Log in

'Tax shift'

Uitgelezen

Tax shift

Ivan Van de Cloot en Karel Volckaert
Lannoo Campus, Leuven / Itinera, Brussel, 2015

Fiscaliteit is al geruime tijd een ‘hot topic’ in het Belgische politieke debat. België is een land dat relatief veel belastingen heft en de laatste jaren is er een toenemend aanvoelen dat de financiering van de openbare dienstverlening en de sociale zekerheid nog veel ruimte voor meer rechtvaardigheid laat. Dit aanvoelen werd aangewakkerd door een aantal omstreden beleidsmaatregelen als de notionele intrestaftrek, de afkoopwet en de verschillende regularisatierondes. Met het uitbreken van de financiële en economische crisis, en de daaropvolgende besparingspolitiek, heeft deze discussie enkel aan urgentie gewonnen. De belangrijkste belofte waarmee de regering-Michel de grote sociale protestgolf in de herfst van 2014 heeft proberen bedaren, was het vooruitzicht van een zogenaamde tax shift van arbeid naar consumptie, milieu en vermogen. Eind juli heeft iedereen kunnen vaststellen welke invulling de regering-Michel aan deze belofte heeft gegeven. In het begin van de zomer verscheen, in volle tax shift discussie, het boek van Ivan Van de Cloot en Karel Volckaert waarin zij de bijdrage van de denktank Itinera aan deze discussie hebben gebundeld.

In tegenstelling tot wat de ondertitel lijkt te suggereren focussen Van de Cloot en Volckaert in hun boek niet zozeer op de redenen waarom ons fiscaal systeem volgens hen op de schop moet, hun betoog legt voornamelijk de nadruk op de voorwaarden waar een tax shift voor hen aan moet voldoen. Eerder verspreid worden wel een aantal argumenten aangegeven waarom het huidige Belgische fiscale systeem niet langer houdbaar zou zijn. Deze zijn het belasten van arbeid ‘als was het een giftig goedje’, het kluwen aan aftrekken en belastingverminderingen en de relatief hoge mate van herverdeling door middel van de personenbelasting en de sociale zekerheid, welke door de auteurs enigszins geproblematiseerd wordt. De auteurs verwijzen ook naar de vergrijzingskost als een belangrijk argument voor een tax shift, maar werken dit argument weinig uit. Het is evenmin duidelijk of de auteurs in deze context al dan niet een verhoging van de overheidsinkomsten (en dus geen ‘zuivere’ tax shift) bepleiten.

Itinera geeft aan met haar bijdrage vooral ‘het onzalige geschil’ tussen links en rechts inzake fiscaal beleid te willen overstijgen door tot een beter begrip te komen van de economische welzijns- en gedragseffecten van belastingmaatregelen. Dit opzet lijkt oprecht te zijn in de manier waarop de auteurs hun argumentatie ontwikkelen. Ze hanteren daarbij als analyse-instrument de economische theorie van de optimale belasting, gebaseerd op de principes uiteengezet door de Britse econoom James Mirrlees. Deze proberen een evenwicht te vinden tussen de effecten op de inkomensverdeling, op de algemene welvaart en op het gedrag van burgers van een nieuwe belastingmaatregel. De auteurs formuleren de terechte verzuchting dat er in België veel te weinig aandacht gaat naar een grondig en gefundeerd debat over de diverse effecten van bestaande en nieuwe fiscale maatregelen. Deze verzuchting geldt trouwens a fortiori voor de Vlaamse Regering, die zich blijkbaar heeft voorgenomen om het tijdens elk begrotingsconclaaf op een akkoordje te gooien over één of andere partiële belastinghervorming ver weg van parlement en publieke opinie. De keuze van het Brusselse Gewest om een open debat te voeren over een brede fiscale hervorming is dan weer een goed voorbeeld dat het wel kan.

De eenzijdige economische invalshoek van de auteurs brengt wel met zich mee dat fiscaal-juridische en handhavingsaspecten onderbelicht blijven of enkel worden beschouwd in het kader van individuele keuzes als reactie op bepaalde tariefstructuren. Wel wordt er een pleidooi gehouden voor de oprichting van één centraal fraudebestrijdingsagentschap. Ook de theorieën rond begrotingsfederalisme, die in de Belgische context natuurlijk van niet te onderschatten belang zijn, worden niet behandeld. Daarnaast schenken de auteurs ook weinig aandacht aan de beperkingen van de theorieën rond optimale belastingen. Zo worden de basisveronderstellingen van de Mirrlees-methode (ontmoedigend effect belastingen heeft enkel effect op aantal gewerkte uren, loonverschillen zijn een gevolg van productiviteitsverschillen en perfecte mededinging) nergens geëxpliciteerd. Inzichten die deze basisveronderstellingen corrigeren uit bijvoorbeeld een ‘behavioural economics’-benadering worden niet aangehaald, behalve bij de discussie over een meerwaardebelasting. Erger nog is dat de lezer niet alleen wordt geïntroduceerd tot economische theorieën waar er een brede academische consensus over bestaat, maar daarnaast ook op een kritiekloze wijze dubieuzere modellen, zoals de befaamde Laffer-curve, krijgt voorgeschoteld. Een ander voorbeeld is de wijze waarop de auteurs omstandig stilstaan bij de beperkingen van statische modellen (die effecten voor herverdelings- en overheidsinkomsten berekenen zonder rekening te houden met gedragswijzigingen) in vergelijking met zogenaamde dynamische modellen, zonder dat er echter wordt aangegeven dat de resultaten van deze dynamische modellen vooral gedetermineerd worden door de assumpties die er aan de basis van liggen. Het is dan ook maar de vraag welke van beide benaderingen de realiteit (zeker op korte termijn) het best benadert. Eveneens storend is de wijze waarop een aantal beweringen gewoonweg niet worden gestaafd, zoals die over een vermeend tekort aan risicokapitaal in België.

De aanbevelingen die de auteurs in hun boek naar voor schuiven zijn over het algemeen een waardevolle bijdrage tot het debat, maar verschillen sterk in de mate waarin ze geconcretiseerd worden. Zeer concreet is alvast het terechte pleidooi voor een dringende herziening van de kadastrale inkomens, omdat de verschillen in onroerende voorheffing tussen eigenaars van gelijkaardige woningen vandaag op geen enkele manier meer te rechtvaardigen vallen. Over het algemeen blijft het boek echter eerder beschouwend en worden voor- en nadelen van bepaalde benaderingen netjes naast elkaar opgesomd. Wel duidelijk is de voorkeur van de auteurs voor een verschuiving naar btw en andere verbruiksbelastingen. Een (lichte) vermindering van het herverdelend karakter van ons belastingsysteem is een prijs die de auteurs daarvoor graag betalen. Enigszins verwarrend voor de lezer is wel het gebrek aan consistentie in de pleidooien voor of tegen bepaalde maatregelen. Zo wordt er (terecht) kritiek gegeven op de woonbonus omwille van het prijsverhogend effect, maar wordt er een hoofdstuk later wel gepleit voor het verminderen van de registratierechten bij aankoop van een woning. Het is evenwel aannemelijk dat een dergelijke vermindering een nog veel groter effect zal hebben op de prijs die de verkoper kan vragen dan de woonbonus. Een ander voorbeeld is het grote belang dat in de bespreking van de vermogensfiscaliteit wordt gehecht aan het niet verstoren van de keuze tussen sparen en consumeren. In het pleidooi voor meer btw-inkomsten komt dit aspect evenwel in het geheel niet aan bod.

In 170 pagina’s kan men natuurlijk nooit volledigheid nastreven, maar toch is het ook opvallend welke zaken er niet door de auteurs worden besproken. Zo wijzen de auteurs er wel op dat de gedragseffecten van de inkomstenbelasting op vlak van werken vooral van belang zijn aan de zogenaamde extensieve marge, maar wordt daar niet de conclusie aan gekoppeld dat een gerichte lastenverlaging op lage lonen te verkiezen valt boven algemene lastenverlagingen. Ook inzake vermogensbelasting wordt er verschillende malen gepleit voor een gelijke belasting op verschillende vormen van vermogensinkomen (afschaffen van de voorkeursbehandeling voor intresten op spaarrekeningen), maar naar wat dit principe inhoudt in het kader van de recente discussies over de liquidatiebonus heeft de lezer het raden.

De waarde van het boek van Van de Cloot en Volckaert vertaalt zich vooral in de toegankelijke introductie die de lezer wordt geboden met een aantal belangrijke economische theorieën rond belastingen. De enigszins pedante houding ten opzichte van politici en openbare dienstverlening krijgt de lezer er gratis bij, net zoals de bij momenten bijna gênante idolatrie voor het ondernemerschap. De lezer die op zoek is naar een grondige introductie tot de economische aspecten van het Belgische belastingstelsel is daarom nog steeds het beste af met het standaardwerk hierover uitgegeven onder de redactie van André Decoster en Christian Valenduc (Belastingen en fiscaal beleid in België, Acco, 2011).

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 8 (oktober), pagina 94 tot 96