Log in

'Don't Even Think about It'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 100 tot 102

Don't Even Think about It

George Marshall
Bloomsbury, New York, 2014

Het is een vraag die ik vaak hoor tijdens de workshops die ik (onder de naam van Low Impact Man) geef rond psychologie van verandering, creëren van draagvlak en de paradigmashift in ons hoofd: hoe is het mogelijk dat mensen zo apathisch reageren terwijl het klimaatprobleem zo duidelijk en dringend is? Alle cijfers, hockeysticks en dramatische beelden van woestijnen en ijsberen ten spijt, blijft de burger consumeren, blijft de bedrijfsleider vooral geïnteresseerd in winst en de politicus, tja wat doet die eigenlijk? Op een ietwat mysterieuze wijze glijden de steeds wanhopiger klinkende waarschuwing over de komende klimaatchaos van ons af, als water op het verenkleed van een eend. George Marshall schreef er een boek over: Don’t Even Think About It. Why Our Brains Are Wired to Ignore Climate Change.

Het boek bevat een veertigtal korte hoofdstukken die telkens ingaan op een ander facet van de kernvraag. Dat maakt dat het verhaal soms wat versnippert lijkt, al wordt dat grotendeels goedgemaakt in het laatste hoofdstuk waar alle suggesties overzichtelijk worden samengevat. De onderwerpen die aan bod komen gaan over het belang van ‘framing’, de invloed van onze ‘peers’ op de eigen mening, de filter van onze culturele normen, het fenomeen van de cognitieve dissonantie en de relatie tussen ons wereldbeeld en wat we zien en geloven. Waarom het aantrekkelijker is om leugens te geloven en welke emoties en waarden de klimaatontkenners in de strijd gooien. Marshall wijst op de gevaren van het doemdenken, evengoed als op het te positieve verhaal waar techniek alles zal oplossen.

Een aantal van de aangehaalde onderzoeken naar de menselijke reactie op natuurfenomenen gaat in tegen wat we intuïtief denken. Zo neemt het geloof in klimaatverandering af bij groepen die net getroffen zijn door een grote droogte of overstroming. Een andere verrassing is de impact van het weer op de onze mening. Een onderzoek in New Hampshire toont dat 70% van de respondenten gelooft in klimaatverandering als het onderzoek op een warme dag plaatsvindt. Op een koude dag slinkt de groep believers tot 40%. De auteur geeft trouwens zelf aan dat zijn onderzoek vaak meer vragen dan antwoorden oplevert. Wie dus op zoek is naar een hocus pocus recept om iedereen in geen tijd om te turnen tot overtuigde klimaatactivist zal hier niet veel aan hebben.

De kwestie van de klimaatverandering is de ideale hersenbreker voor wie mikt op gedragsverandering. Klimaatpatronen evolueren geleidelijk, de uitkomst van het proces is onzeker en de effecten zijn (voorlopig) nog ver van ons bed te situeren. Dit is nu net precies het tegenovergestelde van hoe onze hersenen duizenden jaren lang getraind zijn om risico’s in te schatten. Het is bijzonder moeilijk om mensen te overtuigen om iets te doen (bijvoorbeeld de eigen levensstijl aanpassen) waarvan de kortetermijninspanning duidelijk is, maar helemaal niet zeker is of de inspanning op lange termijn wel effect zal hebben en wie er de vruchten zal van plukken.

We reageren snel op bruuske veranderingen die zich vlakbij voordoen en op korte termijn een (vermeende) bedreiging vormen voor onszelf. De reactie op de stijgende aantallen asielzoekers wordt heel anders ervaren dat de klimaatkwestie. Het vluchtelingenprobleem stelt zich plots, en heel zichtbaar, in het hart van onze samenleving. Snel krijgen we schrik dat onze levensstandaard hierdoor in het gedrang komt. Objectieve cijfers over de relativiteit van de aantallen wegen niet op tegen het vaag gevoel van dreiging, dat vaak nog gevoed wordt door opportunistische politici en kortzichtige media. Niet alleen de manier waarop we risico’s inschatten speelt in het nadeel van het klimaatthema, ook hoe onze hersenen functioneren.

Marshall is niet mals voor de milieubeweging en de klimaatwetenschappers. Deze hebben alsnog niet begrepen dat er een verschil is tussen ons emotioneel en ons rationeel brein. Het rationeel brein maakt afwegingen, gaat op zoek naar argumenten en zal op basis daarvan een keuze maken. Het emotioneel brein werkt veel sneller, reageert impulsief en slaagt er meestal in het laken naar zich toe te trekken. We weten allemaal hoe het werkt. Je staat in de winkel en je oogt valt op de nieuwste espressomachine. Rationeel begin je af te wegen of je dit wel nodig hebt, of je niet beter zou wachten tot je eindejaarspremie toekomt, of het niet wat duur is, enzovoort. Maar ondertussen heeft je emotioneel brein allang beslist dat zo’n toestel op je aanrecht veel indruk zal maken op je vrienden. Voor je het weet sta je aan de kassa met je kredietkaart in de hand. Een mooie metafoor voor de dubbelheid waarmee ons brein werkt, is dat van een ruiter op een olifant. De ruiter kan de indruk wekken de olifant te mennen, maar als het beest zin krijgt in het malse gras langs de weg zal de ruiter het zes ton wegende dier niet meer kunnen sturen. Daarbij komt nog dat het inschatten van risico’s vooral gebeurt door ons emotioneel brein, waardoor langetermijneffecten die zich elders voordoen weinig reden tot actie opleveren.

De auteur trekt dan ook van leer tegen al wie via ijsberen aandacht tracht te verwerven voor de klimaatkwestie, evenals de politici die blijven herhalen dat we iets aan het klimaat moeten doen voor onze kinderen en kleinkinderen. De verwijzing naar ijsberen en naar volgende generatie stelt onze hersenen gerust: klimaatverandering is iets van elders en later, dus niets voor hier en nu. Interessant is ook zijn analyse van de strategie van de klimaatontkenners, die er makkelijker in slagen ons emotioneel brein te bereiken. Ze gebruiken humor, eenvoudige metaforen en spelen in op onze neiging om overal complotten in te zien.

Willen we toch verandering krijgen in het gedrag en de geesten van de mensen dan hebben we niet genoeg aan de stevig onderbouwde bevindingen van de klimaatwetenschap. We kunnen ons beter ook verdiepen in de steeds beter gedocumenteerde wetenschap van de psychologie van verandering, de manier waarop we risico’s inschatten en de mechanismen die voor weerstand zorgen.

In het slothoofdstuk staan een aantal suggesties. Maak duidelijk dat klimaatverandering hier en nu plaatsvindt, en dat het veel meer is dan een milieuprobleem, het gaat evengoed om een economische, ethische en maatschappelijke uitdaging. Maak duidelijk dat we ons best voorbereiden op verandering, en dat we die kunnen aangrijpen om een positief verhaal te ontwikkelen. Oplossingen voor het klimaatprobleem kunnen ons helpen om een kwalitatiever leven te bekomen. Wees alert voor je eigen vooroordelen en luister naar andere meningen en vooral de waarden die er achter zitten. Ga op zoek naar een gemeenschappelijk grond in plaats van verder te polariseren. Gebruik verhalen van mensen met een grote integriteit die aansluiten op de doelgroep die je wenst te bereiken. Wees eerlijk over wat je zelf niet weet, en herken mogelijke gevoelens van angst of verdriet. ‘Aanvaarding, compassie, samenwerking en empathie zullen heel andere uitkomsten genereren dan agressie, competitiviteit, beschuldigen en ontkennen. De manier waarop we beslissen te denken over klimaatverandering zal meteen bepalen hoe we denken over onszelf en de wereld die we aan het creëren zijn’. (p. 238)

Het zijn intrigerende slotwoorden die aangeven dat het wellicht toch mogelijk is meer mensen in beweging te krijgen voor de klimaatuitdaging, als we bereid zijn onze strategie grondig te evalueren en bij te sturen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 100 tot 102