Abonneer Log in

'The Social Commons. Rethinking Social Justice in Post-Neoliberal Societies'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 10 (december), pagina 89 tot 92

The Social Commons. Rethinking Social Justice in Post-Neoliberal Societies

Francine Mestrum
e-book Global Social Justice, Brussel, 2015

Na meer dan 20 jaar werk over globalisering en armoede zijn sociale ongelijkheid en sociale bescherming het geliefkoosde werkterrein geworden van Francine Mestrum. Met dit nieuwe e-book tilt ze de discussie nog een trap hoger, door het concept te lanceren van ‘social commons’, vertaald als ‘sociaal gemeen’.

Naar eigen zeggen doet ze dat omdat sociale bescherming zijn aantrekkingskracht grotendeels verloren heeft, vooral bij jongeren. Of dat waar is, is nog maar de vraag. Het 11 november-evenement van 11-11-11 was dit jaar gewijd aan wereldwijde sociale zekerheid voor iedereen, als universeel mensenrecht gebaseerd op solidariteit. Een orgelpunt in de campagne die in 2015 en 2016 georganiseerd wordt door een brede groep van het maatschappelijk middenveld waar ngo’s, vakbonden en mutualiteiten de handen in elkaar slaan. Ook de opeenvolgende Eurobarometers wijzen op het feit dat de bevolkingen van de landen van de EU nog steeds erg gehecht zijn aan de sociale zekerheid.

Gelukkig geeft Mestrum in haar boek een betere reden aan om een discussie rond ‘social commons’ te lanceren: activisten, progressieve onderzoekers en beleidsmensen moeten immers niet alleen de juiste argumenten ontwikkelen tegen de pleitbezorgers van het neoliberalisme, maar moeten best ook de bouwstenen uitwerken voor alternatieven. Volgens Mestrum moeten ‘social commons’ een antwoord geven op de vraag welke samenleving en welke wereld we proberen te maken en drie ernstige wereldproblemen aanpakken. Ten eerste de blijvende armoede en het feit dat de armoedebestrijding van sommige internationale instellingen zoals de Wereldbank en UNDP, het ontwikkelingsprogramma van de VN, uitsluitend mikken op het bestrijden van extreme armoede, zonder enige band met universele sociale bescherming. Ten tweede de groeiende sociale ongelijkheid, die onder invloed van het werk van Piketty en Wilkinson & Pickett steeds vaker gezien wordt als nefast voor de ganse samenleving, omdat het de ontwikkeling belemmert en armoede genereert. Ten derde de toenemende precarisering van arbeid en de informele economie die een groeiende groep mensen doen ontstaan die weinig of geen sociale rechten hebben.

Volgens Mestrum is het nodig om sociale bescherming te herdefiniëren, want de bestaande stelsels van sociale bescherming geven geen afdoend antwoord op deze wereldproblemen. Dat merkt ze aan drie fenomenen. Een. Er wordt steeds meer beroep gedaan op systemen van algemene bijstand, door mensen die geen rechten (meer) hebben in de sociale zekerheid. Ook in de bijstand zorgt de voorwaardelijkheid ervoor dat steeds meer mensen uitgesloten worden. Twee. De toenemende precarisering en de informele economie doen bovendien mensen volkomen buiten de sfeer van de sociale bescherming vallen. Drie. Ook milieurechten worden steeds belangrijker, onder meer voor welzijn en gezondheid van mensen. Herdenken van sociale bescherming moet volgens haar op zo’n manier gebeuren dat aan de nood aan bescherming van alle mensen wordt voldaan, met inbegrip van nieuwkomers, mensen in precaire situaties, of die om één of ander reden niet actief kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt. Tegelijk moet ook reproductief werk, de zorgarbeid van hoofdzakelijk vrouwen, beschermd worden en moet er antwoord gegeven worden op de vraag naar bescherming tegen klimaatsverandering. Volgens Francine Mestrum dekken ‘social commons’ dan ook drie soorten rechten: de individuele mensenrechten, de collectieve sociale, economische en culturele rechten, en de derde-generatie ‘solidariteitsrechten’ zoals het recht op duurzame ontwikkeling en op een gezonde leefomgeving.

Minstens even belangrijk in haar betoog, is de manier waarop ‘social commons’ worden bepaald. Dat moet namelijk gebeuren via een democratisch, participatief proces waarin de ‘commoners’, de burgers, gezamenlijk bepalen wat de ‘commons’ zijn. ‘Social commons’ zijn volgens Mestrum verschillend van de traditionele sociale bescherming door het feit dat hun definiëring gebeurt in een bottom-up proces en een ruime collectieve dimensie kennen: zorg voor de samenleving en sociale integratie.

Persoonlijk vind ik dit onderscheid met de sociale bescherming een wat geforceerde voorstelling van zaken. Misschien wordt sociale bescherming vandaag door sommigen gezien als een bureaucratische overheidsinstelling, maar ze is historisch wel gegroeid van onderuit via sociale strijd. En ondanks de vele eenzijdige besparingsoperaties door overheden worden in vele landen rechten op sociale bescherming nog steeds bepaald via sociaal overleg, in samenspraak met vakbonden en mutualiteiten. Ook zijn er in moderne sociale beschermingsstelsel elementen te vinden die de collectieve dimensie en belangrijke reproductieve functies in de samenleving weerspiegelen. Denk maar aan kinderbijslag, of tijdskrediet en ouderschapsverlof. Verschillen te zoeken met de sociale bescherming is ook niet echt nodig. ‘Social commons’ dekken duidelijk een bredere lading dan sociale bescherming: ook de essentiële goederen en diensten die mensen nodig hebben om op een waardige manier te kunnen deelnemen aan de samenleving vallen er onder. ‘Social commons’ hebben daarenboven een duidelijke intergenerationele dimensie door hun verwijzing naar milieurechten zoals het recht op propere lucht, zuiver water, land en bossen, bescherming tegen klimaatsverandering. Rechten die nu nog niet gecodificeerd en erkend zijn door de internationale gemeenschap.

Francine Mestrum wijdt ook een hoofdstuk aan twee scenario’s die de jongste tijd meer in de kijker zijn komen te staan, maar die volgens haar geen afdoend antwoord bieden op problemen van blijvende armoede, ongelijkheid en precariteit: het basisinkomen en de sokkels van sociale bescherming zoals die in 2012 werden goedgekeurd in een IAO-aanbeveling.

Het eerste scenario, het basisinkomen, voldoet voor Mestrum niet omdat het door zijn individualistische invulling elke collectieve solidariteit miskent, mensen in ongelijke situaties gelijk behandelt en dus ongelijkheid in stand houdt. Het is bovendien maatschappelijk onaanvaardbaar omdat het een inkomen geeft zonder tegenprestatie zoals werk, daar waar burgerschap moet blijven steunen op rechten en plichten. Mestrum geeft wel een veel bredere invulling aan het begrip arbeid, met een ruim pakket aan maatschappelijk zinvolle activiteiten. Ze zit daarmee op dezelfde golflengte als Anthony Atkinson die de ‘surfers’ van Philippe Van Parijs geen recht op een (bescheiden) gewaarborgd inkomen geeft. Ook het feit dat het basisinkomen, eens uitgekeerd, de overheid ontslaat van elke verdere verantwoordelijkheid voor zijn burgers, en het feit dat financiering van het basisinkomen grote sommen geld doet verhuizen naar mensen die het niet nodig hebben, maakt dit scenario voor haar onwenselijk.

Een tweede scenario dat wordt belicht zijn de sokkels van sociale bescherming zoals die in 2012 werden goedgekeurd in een IAO-aanbeveling. Volgens Mestrum zou het een enorme vooruitgang zijn mocht iedereen op de wereld toegang hebben tot deze sokkels van sociale bescherming, maar tegelijk waarschuwt ze voor een al te minimalistische invulling van sociale rechten.

Het boek belicht ook hoe ‘social commons’ kunnen bijdragen tot systeemverandering. Er worden links gelegd met de feministische economische theorie en met de deeleconomie, de peer-to-peer productie, de sociale en solidaire economie, maar ook met duurzame ontwikkeling en klimaatrechtvaardigheid. Daardoor worden ‘social commons’ ook gekaderd in de globale sociale agenda van de alter-globaliseringsbeweging. Uiteraard kon een verwijzing naar de financiering van ‘social commons’ niet ontbreken. Daar waar de IAO argumenteert dat sokkels van sociale bescherming financieel een haalbare kaart zijn, valt het kostenplaatje van de bredere ‘social commons’ duidelijk duurder uit. Verwijzingen naar rechtvaardige belastingstelsels, de strijd tegen belastingparadijzen en innovatieve financieringsbronnen zoals de financiële transactietaks, waarbij de opbrengsten zouden worden verdeeld vanuit een solidariteitsfonds bij de IAO of de VN, vormen dan ook een belangrijk hoofdstuk in het boek.
Hoewel Mestrum betoogt dat ‘social commons’ moeten worden bepaald in een bottom-up proces, als resultaat van participatief werk, en een blauwdruk geven van wat ‘social commons’ zijn dus niet echt mogelijk is, ontsnapt ze niet aan de verleiding om het idee van ‘social commons’ meer concreet te maken. Ze doet dat in 20 ideeën over die ‘social commons’.

Verschillende van die ideeën zijn (niet zo nieuwe) voorstellen die verwijzen naar verbeteringen aan de klassieke pijlers van de sociale bescherming: een gewaarborgd minimuminkomen om waardig te kunnen leven voor mensen die om goede redenen niet kunnen deelnemen aan de (bredere) arbeidsmarkt, alle uitkeringen moeten boven de armoededrempel, pensioenrechten worden geïndividualiseerd, gezondheidzorg en kinderbijslag worden niet langer gefinancierd uit bijdragen maar wel uit algemene overheidsmiddelen. Opvallend is wel dat Mestrum pleit voor een basisinkomen voor kinderen omdat die niet kunnen voorzien in hun eigen noden.

Andere ideeën proberen een antwoord te geven op precarisering van arbeid en informele economie: de uitbouw van een sociale en solidaire economie, door dienstverleners georganiseerd in ‘community unions’, lonen en arbeidsvoorwaarden via collectieve onderhandelingen, met inbegrip van een deel van de gecreëerde meerwaarde, het al eerder aangehaald verbod op luiheid maar binnen een sterk verruimde definitie van sociaal noodzakelijk werk waarvoor moet worden betaald.

Een derde reeks ideeën verwijst naar het recht op noodzakelijke diensten zoals kinderopvang, onderwijs, zorg voor afhankelijke personen, sociale diensten, waarvan de overheid de beschikbaarheid en betaalbaarheid moet garanderen en de kwaliteit regelen, ongeacht of ze publiek of privaat georganiseerd worden. Sommige ideeën gaan over de plaats van nieuwkomers, overdraagbaarheid van rechten, internationale solidariteitsmechanismen en de rol van de overheid.
Concrete ideeën over de nieuwere milieurechten blijven jammer genoeg eerder schaars in dit overzicht. In de conclusies van het boek verwijst Mestrum wel naar de voorstellen van François Houtart, de medestichter van het Wereldforum voor Alternatieven, voor een ‘Universele Verklaring over het Gemeengoed van de mensheid’ als alternatief paradigma waarin ‘social commons’ hun plaats vinden, samen met een nieuwe visie op ecologie, economie, democratie en interculturele relaties.

Dit boek is niet bedoeld als een academisch werk, maar als een aanzet om een nieuw wervend verhaal te schrijven voor sociale bewegingen en progressieve politici die ijveren voor een betere wereld. Het werd geschreven in het Engels, al is er wel een samenvatting beschikbaar in het Nederlands op de website www.socialcommons.eu. Wie de inspanning niet schuwt om dit soms taaie en uitgebreide werkstuk te lezen, vindt hier ongetwijfeld inspiratie om aan de slag te gaan.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 10 (december), pagina 89 tot 92