Log in

Economie gaat over het (goede) leven

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 71 tot 78

In Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers1 klagen Rutger Bregman en Jesse Frederik dat de moraal uit de economie verdwenen is. Politieke economie is wiskunde of natuurkunde geworden, de homo economicus wordt niet door moraal bewogen. Vuilnismannen verdienen natuurlijk niet meer, ook al dragen bankiers niet bij tot welvaart en verplaatsen zij die alleen maar of vernietigen ze die soms. Vuilnismannen horen meer te verdienen, een job moet ergens toe dienen. We mogen het niet overlaten aan de economie. Economie is niet neutraal. Wanneer het winstgevender wordt om niet te innoveren en onnoemelijk veel energie te steken in de ontwikkeling van financiële producten die de samenleving op de rand brengen, is het genoeg geweest.

Minister van Financiën, Johan Van Overtveldt, kreeg onlangs de vraag of hij vond dat enkele belangrijke economisten als Paul Krugman en Paul De Grauwe dan geen valabele argumenten aanbrengen in de discussie over Griekenland. Dat toverde een grijns op zijn gezicht en de bedenking dat belangrijke instellingen, zoals het IMF, ook hoogstaande economisten hadden die iets anders zeiden. Dat is het nu net: economisten beweren inderdaad dikwijls iets anders. Ondertussen zegt zelfs het IMF niet hetzelfde als bijvoorbeeld de Duitsers die van een Griekse schuldherschikking niets willen weten. Economisten komen niet allemaal tot dezelfde conclusie omdat zij vertrekken van een andere grondslag, van een andere politieke visie.

LIBERALE IDEOLOGIE

Liberalisme is een ideologie, laten we dat eindelijk eens begrijpen! Het is een paradigma dat beperkingen oplegt aan de manier waarop we naar de wereld kijken. In zijn zuiverste vorm ziet het niet dat grenzeloze groei en zijn tegenhanger, onbeperkt consumentisme, geen neveneffecten zijn maar precies de motor van het systeem. De Nederlandse filosoof Hans Achterhuis2 heeft overtuigend aangetoond dat dit een gevaarlijke en zelfs totalitaire utopie is, even gevaarlijk als communistische of andere fundamentalistische utopieën. Het is niet voldoende om de markt wat bij te sturen. Een alternatief moet minstens streven naar een ander economisch mechanisme.

Geert Noels, toch niet van linkse huize, schreef in mei 2010 voor Trends een column onder de titel ‘De Ponzi-economie’. Hij noemt Charles Ponzi de belangrijkste economist van de afgelopen 100 jaar. Ponzi was een Italiaanse migrant in de Verenigde Staten. Hij was eigenlijk een oplichter, gespecialiseerd in piramidesystemen. Noels toont met verschillende voorbeelden hoe exponentiële groei bijna mathematisch leidt tot ineenstorting. Ik verwijs alleen naar zijn voorbeeld van het financieel systeem, dat steeds grotere hoeveelheden krediet verslindt om een steeds kleinere economische groei op gang te houden.

Ondertussen heeft Noels twee zeer lezenswaardige boeken op zijn naam: Econoshock3 en Econoshock 2.0.4 Vooral in het tweede is duidelijk dat de column in Trends geen uitschuiver was. Noels wil wel degelijk een revolutie, een duurzaamheidsrevolutie. Hij zegt het allemaal nog veel scherper in een interview in De Morgen van 28 december 2014: ‘We staan op een kruispunt, waarop we heel goed moeten nadenken over de weg die we zullen inslaan’. We kunnen onze economie ‘econoshock’ maken of we kunnen proberen terug te keren naar het oude systeem. In dat laatste geval is alleen zwaar welvaartsverlies mogelijk. Economische groei kan niet alles oplossen. Integendeel: voortdurend streven naar meer groei kan alleen maar evenwichten verstoren. Er is wel degelijk een breuk nodig. Zonder fundamentele correcties halen we het niet! Het oude systeem holt voortdurend zichzelf voorbij en moet dringend in evenwicht gebracht worden. Het probleem is echter dat iedereen ervan overtuigd is dat het enkel gaat om groei en grootte. De manier waarop uit de financiële crisis nauwelijks lessen getrokken werden, is daar tekenend voor: ‘Ik had vijf jaar geleden nooit durven in te schatten dat de derivatenhandel, het schaduwbankieren of de too big to fall-filosofie vandaag nog zo groot zouden zijn. Zeker in die sector is de voorbije tijd pijnlijk tot uiting gekomen dat de oplossing voor velen nog altijd in het oude systeem ligt. Als we de oude schuldmachine opnieuw op gang kunnen trekken, dan slaat de groeimotor vanzelf ook wel weer aan en wordt alles zoals vroeger. Dat soort onzin.’ In Econoshock 2.0 pleit Noels voor duurzaamheid boven groei, het goede waarderen boven het nuttige, winst als doel in plaats van als middel (44/45).

DE OVERHEID DAN MAAR?

Het is vreemd dat Geert Noels dit doet, terwijl linkse denkers het vaak moeilijk hebben met de idee dat het kapitalisme een piramidespel is dat onvermijdelijk tot instorten leidt. En als ze het lijken te beseffen, waarom denken ze niet echt door? Joseph Stiglitz maakt in Freefall5 een economische analyse van de financiële crisis uit 2008. Hij waarschuwt om niet opnieuw in dezelfde val te trappen en pleit voor regulering, staatstussenkomst en stevige morele regels. Maar hij pleit niet voor een andere economie. Als het van hem afhangt, zullen de financiële avonturiers aan banden gelegd worden en dat is ongetwijfeld al iets. Maar de mallemolen, het systeem dat de ontplooiing van de productiemiddelen belangrijker acht dan de bevrediging van de behoeften van de mensen, blijft doorgaan. De regulering blijft in wezen beperkt tot consumentenbescherming.

Kunnen we er dan nog om heen dat de mens stilaan gevangene wordt van zijn eigen destructiviteit? Al geruime tijd hebben we de ecologische draagkracht van de aarde overschreden. Er dreigt een totale impasse indien we er niet in slagen een sociale en ecologische economie te realiseren, die gericht is op de bevrediging van menselijke behoeften. Vooruitgang heeft een schaduwzijde, schrijft die andere Nederlandse filosoof Ton Lemaire.6 Als we niet vlug ingrijpen zal de gevallen Prometheus niet meer rechtstaan.

Moeten we dan terug naar de idee dat de economie zo veel mogelijk door de overheid bepaald wordt? Moet het ‘ondernemerschap’ aan banden gelegd worden? Nee, daar gaat het niet om. Vrijheid, ook vrijheid van initiatief, is absoluut niet tegengesteld aan socialisme. Net zomin als democratie overigens. Alleen kan de overheid een veel grotere rol spelen, zonder die vrijheid in te perken. Het moet echter een overheid zijn die zelf op een menselijke manier functioneert. Dit wil zeggen een overheid die in dienst staat van de mensen, die eindigheid en duurzaamheid tot de fundamentele waarden rekent.

Zo’n overheid is niet evident. Zo’n overheid hebben we nog niet gehad. In het hoofdwerk van de Duits-Gentse filosoof Rudolf Boehm, Kritiek der grondslagen van onze tijd7, staat een hoofdstuk over bureaucratie. Een bureaucratie, heet het bij Boehm, heeft de neiging zomaar te groeien. Haar opdracht heeft daar eigenlijk niet veel invloed op. Het werk past zich gewoon aan de beschikbare tijd aan. Met andere woorden, hoe meer tijd hoe meer werk. Het bezig zijn krijgt zijn eigen belang. Wie totaal onbelangrijke dingen moet doen, slaagt er toch in er een belang aan te geven. Desnoods gaat dat letterlijk om het slijpen van potloden. Het bereiken van een doel wordt totaal ondergeschikt aan het bezig zijn. Men stelt doeleinden steeds verder uit, door de voorbereiding steeds breder uit te smeren. Op die manier maakt iedereen voor iedereen werk. Een staf moet dan ook steeds meer uitgebreid worden. Een ambtenaar voelt zich steeds overwerkt. Hij vraagt steeds meer personeel, maar dat zal nooit volstaan. Want onderling zullen de nieuwe mensen zelf zoveel werk genereren dat ze op hun beurt weer personeel zullen bijvragen. En al dat werk moet door de eerste ambtenaar gecontroleerd worden. Meer personeel betekent voor hem gewoon meer werk. Verzuipend meer werk. Hij heeft het doel, het eindpunt, de dood proberen uit te stellen, maar hij zal daar natuurlijk nooit in slagen. In plaats van aan werk geeft hij zich over aan verstrooiing. Maar in plaats van macht te verwerven, wordt hij depressief.

Natuurlijk kan zo’n overheidsbureaucratie geen links alternatief zijn. Maar valt het niet op dat die neiging om eindeloos te groeien precies dezelfde neiging is als van de economie? Zoals we een andere economie nodig hebben, zo hebben we een andere overheid nodig.

ZORGEN VOOR GELIJKHEID

De overheid moet niet alleen met economie bezig zijn. Ze moet zich vooral actief bekommeren om het welzijn van de mensen. En dat welzijn, dat wordt nu toch wel door veel studies bevestigd, is niet alleen afhankelijk van groei. In The Spirit Level van Richard Wilkinson en Kate Pickett8 vind je talloze tabellen die aantonen dat landen die meer gelijkheid kennen zorgen voor meer geluk, een betere positie voor vrouwen, meer ontwikkelingshulp, minder geestesziektes, minder druggebruik, minder gezondheidsproblemen, minder obesitas, betere schoolresultaten, minder tienerzwangerschappen, minder geweld, minder gevangenissen, meer sociale mobiliteit, minder geografische segregatie.

Socialisten moeten daarom zorgen voor meer gelijkheid en daarin moet de overheid een belangrijke hefboom zijn. Dat is en blijft hun missie. Daar worden niet alleen de armen beter van. Ze winnen het meest, maar dat belet niet dat iedereen er aan wint. Een illustratie uit The Spirit Level: indien er in het Verenigd Koninkrijk meer gelijkheid zou zijn, zou het aantal moorden met de helft afnemen, zouden mentale ziekten met twee derden verminderen, zou obesitas halveren, zou het aantal gevangenen met 80% verminderen, zouden er 80% minder tienerzwangerschappen zijn en zou het vertrouwen met 85% stijgen. Of dat niet de moeite is! Ik beweer niet dat het een op één eenvoudige manier uit het ander voortkomt. Ik beweer ook niet dat er geen belangrijke methodologische problemen te signaleren zijn met dat boek.9 Maar dat er een samenhang is, lijkt me niet zomaar te loochenen.

GELEIDE ECONOMIE

Niemand betwist dat de markt in zeker opzicht vrij moet zijn. Alleen valt het verschil tussen liberalisme en socialisme niet te herleiden tot de mate waarin men vrijheid toelaat. Socialisme moet de markt leiden en wel binnen grenzen van duurzaamheid en rechtvaardigheid. Het duurt gewoon veel te lang voor een vrije markt reageert op een naderende afgrond. We weten al veertig, of zelfs vijftig, jaar dat er alternatieve energiebronnen moeten worden ontwikkeld, maar vandaag wordt kernenergie toch nog verdedigd met het argument dat er te weinig alternatieven zijn. We weten al lang dat arbeiders gemiddeld minder lang leven dan intellectuelen en dat het pensioen van die intellectuelen voor een deel betaald wordt door die arbeiders. We weten al lang dat Walen twee of drie jaar minder lang leven dan Vlamingen. Dat los je echter niet op door meer groei. We weten al lang dat het bouwen van gevangenissen het probleem van de criminaliteit niet kleiner zal maken. We weten ook al lang dat vanuit de landen van het Zuiden uiteindelijk meer geld stroomt naar het Noorden dan omgekeerd. En zo kun je nog een tijd doorgaan. Als je de economie niet ondergeschikt maakt aan wat de mensen nodig hebben, los je dat soort problemen nooit op.

Geert Janssens, hoofdeconoom van VKW Metena, legt in De muizenval10 de vinger op de wonde. Hij heeft het bijvoorbeeld over de verhalen die door Alan Greenspan, jaren voorzitter van de Amerikaanse Centrale Bank, verteld werden. Hij noemt hem zelfs de grootste verhalenverteller van de voorbije decennia. Miljoenen mensen hebben hem geloofd. En toch moest hij op een bepaald moment aan het Amerikaanse Congres toegeven dat hij zich vergist had. Hij had een sprookje verteld, volgens Geert Janssens van hetzelfde niveau als het verhaal dat spinazie eten kracht geeft. Een Popey-verhaaltje. Bij Greenspan ging het om lage rentevoeten en veel geldcreatie. Hij hielp mee aan de zeepbellen die op een bepaald moment onvermijdelijk moesten uiteenspatten. Maar mensen geloven graag Popey-verhaaltjes. Ze zijn helemaal niet zo rationeel. Meestal zien ze slechts een klein stukje van de werkelijkheid, het stukje dat ze het liefst zien. Misschien gaan markten wel efficiënt om met informatie, maar we weten gewoon nooit alles. Onze beslissingen worden meebepaald door sociale, psychologische en emotionele factoren. Door die menselijke drijfveren kunnen economieën op bepaalde momenten zeer labiel zijn. De onzichtbare hand van Adam Smith werkt alleen als de overheid zorgt voor een gepaste omkadering, die probeert de emoties te sturen en te temperen. Dat mag, voor een medewerker van VKW Metena, natuurlijk niet te ver gaan, maar hij heeft toch door dat mensen, ook topmensen, regelmatig uitglijden. Of dit op te lossen is door meer kennis van financiële zaken of door de kat niet bij de melk te zetten of door simpelweg iedereen te laten opdraaien voor wat hij veroorzaakt, is een andere zaak. Ik denk dat het fundamenteler moet, maar ik leer bij Geert Janssens dat het economisch systeem gebouwd is op irrationele drijfveren en voortgeholpen wordt door sprookjes.

VRIJE MARKT

Een knap en helder pleidooi voor de vrije markt vinden we bij Peter De Keyzer, hoofdeconoom van BNP Parisbas Fortis. De titel van zijn boek is een programma: Groei maakt gelukkig, de ondertitel Een optimist over vrije markt en vooruitgang11 een credo. Voor De Keyzer is de vrije markt altijd al de meest efficiënte manier geweest om de welvaart van de ganse samenleving vooruit te helpen. Het is een dagelijkse opiniepeiling, waarbij de burgers permanent om hun mening worden gevraagd. Inperkingen van die vrijheid kunnen wel goedbedoeld zijn, maar ze hebben altijd onbedoelde negatieve effecten. Belangrijk is dat de eigendomsrechten heel goed afgebakend zijn, zodat de kosten voor zogenaamde externaliteiten niet kunnen worden afgewenteld op de samenleving. Voor de rest wordt alles opgelost door de menselijke vindingrijkheid, die onbeperkt is. De verbetering van de productiviteit is de enige factor die echt zorgt voor een toename van de welvaart. Ook de zogenaamde explosie van de bevolking zal worden opgelost. Men moet die niet zien als een probleem, maar als een explosie van gezondheid. Dat komt in orde: ‘Geef de mens een uitdaging, geef hem alle vrijheid om er voor te gaan en hij zal ze overwinnen.’ (139) Er zijn vandaag nog altijd erfgenamen van de luddieten die de moderne weefgetouwen kapot sloegen omdat ze werk vernietigden. Nieuwe technologieën en innovatie zorgen echter alleen op korte termijn voor problemen, op langere termijn creëren ze vooruitgang.

Het boek van De Keyzer is een verstandig boek. Toch getuigt zijn basishypothese - vindingrijkheid is onbeperkt - van een onvoorstelbare naïviteit. Alle problemen, van vervuiling, uitputting van de grondstoffen, klimaatopwarming en noem maar op, zullen op tijd opgelost worden. Wie dat niet gelooft is een misantroop, heeft geen vertrouwen in de mens. Dat is natuurlijk onvervalst 18de eeuws vooruitgangsoptimisme. En niemand kan ontkennen dat sindsdien een en ander gerealiseerd is. Er is welvaart en er is vrijheid, tenminste tot op zekere hoogte en in bepaalde plaatsen op de wereld en ook al is daar behoorlijk wat geweld aan verbonden.12 Maar het geloof dat vooruitgang onbeperkt zou zijn, is irrationeel. Een sprookje. Een Prometheïsche gedachte. Ik verwijs nogmaals naar Ton Lemaire, voor wie Prometheus juist symbool staat voor vooruitgang, voor de idee dat alle belangrijke problemen opgelost kunnen worden door meer wetenschappelijke kennis, betere apparaten en meer productie. Lemaire noemt dit bijgeloof, een gevaarlijke surrogaatreligie.

In De Morgen van zaterdag 22 februari 2014 stond een mooie illustratie onder de kop: ‘Balearen vechten tegen oliewinning’. Het komt erop neer dat de Spaanse regering een deel van de Middellandse Zee wil ontsluiten voor oliewinning. Ze wil dan natuurlijk eerst die onderzeese voorraad onderzoeken. Daartoe moeten gedurende maanden op dieptes van 200 tot 3000 meter bommen gedropt worden, waarvan de echo’s aanduidingen geven over de voorraden. Jammer voor de walvissen en andere zeedieren. Is het protest tegen die geluidsbommen verkeerd begrepen eigenbelang? Of gaat het hier echt om een systeem dat ontspoord is? Ik heb het in elk geval meer voor Noels, die schrijft: ‘Ongebreideld kapitalisme heeft de mens weinig andere banden overgelaten dan het naakte eigenbelang en de objectieve ruilwaarde.’ (208) Noels heeft begrepen dat de wereld eindig geworden is en dat de grenzen in zicht komen. Ik zoek liever met hem hoe we een duurzame samenleving kunnen realiseren, waarin individu en collectiviteit verzoend worden. Nu wordt de zogenaamd vrije markt voortgestuwd door elementaire hebzucht. Er zijn misschien juridische beperkingen, maar geen morele. En dat is het basisprobleem.

VOOR EEN ETHISCHE ECONOMIE

Robert Skidelsky heeft samen met zijn zoon Hoeveel is genoeg?’13 geschreven. Het antwoord draait om het goede leven en helemaal niet om groei. Over wat dat goede leven dan wel is, kan men lang debatteren. Maar het is in elk geval een leven dat grenzen durft stellen, dat beperkingen kan aanvaarden. In een ander boek, De terugkeer van de meester14 over Keynes, drukt Robert Skidelsky zijn overtuiging uit dat de grondoorzaak van de recentste crisis ligt bij het intellectueel tekortschieten van de economisten: ‘Slechts zelden in de wereldgeschiedenis hebben zulke begaafde mensen zich aan zulke vreemde denkbeelden overgegeven. Het krankzinnigste idee daaraan is wel dat de participanten op de markt in doorsnee juiste opvattingen hebben over wat er in de eindeloze toekomst met de prijzen zal gebeuren.’(15) In dat opzicht was Keynes er precies overtuigd van een onontkoombare onzekerheid over de toekomst, een principiële onzekerheid.

Economisten zijn dikwijls verhaaltjesvertellers. Al te vaak proberen ze ons nog wijs te maken dat het volstaat dat iedereen zijn eigen belang nastreeft. Alle problemen zijn, met wat vindingrijkheid, op te lossen. Zij proberen te verbergen dat ook de vrije markt put uit een verborgen religieuze inspiratie. De vrije markt is geen rationeel gebeuren. De spelers op die markt kennen geen maat en hollen maar door. Het gaat natuurlijk wel over economie, maar het zou moeten gaan om een economie die door ethische principes gedreven wordt. In dat licht is innovatie geen remedie op zich, maar enkel als antwoord op vragen als: waarom en waartoe?

Is zo’n ethische economie mogelijk? Mij lijkt het hoopvol dat ook bij mensen die aan de kant van het bedrijfsleven staan het besef groeit dat de huidige economie onhoudbaar is, dat we die niet zonder ongerust te worden aan onze kinderen en kleinkinderen kunnen overlaten. Happy profit. Ga voor winst en wees er trots op15, van Herman Toch, legt daar getuigenis van af. De auteur vindt dat we ons op een kantelmoment bevinden, waarbij duidelijk is dat het geloof in een economisch model van onbegrensde consumptie en groei onhoudbaar is. Als consultant roept hij bedrijven op om grenzen positief op te vatten. Het gaat er niet om om te groeien, om groter te worden, maar om beter te worden. Streven naar onbeperkte welvaart is niet duurzaam: ‘Het neoliberale verhaal loopt hierdoor op zijn laatste benen’. (63) In een nieuw verhaal is winst geen doel, maar een beloning voor wie oplossingen aanbiedt om de wereld beter en de mensen gelukkiger te maken. In de nieuwe economie wordt niet voor de korte termijn gewerkt, maar voor de lange termijn. Vertrouwen en duurzame relaties staan voorop. Het lineaire denken wordt ingeruild voor een systeemdenken, waarbij niet alles draait om bezit maar om toegang. De economie wordt circulair, waarbij de druk op het milieu en de grondstoffen gelost wordt. Het is een decentrale economie, die iedereen de kans geeft om zowel producent als consument te zijn en die ook niet alles wil standaardiseren. Het is ten slotte vooral een open economie, met het besef dat een individu het niet alleen kan, maar zich moet aansluiten bij een collectieve intelligentie. Is dat niet verbluffend?

WAAR DE LAT LIGT

Het gaat erom dat economie werkt volgens de principes die mensen er in steken. De principes van de huidige economie zijn aan vervanging toe. En men hoeft niet te wachten tot dit vanzelf gebeurt. Het is immers geen zaak van natuurwetten, maar van menselijke wetten. Het is een politieke kwestie. En menselijke wetten kunnen wel degelijk veranderen. Gaat het om socialisme of niet? Kapitalisme en socialisme mislukken precies daarin dat ze doeleinden uit het oog verliezen en zich overgeven aan een eindeloze ontplooiing. Marx verdedigde het kapitalisme, weet je wel. Misschien zijn we allemaal al te lang zijn leerlingen geweest. Groei en welzijn zijn niet noodzakelijk tegengesteld, maar doorgeschoten groei leidt onvermijdelijk naar de afgrond. Misschien kunnen we inspiratie vinden in het meest recente boek van Jeremy Rifkin, The Zero Marginal Cost Society.16 Hij ziet een nieuw economisch paradigma ontstaan uit ‘The internet of things’, een terugkeer naar de ‘commons’ die functioneren op basis van empathie en participatie. Wanneer eigendom minder belangrijk wordt dan toegang, kan de vuilnisman misschien eindelijk meer verdienen dan de bankier.

Socialisten moeten dringend deze discussie opnemen. Met deze bijdrage heb ik er op gewezen dat economie gebaseerd is op politieke keuzes. Liberalisme is evenzeer een ideologische keuze als socialisme. Beide kunnen gevaarlijk zijn. Socialisme moet in elk geval gaan voor een andere economie, maar ook voor een andere overheid. Doelgerichtheid en besef van eindigheid zijn de sleutels. Het goede leven moet de richting aangeven. Realiseren van gelijkheid is corebusiness. Het zijn niet alleen socialisten die dat begrepen hebben, maar voor hen ligt de lat daar. De Griekse kwestie heeft een belangrijke breuklijn getoond. Te weinig socialisten hebben op Europees niveau gekozen voor een economie van het goede leven.

Luc Vanneste
Redactielid Samenleving en politiek

Noten
1/ R. Bregman en J. Frederik, Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers, Stichting maand van de filosofie, 2014.
2/ H. Achterhuis, De utopie van de vrije markt, Lemniscaat, Rotterdam 2010.
3/ G. Noels, Econoshock. Hoe zes economische schokken uw leven fundamenteel zullen veranderen, Houtekiet, Antwerp 2010.
4/ G. Noels, Econoshock 2.0. Van industriële revolutie naar duurzaamheidsrevolutie, Lannoo/Canvas, Tielt 2013.
5/ J. Stiglitz, Freefall. Free markets and the sinking of the global economy, Allan Line 2010.
6/ T. Lemaire, De val van Prometheus. Over de keerzijden van de vooruitgang, Ambo, Amsterdam 2010.
7/ R. Boehm, Kritiek der grondslagen van onze tijd, Wereldvenster, Baarn 1977 (1974).
8/ R. Wilkinson & K. Picket, The spirit level. Why equality is better for everyone, Penguin books, London 2010 (2009).
9/ M. Elchardus, Zijn we gebaat bij een waterpas?, in: Samenleving en politiek 01/13, pp. 4-11. Zie ook S. Janssen en A. Schollaert, De waterpas doet het nog steeds, in: Samenleving en politiek 06/11, pp. 57-65.
10/ G. Janssens, De muizenval. Waarom de volgende crisis onvermijdelijk is, Davidsfonds, Leuven 2014.
11/ P. De Keyzer, Groei maakt gelukkig. Een optimist over vrije markt en vooruitgang, Lannoo, Tielt 2013.
12/ M. Van Rossem, Waarom de stoommachine geen Chinese uitvinding is. Hoe het westen zo welvarend kon worden, New Adam 2013.
13/ R. en E. Skidelksy, Hoeveel is genoeg? Geld en het verlangen naar een goed leven, De Bezige Bij, Amsterdam 2013 (2012).
14/ R. Skidelksy, Keynes. De terugkeer van de meester, De Bezige Bij, Amsterdam 2010 (2009).
15/ H. Toch, Happy profit. Ga voor winst en wees er trots op, Lannoo Campus, Leuven 2014.
16/ J. Rifkin, The zero marginal cost society. The internet of things, the collaborative commons and the eclips of capitalism, Palgrave Mc Millan, New York 2012.

gelijkheid - economie - vrije markt

Luc Vanneste
Redactielid Samenleving en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 7 (september), pagina 71 tot 78