Log in

'Ongelijk maar fair'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 8 (oktober), pagina 89 tot 93

Ongelijk maar fair

Marc De Vos
Lannoo Campus, Leuven / Itinera, Brussel, 2015

Je moet het hem nageven, het enthousiasme van Marc De Vos werkt aanstekelijk. Als een soort academische versie van Oscar Wilde betreedt hij de arena van het ongelijkheidsdebat. Hij doet dat in een zeer toegankelijke en vlotte stijl. Het boek leest op de meeste plaatsen als een trein en er wordt vlot het verband gelegd tussen historische gebeurtenissen, filmgeschiedenis, politiek, statistiek en nog veel meer. Impressionisme in plaats van het gebruikelijke pointillisme, zo stelt De Vos het zelf. En in dat opzet is hij alleszins geslaagd.

Aan ambitie ontbreekt het evenmin. Zijn zelfverklaarde tegenstanders zijn niet de minste. De Vos wil met zijn boek niets minder dan de handschoen opnemen tegen grote namen als Thomas Piketty, Richard Wilkinson en Kate Pickett en zelfs Karl Marx. De twee vragen die centraal staan in het boek, zijn zeker het stellen waard: 1) Is het werkelijk zo erg gesteld met de mate van ongelijkheid in onze samenleving? en 2) Is die ongelijkheid een probleem?

De keuze van de ‘tegenstanders’ en de titel van het boek geven al aan in welke richting de auteur zijn antwoorden zal vinden. Maar daarover zo meteen meer. De weg die hij daarbij bewandelt is wel verrassend. De auteur slaagt erin om één vloeiende redenering op te bouwen die gedurende het hele boek wordt aangehouden. Hij doet dat ook met humor, hetgeen als resultaat een soort jovialere, meer goedlachse variant op Ayn Rand oplevert. Een rechtse ideoloog waarmee je nog wel eens een pint zou willen gaan drinken. Op voorwaarde dat hij betaalt, uiteraard.

Vraag 1: hoe ongelijk is ongelijk?

Het uitgangspunt om deze vraag te tackelen is origineel: als het bnp een te eenzijdige manier is om naar economie te kijken - omdat het heel wat dingen niet meet - geldt dan hetzelfde ook niet voor de GINI-coëfficiënt? Deze neemt immers een statische foto en houdt geen rekening met een aantal demografische en maatschappelijke evoluties die het resultaat vervormen.

Beter is het, volgens de auteur, om de evolutie op langere termijn te bekijken én op het niveau van typegezinnen of bepaalde groepen in de bevolking. Een historische analyse op die leest geschoeid levert als resultaat op dat we er met zijn allen vooral erg op vooruit zijn gegaan de laatste decennia. Dit gegeven is belangrijker in het ongelijkheidsdebat dan de vraag of de economisch meest succesvolle medemensen onder ons nu wel of niet te veel verdienen. Ongelijke vooruitgang, zo stelt het boek, is een goede samenvatting van hoe onze samenleving is geëvolueerd in pakweg de laatste zeventig jaar.

Eerlijk gezegd kan ik me tot op zekere hoogte vinden in dit argument. De vooruitgangsidee mag best een plaats krijgen in het debat en misschien is dit zelfs door andere auteurs wat te veel geweerd of genegeerd om andere punten te kunnen maken. Het doet denken aan de benadering van Hans Rosling en diens Gapminder website, waar je allerlei statistieken kan terugvinden die aantonen hoe we er als collectief op zijn vooruitgegaan over de eeuwen heen, ook op domeinen waar je dat intuïtief niet zou verwachten.

Er zijn hierbij wel twee bedenkingen te maken: de nadruk op vooruitgang mag niet als drogreden gebruikt worden om elk debat over herverdeling monddood te maken. Het mag verder ook niet op zich als argument dienen om te stellen dat ongelijkheid geen probleem is. Geen van beide stellingen vind ik echter zwart op wit terug bij De Vos, die met zijn benadering vooral nuanceert en misschien wat suggereert. Tot daar toe alles goed dus.

Verderop in het boek ontspoort de auteur wel een beetje, bijvoorbeeld wanneer hij stelt dat er geen klassen meer zijn of wanneer hij zich wel erg positief uitlaat over de kansen op sociale mobiliteit van de middenklasse. Hier bezondigt hij zich aan wat hij anderen verwijt. De ‘ongelijkheidsobsessie’ van wat hij zijn tegenstanders noemt - een blinde vlek voor mogelijke positieve effecten van ongelijkheid - slaat bij de auteur om in een andere blinde vlek. Het is de vaststelling van de auteur dat we er als geheel vooral op vooruit zijn gegaan, maar de oorzaken van die vooruitgang schijnt hij quasi uitsluitend te wijten aan de economische wetmatigheden van de markt, technologische ontwikkelingen en aan de drive van het ondernemerschap. Vooruitgang van sommigen leidt automatisch tot de vooruitgang van iedereen. Wat met de rol van de sociale strijd? Wat met de vaststelling dat toch heel wat van die vooruitgang er helemaal niet vanzelf is gekomen maar moest worden afgedwongen in pakweg de voorbije honderd jaar? Het gaat daarbij niet enkel over inkomen, maar ook over andere verworven rechten. Hoeveel van de ‘ongelijke vooruitgang’ is vooruitgang die louter en alleen verworven werd door sociale strijd? Daarover blijft het oorverdovend stil.

We komen aldus bij vraag 2: is ongelijkheid een probleem?

Ongelijkheid is als cholesterol: er is goeie en slechte, dat is de stelling waarvan de auteur vertrekt. De Vos erkent de risico’s van een te grote concentratie van kapitaal en de mogelijke negatieve effecten daarvan op gelijke kansen voor iedereen. Maar niet zozeer de ongelijkheid zelf is dan het probleem, zegt hij, wel het gebrekkige kansenbeleid. En dat is dan ook wat je moet bijsturen.

De markt is, volgens de auteur, nog steeds de meest faire manier om verdienste te objectiveren en om er zo voor te zorgen dat opbrengsten op de juiste plaats terechtkomen. De nood aan herverdeling wordt niet echt in vraag gesteld, maar deze moet vanuit het bieden van gelijke kansen worden bekeken, eerder dan vanuit een gelijke verdeling van de welvaart.

Hierbij wordt er ook teruggegrepen naar de stelling van 'ongelijke vooruitgang'. Goede ongelijkheid is die ongelijkheid die maakt dat we er met z’n allen op vooruitgaan en het is niet noodzakelijk unfair dat er een verschil in inkomen bestaat, hoe groot dat verschil ook is. Het gaat in onze hedendaagse samenleving niet langer over arbeid versus kapitaal, maar over arbeid die leidt tot kapitaal. De 1% is de 1% omdat zij ervoor gewerkt hebben. Veel meer dan een soort nieuwe adel - al erkent de auteur wel dit potentiële probleem - gaat het om ‘hardwerkende rijken’. Dit beargumenteert hij onder andere door te wijzen op de mobiliteit binnen de groep allerrijksten en het aandeel ‘self made men’ daarin. Het echte probleem, ten slotte, zit niet zozeer in de evolutie tussen toplaag en de onderste groep in de inkomensverdeling, maar wel in de evolutie die sommige groepen doorheen de tijd doormaken. Dit omdat sommigen, bijvoorbeeld migranten, minder of niet kunnen genieten van de algemene vooruitgang die voor iedereen geldt. Hoe krijgen we de gelijke kansen tot bij hen?

Dit is de lijn die doorheen het boek wordt volgehouden. Het is een duidelijke en heldere boodschap, al wordt die naar het einde toe wel wat flou en esoterisch wanneer De Vos het begrip van ‘menskapitalisme’ introduceert. Opnieuw een variant op hoe verdienste speelt in het debat. ‘Mensongelijkheid’ is nu eenmaal een feit en dus zal er altijd ongelijkheid zijn. Het is een beetje een bestofte dooddoener in een nieuw jasje.

En daarmee komen we bij het grootste probleem dat ik heb met dit boek, en dat is dat het blijft steken in de welles nietes over verdienste. De kernvraag, zo stelt de auteur al in het eerste hoofdstuk, is wanneer we inkomen en rijkdom als verdiend kunnen beschouwen.

Maar dat klopt niet. Wie de discussie focust op verdienste, of hij daarbij nu vertrekt vanuit de stelling dat rijkdom doorgaans onverdiend dan wel doorgaans verdiend is, is immers eigenlijk naast de kwestie bezig. Een voorbeeld kan dit illustreren. Meer bepaald het voorbeeld dat De Vos zelf in zijn boek hanteert: Steve Jobs.

Is het succes van Steve Jobs een verdienste van hemzelf of niet?

Er is al heel wat inkt rond gevloeid. Het ene kamp stelt nogal rigoureus dat technologische innovatie aan de basis ligt van het succes van pakweg de iPhone. Jobs oogstte alleen de prestaties van wetenschappers. Neen, zeggen anderen, waaronder Marc De Vos: al die innovatieve patenten die tot de iPhone hebben geleid, zijn op zichzelf niets waard. Enkel het marktinzicht en de frisse kijk van Steve Jobs hebben er ook iets van gemaakt dat waarde heeft, in economisch opzicht. Iets dat jobs gecreëerd heeft en welvaart en zelfs culturele implicaties heeft gehad. Verdienste is dus wel degelijk individueel en geconcentreerd in 1 persoon in dit verhaal.

Mariana Mazzucato prikte al enkele gaten in bovenstaande stelling, die natuurlijk niet echt nieuw is. Zij wees erop dat zowat elk stukje technologie dat in de iPhone zit, ontwikkeld werd door onderzoekers die op een of andere manier op de loonlijst van de overheid stonden. Met andere woorden: de idee voor het product mag dan uit een marketingbrein ontsproten zijn, de investeringen en het risico om het te ontwikkelen kwamen uit gemeenschapsmiddelen. Op zijn minst zou dit een nuancering mogen zijn in het verhaal van De Vos. Verdienste is zelden alleen een zaak van individuen, maar ook van de inzet van werknemers en van gerichte keuzes vanuit de overheid, financieel gedragen door de gemeenschap. Dit element ontbreekt in het boek. Een tweede blinde vlek?

Wat is verdienste en wat niet? Het is een belangrijke vraag omdat het antwoord erop implicaties heeft op de mate van herverdeling die we moeten nastreven. Hoeveel van de merite is collectief en hoeveel van de opbrengst dient daarom terug te vloeien naar dat collectief?

De kern van het ongelijkheidsdebat ligt mijns inziens echter elders. En er is een ander onderdeel van het levensverhaal van Steve Jobs dat volgens mij raakt aan die kern. Meer bepaald heb ik het over zijn dood.

Steve Jobs stierf ten gevolge van alvleesklierkanker. Een ziekte die eender wie zou kunnen treffen. Noch verdienste, noch schuld hebben daarmee iets te maken. De interessante vraag is dan: in welke mate heeft ziekte op het leven van Steve Jobs dezelfde impact gehad als die zou hebben op één van de arbeiders in een fabriek van Foxconn?

Het is een ongemakkelijke vraag om te stellen, omdat leed vergelijken iets onkies heeft. Maar het is wel waarover het gaat. Als algemene tegenslagen waarvoor we zelf niet of nauwelijks verantwoordelijk kunnen worden geacht, een andere invloed op ons leven hebben omdat we onszelf elders op de inkomensschaal bevinden, dan is dat een onweerlegbare vaststelling van ongelijkheid. En die heeft niets met verdienste te maken.

De vraag wordt dan: welke mate van ongelijkheid willen we aanvaarden? Het excuus van verdienste is hierbij niet nodig, het is een louter morele keuze. In welke mate zijn we bereid te aanvaarden dat de ene persoon financieel geruïneerd geraakt door ziekte en de andere niet? In welke mate is het aanvaardbaar dat generatiearmoede ontstaat vanuit een stomme, financiële tegenvaller in één generatie? Het wegwerken van dat soort ongelijkheid, waar niets fair aan te bespeuren is, zou de eerste prioriteit moeten zijn.

En dat is wat het vertrekpunt zou moeten zijn voor wie over ongelijkheid spreekt. Niet zozeer of we dezelfde kansen krijgen, wat we met die kansen doen en in welke mate dat onze verdienste is. Dat is de vraag in tweede orde. Gelijke kansen geven om iets te maken van je leven is een zaak, maar gelijke bescherming tegen de impact van tegenslagen is minstens even belangrijk, zo niet belangrijker. En dat is de derde grote blinde vlek in het boek van Marc De Vos.

Het lijdt weinig twijfel dat er inderdaad een groot verschil is in de impact van tegenslagen. Kijk alleen al maar naar ziekenhuisfacturen of de kosten van een advocaat in onze eigen samenleving. Wanneer we de zaak - net als de auteur van dit boek - op wereldschaal bekijken, geldt dat nog veel sterker. Meer onderzoek naar hoe erg de impact van tegenslag verschilt en waarom de bestaande systemen hier onvoldoende tegen kunnen beschermen, is nodig. Natuurlijk moet je dan wel bereid zijn om ook de piste te verkennen dat meer sociale zekerheid misschien wel eens het antwoord zou kunnen zijn.

Al bij al had ik dus liever een boek gezien dat 400 pagina’s wijdt aan de vraag hoe we dergelijke evidente gevolgen van ongelijkheid kunnen wegwerken, eerder dan aan het herkauwen van het verdienste-debat en het (op zich niet volledig onterechte) nuanceren tussen goede en slechte ongelijkheid. Na afloop blijf je als lezer toch hangen met het gevoel dat, alle spitsvondigheden ten spijt, de olifant in de kamer bewust of onbewust straal genegeerd werd.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 8 (oktober), pagina 89 tot 93