigers die meer specifiek en bij een grote groep immigranten zullen nagaan hoe zij staan tegenover de welvaartsstaat, inclusief vragen die peilen naar hun kennis over toegang tot sociale rechten. Ook in België zou dergelijk onderzoek wenselijk zijn: als de overheersende gedachte is dat de sociale zekerheid fungeert als een magneet die immigranten disproportioneel meer aantrekt naar genereuze welvaartsstaten, dan zouden immigranten dus ook bijzonder veel kennis hebben van de toegang tot sociale rechten.

Tot dusver moeten we het echter stellen met bestaand onderzoek. Daaruit blijkt dat er weinig bewijs bestaat die de metafoor onderkent van de welvaartsstaat als magneet die immigranten aantrekt. Om te beginnen worden landen met vrij goed uitgebouwde stelsels van sociale bescherming niet disproportioneel meer overspoeld door immigranten. Het zogenaamde pull-mechanisme dat de welvaartsstaat zou zijn, lijkt in empirisch onderzoek dus niet sterk overheersend te zijn. Daarnaast verwachten immigranten niet noodzakelijk meer van de overheid wat betreft sociale bescherming dan autochtonen. Meer zelfs, er is een bijzonder sterke overlap in de opinies van de autochtonen en de immigranten, wat wijst op een zekere acculturatie.

Welke bevinding dan weer moeilijker te ontkrachten is, is dat in hoogontwikkelde welvaartsstaten die eveneens uitgebreide multiculturele groepsrechten voor immigranten aanbieden, de sociaaleconomische integratie achterloopt. Het achterliggende mechanisme dat immigranten op deze manier niet echt aangemoedigd worden om hun zogenaamde employability op te krikken klinkt plausibel, maar is eveneens ook vrij speculatief. In elk geval neemt het geenszins de verantwoordelijkheid weg van de overheid om maatregelen te nemen die de tewerkstelling van immigranten in de hand werkt, zowel aan de kant van de immigranten (bijvoorbeeld bijkomende taalcursussen) of aan de kant van de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld het tegengaan van discriminatie bij aanwervingen). Het feit dat de aanhoudende conflicten in het Midden-Oosten en andere broeihaarden een groep vluchtelingen naar België komt, mag de aandacht niet verleggen van het feit dat de overheid moet blijven werken aan een volwaardige integratie van de bestaande groep immigranten.

Tim Reeskens
Docent Sociologie, Tilburg University

Literatuur
- Agirdag, O. (2011). De zwarte doos van schoolsegregatie geopend [Doctoraatsthesis]. Gent: Universiteit Gent.
- Baert, S., Cockx, B., Gheyle, N. & Vandamme, C. (2015). Is There Less Discrimination in Occupations Where Recruitment Is Difficult? ILR Review, 68(3), pp. 467-500.
- Borjas, G. J. (1999). Immigration and Welfare Magnets. Journal of Labor Economics, 17(4), pp. 607-637.
- Castles, S., de Haas, H. & Miller, M. J. (2014). The Age of Migration. International Population Movements in the Modern World (Fifth Edition). Basingstoke: Palgrave.
- Hooghe, M., Trappers, A., Meuleman, B. & Reeskens, T. (2008). Migration to European Countries: A Structural Explanation of Patterns, 1980-2004. International Migration Review, 42(2), pp. 476-504.
- Kolbe, M. & Crepaz, M. (2013). The Power of Citizenship: How Inclusion Affects Attitudes on Social Benefits Among Naturalized Citizens and Foreign Residents. Presented at the APSA Conference: 2014 Annual Meeting. Washington D.C.
- Koopmans, R. (2010). Trade-Offs between Equality and Difference: Immigrant Integration, Multiculturalism and the Welfare State in Cross-National Perspective. Journal of Ethnic and Migration Studies, 36(1), pp. 1-26.
- Reeskens, T. & van Oorschot, W. (2015). Immigrants’ Attitudes towards Welfare Redistribution. An Exploration of Role of Government Preferences among Immigrants and Natives across 18 European Welfare States. European Sociological Review, 31(4), pp. 433-445.
- Tilly, C. (2011). The Impact of the Economic Crisis on International Migration: A Review. Work, Employment and Society, 25(4), pp. 675-692.

immigratie - vluchtelingencrisis - welvaartsstaat

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 40 tot 47