Log in

'Planetary Economics'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 94 tot 97

Planetary Economics

Michael Grubb
Routledge, Oxford, 2014

Met Planetary Economics heeft Michael Grubb een turf van een boek geschreven over de economie van onze energiesystemen en de klimaatverandering. In circa 500 pagina’s laat Grubb zien hoe onze energiesystemen evolueren, hoe ze bestuurd worden en hoe we ze kunnen heroriënteren. Gubb is goed geplaatst om deze oefening aan te vatten. Hij verdiende zijn sporen in de onderzoekswereld (hoofd Energie- en Klimaatbeleid aan de Universiteit van Cambridge) en de wetenschapsjournalistiek (hoofdredacteur van het blad Climate Policy). Als adviseur van de Britse Energieregulator Ofgem en als hoofdeconoom van de Britse Carbon Trust, stond hij ook stevig met zijn voeten in de praktijk. Zijn rol als hoofd Energie en Milieu van de wereldvermaarde denktank Chatham House verraadt zijn sterke internationale kijk.

Het boek geeft een antwoord op vragen die wellicht velen onder ons zich ook geregeld stellen: waarom blijken wij - en onze regeringen in het bijzonder - zo onmachtig in het aanpakken van de klimaatverandering en in het beschermen van onze toekomst? Waarom blijven zovele burgers onverschillig tegen die klimaatopwarming, toch een van de meest ingrijpende fenomenen die de leefbaarheid van onze planeet bepalen? Waarom blijven economisch rendabele investeringen in energiebesparing uit? De oorzaak van al dit falen zoekt Grubb in de gedragswetenschappen, in de tekortkomingen van het puur neoklassiek economisch evenwichtsmodel en het belang van langlevende infrastructuur die ons voor lange tijd op één traject kan vastzetten. Die brede analyse vanuit die verschillende invalshoeken is nodig om binnen de drie domeinen ook elkaar versterkende antwoorden te kunnen vinden voor het overbruggen van de geschetste problemen.

Neem nu dat neoklassiek evenwichtsmodel. Volgens dat model bepaalt de prijs op de markt het evenwicht tussen vraag en aanbod. Als de energieprijzen stijgen, dan daalt de vraag en omgekeerd. Alleen blijkt die verhouding tussen energieprijzen en energieverbruik helemaal niet zo eenduidig. Zo kan een stijging van energieprijzen leiden tot investeringen in energiebesparende maatregelen die - eens genomen - niet worden teruggedraaid als de prijzen opnieuw gaan dalen. De verbeteringen op vlak van energie-efficiëntie worden als het ware ‘ingebakken’ in het systeem. Langs de andere kant lijken mensen en bedrijven zich niet altijd even rationeel te gedragen. Ze laten veel economische besparingsmaatregelen links liggen. Omdat ze gewoon zijn de dingen te doen zoals ze altijd werden gedaan. Omdat hun energieverbruik hen niet bezig houdt. Omdat ze de zoektocht naar de beste investering door de beste aannemer, installateur of leverancier te veel gedoe vinden. Omdat ze aan uitstelgedrag leiden of wachten op nog rendabeler technologie. Omdat vroegere beslissingen hen op een bepaald pad vastzetten of nog niet afgeschreven zijn. Omdat ze weinig vertrouwen hebben in de vooropgestelde besparingen. Of omdat men te maken heeft met een gebrek aan zeggenschap (de ‘split incentives’ tussen eigenaar en gebruiker in geval van huur of lease) of aan financiële middelen om ‘up front’ de investeringskost te dragen.

De gedragspsychologie leert ons ook dat verliezen door mensen heel anders getaxeerd worden dan evenredige winsten. Een verlies maakt een zekere emotionele reactie los die niet kan worden gecompenseerd met het plezier van een evenredige winst. Dat maakt de mens ‘risico avers’. Ook gaan we kennelijk niet logisch om met het begrip ‘tijd’: we hechten veel meer belang aan het hier en nu, dan aan toekomstige voordelen of verliezen. Dat doet ons twijfelen aan investeringen in energiebesparing waar de kosten nu moeten worden gemaakt, terwijl de baten voor later zijn (en dan nog eens behept met onzekerheid want afhankelijk van wispelturige energieprijzen en een onvoorspelbaar overheidsbeleid). Die risico aversie en onderwaardering van toekomstige kosten en baten (ook ingebakken in de economische kostenbaten analyses waarin toekomstige winsten en verliezen worden ‘verdisconteerd’) doet velen van ons zweren bij de status quo. We kijken de kat uit de boom. We laten anderen eerst de sprong wagen naar nieuwe investeringen en een gewijzigd consumptiepatroon. Pas als andere in een groep van sociaal gelijken zich een bepaald nieuw gedrag hebben aangemeten, doet de sociale groepsdynamiek zijn werk en trachten de achterblijvers bij te benen (‘keeping up the Johnsons’). Hetzelfde psychologisch gedrag leidt tot conservatisme bij ondernemingen. Werknemers zullen niet snel op hun doos krijgen als ze de dingen doen zoals ze traditioneel worden gedaan maar wel als ze aan het experimenteren gaan, met een foute afloop.

Risico aversie, hang naar de status quo, focus op de korte termijn, een energievraagstuk dat niet ‘top of mind’ is en een gebrek aan (investerings)middelen, vertrouwen of zeggenschap,… dit alles zorgt ervoor dat het economisch rendabel potentieel aan energiebesparing niet wordt gerealiseerd en ‘the biggest free lunch on the planet’ grotendeels onaangeroerd blijft. Als alle maatregelen met ‘negatieve kost’ (dat wil zeggen, economisch rendabel) zouden worden genomen, dan daalt het gebruik van fossiele brandstoffen tegen 2030 met een derde en wordt er wereldwijd 10 miljard ton CO2 minder in de atmosfeer geblazen.

Om dat potentieel beter te benutten, moeten de voordelen aannemelijker en aantrekkelijker gemaakt worden (via sensibilisering, energielabels) of de te maken keuzes zelfs gewoonweg verplicht (via normering). Strengere verbruiksnormen voor toestellen, voertuigen, productieprocessen en gebouwen - die vaak tot lagere kosten leiden over de totale levenscyclus - zorgen ervoor dat de vervuiler ophoudt in plaats van te betalen.

Neoklassieke economische instrumenten blijven nuttig, al was het maar voor het opkrikken van het economisch rendabel potentieel aan energiebesparing en hernieuwbare energie (via beprijzing van CO2 door taxatie of emissiehandel) of voor het uitfaseren van subsidies aan fossiele energie die onze koolstofverslaving in stand houden.

Naast sensibilisering, normering en beprijzing stelt Grubb dat we meer werk moeten maken van het onderzoek, de ontwikkeling en de ontplooiing van strategische, transformatieve technologieën en infrastructuur. Nieuwe ‘infrastructurele’ opties bieden de kans om platgetreden paden te verlaten. Net zoals oude investeringsbeslissingen ons dreigen vast te zetten op vastgeroeste paden (een ruimtelijk uitgewaaierd nederzettingspatroon en een transport- en tankinfrastructuur die ons voorbestemt voor olieafhankelijk wagengebruik), bieden nieuwe ‘infrastructurele’ opties of strategische investeringen de kans om platgetreden paden te verlaten en nieuwe wegen in te slaan. De ontwikkeling van nieuwe technologieën komt nooit vanzelf. Zeker niet als het gaat om de ontwikkeling van hernieuwbare energie- of transportsystemen of duurzame bouwtechnieken. Grubb komt met de ontnuchterende vaststelling dat waar in de hoog dynamische informaticasector en farmaceutische industrie typisch 10 tot 15% van de bruto omzet geherinvesteerd wordt in de ontwikkeling van nieuwe producten, dit in de elektriciteits- en bouwsector minder dan een tiende is. Nieuwe ICT-producten, computerprogramma’s of medicijnen kunnen dan ook rechtstreeks worden gesleten aan de eindklant. Bij het energieverbruik dat ingebakken zit in een bepaald consumptieproduct is dat geenszins het geval. En voor de stroomconsument is en blijft een kWh vaak een Kwh, waar die ook van afkomstig is. Nieuwe technologie heeft het zo een pak minder gemakkelijk om een nichemarkt te veroveren. Daarom dat hernieuwbare energieproductie of duurzame bouwtechnieken in hun overgang van de onderzoeksfase, over de ontwikkelingsfase tot de ontplooiingsfase vaak geconfronteerd worden met de ‘vallei des doods’. Het stadium van de eerste markttoepassingen (demonstratieprojecten met nog veel onduidelijkheden over risico’s en opbrengsten) waarin de financieringsmiddelen grotendeels ontbreken.

Het is aan de overheid om in die fase tussen te komen, met verder doorgedreven steun voor pilotplants en demonstratieprojecten (‘technology push’) en met het creëren van een eerste marktomgeving (via bijvoorbeeld ‘feed in tariffs’, certificatensteun of een groen aanbestedingsbeleid). Eens de sneeuwbal aan het rollen is, wordt die nieuwe technologie snel goedkoper (via schaalvoordelen en leereffecten) en kan ze ook zonder overheidssteun op eigen benen staan. Maar zonder het overbruggen van die ‘vallei des doods’ zullen veel beloftevolle duurzame technologieën hier sneuvelen en blijft het veld bezet door starre verouderde technologieën in handen van gevestigde belangen. Strategisch onderzoeks- en investeringsbeleid is noodzakelijk om verschillende evolutionaire paden aan te reiken voor de verdere ontwikkeling van onze economische en sociale systemen.

Met zijn antwoorden binnen de drie domeinen (de gedragswetenschappen, de neoklassieke economie en de evolutionaire economieaanpak) slaagt Grubb erin zowel de homo instinctus, de homo economicus als homo evolvens aan te spreken. Elk van die domeinen werpt als het ware licht op de dode hoek van een ander domein. Wie denkt het klimaatprobleem alleen op te lossen met sensibilisering of met het creëren van een nieuwe ‘mentaliteit’, is er aan voor de moeite. Idem dito voor zij die alle heil verwachten van het beprijzen van de CO2-uitstoot. Dat schept vooral weerstand bij consumenten die het veelal aan mogelijkheden ontbreekt om het anders te doen, maar wel de rekening gepresenteerd krijgen. Met enkel nieuwe technologie - zonder dat daarvoor vraag is op de markt - redden we het ook niet. Dan blijft die technologie in het labo zitten. Neen, het is met een slimme combinatie van dit alles dat we succes kunnen boeken. Beprijzing van energieverbruik of CO2-uitstoot maakt schonere technologie sneller marktrijp en levert middelen op om nieuwe duurzame technologie over de ‘vallei des doods’ te helpen. Zuiniger toestellen, wagens of gebouwen houden - ondanks de stijgende energiekosten - de energiefactuur constant. Labels en verbruiksnormen doen de nieuwe technologie versneld ingang vinden.

Europa staat volgens Grubb voor de keuze. Ofwel duiken we een ‘verloren decennium’ in met economische stagnatie door een gebrek aan vertrouwen over de marsrichting van de Europese economie en de naweeën van de schuldencrisis (veroorzaakt door het stutten van de banken in de financiële ineenstorting van 2008). Ofwel slagen we erin een nieuwe toekomst vorm te geven waarbij we aan de top gaan staan van duurzame technologie en - via regelgeving, een hervormd emissiehandelsysteem en een gefocust Europees Strategisch Investeringsfonds (het zogenaamde Juncker Fund) - het gigantisch spaarsurplus aanspreken voor transformatieve investeringen in ons energiesysteem, transportsysteem en gebouwenpark. Daarbij kunnen we ook de nog steeds aangroeiende pool van onbenut talent aanwenden die er nu werkloos bijzit.

Planetary Economics is een zeer overzichtelijk en rijk gestoffeerd naslagwerk dat beleidsmakers en -beïnvloeders houvast geeft in het uittekenen van een doeltreffend, haalbaar en betaalbaar energie- en klimaatbeleid dat ons op weg zet naar een andere - koolstofarme - wereld. Geen moraliserend gepreek, geen beaat vooruitgangsgeloof en ook geen revolutionair vergezicht waarvan niemand weet hoe er te geraken. Neen, we hebben hier te maken met een nuchter, overzichtelijk en zeer didactisch boek dat door zijn multidisciplinaire aanpak (economisch, technologisch, psychologisch) weinig losse eindjes laat liggen. Enkel het institutionele aspect van het klimaatvraagstuk ontbreekt. Maar ook dat is een geruststelling: dat we ook binnen het huidige institutioneel kader de weg naar een koolstofarme economie kunnen inslaan.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 9 (november), pagina 94 tot 97