Log in

'Voorbij het narratief van neergang'

Uitgelezen

Voorbij het narratief van neergang

Mark Elchardus
Lannoo Campus, Leuven, 2105

Bye bye roze bril’, kopte Flair. ‘Jongeren zien toekomst somber in’, schreef Het Belang van Limburg. En bij De Standaard klonk de kop als volgt: ‘Jeugd leeft in angst door terreur en opwarming aarde’. Echt vrolijk werd je niet van de titels naar aanleiding van het nieuwe boek van socioloog Mark Elchardus (VUB). Maar is er reden tot vrolijkheid? Geloven bijvoorbeeld onze jongeren nog wel in de toekomst? Elchardus geeft in zijn boek een duidelijk doch genuanceerd antwoord. Hij wil ook (lees)sleutels aanreiken om voorbij de neergang te kijken en te geraken.

Het boek start met een beschrijving van de zomer van 2014, een zomer van de angst: onrust in Oost-Oekraïne, de barbaarsheid van de Islamitische Staat, terugkerende Syriëstrijders, het Ebolavirus. Later zou Charlie Hebdo nog volgen. Ondertussen, wanneer ik dit schrijf, zijn er ook de reeks gruwelijke aanslagen in Parijs en #BrusselsLockdown. Het zijn dus - nog steeds - angstige tijden, de context waarover dit boek ook handelt.

Die context wordt volgens Elchardus gekenmerkt door een geloof in neergang, een breed gedragen gevoel van gelatenheid en machteloosheid. Dat duurzame gevoel van neergang heet declinisme. Het declinisme wordt in het lijvige boek grondig geanalyseerd, onderbouwd met data en een stevige bibliografie van oude en nieuwe denkers, ver voorbij het evenementiële of het anekdotische. Dat is meteen ook een belangrijke verdienste van het boek. Het boek legt met stijl en nuance de vinger op de wonde.

Het boek is gebaseerd op tweeduizend gesprekken met Vlaamse, Waalse en Brusselse jongvolwassenen en afgenomen eind 2013. De leeftijdsgroep was 25 tot 35 jaar oud, afgestudeerden die het eigen leven al volop vormgeven, zowel op privé als professioneel vlak. Het zijn dus mijn generatiegenoten die werden geïnterviewd door Elchardus en zijn team. Wat meteen ook mijn interesse in het boek wekte.

Deze generatie is de Promotheusgeneratie zoals Elchardus ze noemt. Uitgebreid wordt een discrepantie vastgesteld tussen hun inschatting van de maatschappelijke toekomst (samenleving als geheel) en hun persoonlijke toekomst. Voor zichzelf hebben ze nog hoop - men ziet die positieve verwachtingen vooral op materieel vlak. Met henzelf gaat het goed, maar met onze samenleving een stuk minder. Je kan volgens Elchardus spreken van persoonlijk optimisme en maatschappelijk pessimisme, een welgekomen nuancering op een gangbaar beeld van algeheel pessimisme.

De sombere kijk op de maatschappelijke toekomst van deze generatie is duidelijk in de data van het boek. Opvallend uitgesproken zijn hun bekommernissen over de gevolgen van de klimaatsverandering, de groeiende ongelijkheid en de superdiversiteit. Al zijn de jongeren op dat punt eigenlijk genuanceerd: men omarmt de diversiteit, maar specifiek ten aanzien van moslims is er een negatievere houding.

De kijk op de eigen toekomst en die van de wereld rondom zijn uiteraard ook met elkaar verbonden. Stilaan riskeren we volgens de auteur een situatie waardoor ook het negatieve het begint te halen bij de inschatting van de eigen toekomstmogelijkheden.

De negatieve kijk wordt volgens Elchardus o.a. verklaard door een zwak geloof in de politiek en in de mogelijkheden van de collectieve actie. De jongvolwassenen rekenen zelfs niet (meer) op de politiek voor hun levenskwaliteit. Wel op zichzelf, hun familie en een portie geluk. Dat is misschien wel het belangrijkste huiswerk van dit boek voor politici en beleidsmakers: pedagogisch (durven zijn) over de mogelijkheden van politiek en meer globaal de maakbaarheid van onze samenleving. Zonder te vervallen in de politiek als dé oplossing want dat gelooft niemand meer, waarschuwt Elchardus. Voor een politiek dier zoals ondergetekende iets om bij stil te staan. Ik ben net op dit moment volop op pad voor een uitdrukkelijk pleidooi voor meer politiek, zelfs als dé plek waar maatschappelijke verandering kan en moet gebeuren.

Het boek becijfert uitgebreid het profiel en de (inhoudelijke) wensen van de jongvolwassenen. Als je naar concrete issues kijkt, kom je tot - ik citeer - een Belgicistisch, groen, links en sterk gemeenschapsafbakenend beleid. Voor heel wat concrete progressieve standpunten is er dus wél een maatschappelijk draagvlak. Elchardus merkt bijvoorbeeld terecht op dat er behoefte is aan een partij die actief een Belgisch federaal verhaal durft bepleiten.

Andere - meer dan nuttige - suggesties zijn: het sterker opnemen voor werkzekerheid, het sneller inspelen op nieuwe maatschappelijke problemen, een stem geven aan minder gezonde mensen, een andere organisatie van de levensloop, enzovoort. Niet zo verrassend is Elchardus’ aandacht voor integratie, en meer concreet gewelddadig islamradicalisme, een thema dat inderdaad door progressieven moet worden vastgepakt.

Elchardus dicht daarbij een groene partij een rol toe als de partij van de onbezorgde kosmopolieten. Mijn overtuiging is dan weer dat een groene partij de grijsruimte tussen xenofobie en kosmopolitisme moet durven opzoeken, om aan de slag te gaan met begrijpelijke gevoelens van onzekerheid en onbehagen. Zonder taboes: met soms scherpe keuzes in sommige waardendebatten en met evengoed aandacht voor eigen verantwoordelijkheid. Dat is geen pleidooi voor een doorslagje van rechts, integendeel, wel voor een assertief-nuchtere kijk op dit thema.

Elchardus waarschuwt mijns inziens terecht: wie het declinisme als politiek-retorische strategie hanteert, versterkt gevoelens van bestaansonzekerheid, populisme en xenofobie en dus het succes van extreemrechtse en populistische partijen. Laat dit een aanbeveling zijn voor progressieven om dit vooral niet te doen. Zonder naïef te zijn moeten we de geboekte en de mogelijke maatschappelijke vooruitgang blijven benoemen en omarmen. België is een welvarend, veilig land met veel mogelijkheden. Laten we dat ook maar luid verkondigen.

Pessimisme - of declinisme - lijkt misschien interessante electorale doping op de korte termijn. Vandaag is het zelfs het glijmiddel voor de besparingen van onze regeringen. Maar nooit zal het de brandstof zijn voor maatschappelijke vooruitgang. Het klassieke antwoord van liberale collega’s op gevoelens van onzekerheid schiet evenzeer tekort. Optimism is a moral duty. Net als de handel in angst, wat in een welvarend en veilig land zoals België eigenlijk neerkomt op ondankbaarheid, schiet dergelijk verplicht optimisme tekort. Het gaat voorbij aan de sombere achterkant van onze vooruitgang, ongelijkheid en klimaatsverandering bijvoorbeeld, en mist empathie voor de struggle for life van nogal wat mensen.

Wat ons wel vooruit zal helpen, en komaf kan maken met rapporten vol angst en onzekerheid, is net het midden tussen optimisme en pessimisme, een genuanceerde kijk op vooruitgang. Dat is voor mij het ‘possibilisme’. De toekomst is noch aan de dromers noch aan de angsthazen, maar aan de nuchtere ‘doendenkers’. Dat is de echte brandstof voor vooruitgang en dus voor meer hoop en vrolijkheid in onze samenleving. Die hoop en vrolijkheid is een belangrijke ambitie. Het laatste boek van Mark Elchardus - en in het bijzonder de schat aan data - kan zonder twijfel helpen om die kentering in te zetten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 10 (december), pagina 82 tot 84