Abonneer Log in

Afscheid van het sociaaldemocratisch model

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 1 (januari), pagina 24 tot 37

Op het einde van de 19de eeuw ging het ontstaan van de sociaaldemocratische politieke familie gepaard met een nieuw organisatiemodel. De nieuwe socialistische en sociaaldemocratische partijen (of arbeiderspartijen) manifesteerden zich volgens de terminologie van Maurice Duverger al snel als massapartijen.1 Vanaf het begin van de jaren 1970 ziet men echter de eerste tekenen van verval. Vandaag boezemen de sociaaldemocratische partijen hun politieke tegenstanders geen schrik meer in. Hun organisatiemodel heeft zijn beste tijd gehad. Hoe is het zover kunnen komen? Hoe moeten we die ontwikkelingen duiden?

KENMERKEN VAN HET SOCIAALDEMOCRATISCH ORGANISATIEMODEL

Voor we ingaan op de historiek en de redenen van het verdwijnen van het sociaaldemocratische organisatiemodel, bekijken we eerst wat dat precies behelst in de wetenschappelijke literatuur.

Daarvoor moeten we stilstaan bij een klassiek onderscheid in die literatuur, met name tussen ‘sociaaldemocratische’ en ‘arbeiderspartijen’ aan de ene kant, en ‘socialistische’ partijen aan de andere kant. Want als we spreken over het organisatiemodel van de sociaaldemocratie, dan hebben we het op de eerste plaats over die eerste categorie partijen. En hoewel die partijen ideologisch van elkaar verschillen, ook qua relatie met de vakbonden, kunnen we hen toch op dezelfde manier definiëren, zoals hierna zal blijken. Bij de ‘socialistische’ partijen, die we vooral in Zuid-Europa aantreffen, hebben we te maken met een ander organisatiemodel.

  1. Het organisatiemodel van de sociaaldemocratie is op maat gesneden van een massapartij, d.w.z. een partij die zeer gestructureerd is en veel leden telt, die in grote meerderheid van arbeidersafkomst zijn. De sociaaldemocratische partijen van Zweden (SAP) en Denemarken (SD), en de Noorse Arbeiderspartij (DNA) kunnen in dat verband als ideaaltypes worden beschouwd na de Tweede Wereldoorlog. Toch zijn het niet die partijen die aan de basis liggen van het ontstaan van dat model.

Reeds voor de Eerste Wereldoorlog manifesteerde de Duitse Sociaal Democratische Partij (SPD) - het baken van de internationale socialistische beweging - zich als een partij met een heel bijzondere format. Meer dan 300.000 mensen waren er lid van aan het begin van de vorige eeuw (Tabel 1). Dat aantal liep op tot meer dan één miljoen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Ook de sociaaldemocratische vakbond kende in die periode een spectaculaire ontwikkeling, om nog niet te spreken van de talloze nevenorganisaties van de SPD, het hoge aantal bladen van de partij en een indrukwekkend aantal partijgebouwen. Het apparaat van de partij was een goed geoliede machine, met een toenemend aantal professionals, kortom, een machtige bureaucratie. Geen wonder dus dat de SPD een centrale plaats inneemt in het baanbrekend werk van Roberto Michels, De politieke partijen, dat in 1913 verscheen.2

  1. De ‘hechte relatie’3 met de arbeidersklasse vormt een zeer belangrijk kenmerk van het organisatiemodel van de sociaaldemocratie. ‘Uit geschiedkundig oogpunt is de sociaaldemocratie immers de belangrijkste politieke organisatie van de arbeidersklasse in de kapitalistische economische orde’, dixit Moschonas.4 Dat blijkt ook uit de namen van nogal wat partijen, want het woord ‘arbeider’, ‘werklieden’ of ‘arbeid’ is daarbij nooit ver weg, zoals in de Belgische Werklieden Partij (BWP), de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (Nederland), de Socialistische Arbeiderspartij (Luxemburg en Spanje), de Labour Party (Verenigd Koninkrijk) en de Noorse Arbeiderspartij. De socialistische familie is dé politieke familie van de arbeidersklasse. Een versnelling in de Industriële Revolutie had ervoor gezorgd dat die klasse exponentieel was gegroeid en een sleutelrol ging spelen in de opkomst van het socialisme. Vanuit dat oogpunt kunnen de sociaaldemocratische partijen worden beschouwd als partis communautés.5

  2. Samengevat: eens dat de toon van de maatschappelijke verandering wordt gezet door opvattingen als tegen-staat en tegen-samenleving, alliëren sociaaldemocratische partijen en arbeiderspartijen zich met sterke syndicale organisaties; meestal zijn zij er organisch mee verbonden en wordt de meerderheid van hun leden ook van die kant aangeleverd. Het partijbelang komt wel op de eerste plaats bij partijen van het sociaaldemocratische type. De vakbonden verdedigen dan weer de belangen van de loontrekkenden; zij formuleren de sociale eisen.

EERSTE TEKENEN VAN VERVAL

Zoals we eerder opmerkten, ijverden sommige partijen al voor dit model in het begin van de 20ste eeuw; met name de Duitse en Belgische partijen, naast die partijen die actief waren in de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie. Dit model wordt vervolgens compleet afgebroken in die landen - Duitsland en Oostenrijk - waar het fascisme aan de macht komt tussen de twee wereldoorlogen; terwijl het in het noorden van Europa dan weer school maakt6; om uiteindelijk helemaal door te breken na de Tweede Wereldoorlog. De socialistische familie laat daarbij zien over uitzonderlijke organisatorische capaciteiten te beschikken, al geldt dat zeker niet voor alle partijen. In Frankrijk en Italië bijvoorbeeld, moeten de socialistische partijen de communisten laten voorgaan als de belangrijkste formatie aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Zij slagen er niet in om het sociaaldemocratische organisatiemodel vorm te geven, aangezien een meerderheid van de arbeiders in die landen voor respectievelijk de PCF en de PCI stemt, of lid is van één van die partijen. Toch is dit een uitzondering. Vijfentwintig à dertig jaar lang zal de socialistische familie blijk geven van een grote politieke, sociale en maatschappelijke vitaliteit in het democratische deel van het bevrijde Europa.

Vanaf het begin van de jaren 1970 ziet men echter de eerste tekenen dat dit model zijn beste tijd gehad heeft. En die ontwikkeling, die zich naar het einde van de jaren 1970 nog duidelijker manifesteert, zet zich voort in de jaren 1980, en daarna. Alle geledingen van de sociaaldemocratische beweging komen onder druk te staan. Te beginnen met de partijen en hun ledenaantallen. Die gaan eerst stagneren en vervolgens afnemen; soms zelfs op spectaculaire wijze (zie Tabel 2 met de evolutie van de ledenaantallen van de SPD, de SPö, de SPS, de PvdA en de BSP/PSB). Het voorbeeld van de SPD is veelzeggend. Nog één keer na de Tweede Wereldoorlog - in 1976 - slaagt de partij erin om meer dan 1 miljoen leden te werven. 1 op elke 25 (ingeschreven) kiezers is dan lid van de SPD. Beter zal de partij nooit meer presteren. In het begin van de jaren 1980 lopen de ledenaantallen opnieuw terug en ook de eenwording zal niet voor een opflakkering zorgen. In 2011 telt de SPD voor de eerste keer na het einde van de Tweede Wereldoorlog minder dan 500.000 leden. Vandaag hebben de ledenaantallen hun laagste niveau ooit bereikt (460.000). Slechts 0,8% van de kiezers is lid van de SPD en slechts 1 SPD-kiezer op 25 is lid van de partij (bij de rampzalige verlopen verkiezingen in 2013).

Tabel 2. Evolutie van de ledenaantallen (L) van de socialistische en sociaaldemocratische partijen in West- en Midden-Europa; verhouding tussen de ledenaantallen en de aantallen kiezers van de partij (L/Kp); verhouding tussen de ledenaantallen en het totale aantal ingeschreven kiezers (L/Ik).

Het Oostenrijkse voorbeeld is niet minder significant. De SPö is de parti de communauté bij uitstek. In zijn autobiografie vertelt Eric Hobsbawm de volgende veelzeggende anekdote: ‘Aangezien de vader van Peter werkte als spoorwegarbeider, behoorde hij tot een rode familie: in Oostenrijk, en vooral op het platteland (zij het niet bij de boeren), zou geen enkele arbeider het in zijn hoofd hebben gehaald om niet voor de socialisten te stemmen’.7 In de jaren 1970 telde de SPö meer dan 700.000 leden. Ook die partij kreeg in de jaren 1980 echter af te rekenen met dalende ledenaantallen, en daarna ging het nog harder bergaf. In 1986 was 1 op de 8 (ingeschreven) kiezers lid van de SPö; in 2013 was dat cijfer teruggelopen tot 1 op 33. In dat jaar waren nog 200.000 mensen lid van de SPö.

Het organisatiemodel van de Deense, Zweedse en Noorse sociaaldemocraten heeft lange tijd als hét voorbeeld gegolden, terwijl de Finse sociaaldemocraten dan weer moesten opboksen tegen een sterke communistische partij. Toch kunnen ook in de Scandinavische landen gelijkaardige ontwikkelingen worden waargenomen (Tabel 3). In Denemarken bijvoorbeeld, was kort na de Tweede Wereldoorlog 1 (ingeschreven) kiezer op 10 lid van de sociaaldemocratische partij. In 1947 piekte de populariteit van die partij, met bijna 300.000 leden. De daling zette zich echter nog sneller in dan elders, want in 1966 werden ‘slechts’ 188.000 leden geteld. Daarna ging het ook in Denemarken verder bergaf, met minder dan 100.000 leden in de jaren 1980 en iets meer dan 50.000 leden in het eerste decennium van deze eeuw. Vandaag hebben iets minder dan 40.000 mensen een lidkaart van de Deense sociaaldemocraten. Minder dan 1% van de (ingeschreven) kiezers is lid van de SD. Slechts 4,3% van de SD-kiezers is ook lid van die partij.

Tabel 3. Evolutie van de ledenaantallen (L) van de socialistische en sociaaldemocratische partijen in Noord-Europa; verhouding tussen de ledenaantallen en de aantallen kiezers van de partij (L/Kp); verhouding tussen de ledenaantallen en het totale aantal ingeschreven kiezers (L/Ik).

Als we dan even de ‘socialistische’ partijen onder de loep leggen, dan doemt een ander beeld op (Tabel 4). Zij laten veel geringere ledenaantallen noteren, en dat geldt zowel voor de SFIO (Frankrijk) kort na de Tweede Wereldoorlog, als voor de Spaanse (PSOE) en Portugese socialistische partijen die uit hun as herrijzen na de val van de dictatuur in die landen. Wat de SFIO betreft, is het niettemin opmerkelijk dat zij er in 1945 en 1946 in slaagt om meer dan 300.000 leden te werven. Vanzelfsprekend zijn de ledencijfers van die partijen minder significant als wij ze relateren aan de totale aantallen ingeschreven kiezers en aan de aantallen kiezers van die partijen. In de loop der jaren zijn die Zuid-Europese partijen er wel in geslaagd om hun ledenbestand op peil te houden en zelfs aan te dikken, waardoor het onderscheid tussen sociaaldemocratische partijen, socialistische partijen en arbeiderspartijen minder functioneel is geworden. De PSOE maakt in 2004 wel melding van 460.000 leden, maar dat cijfer moeten we wellicht met een korrel zout nemen.

Tabel 4. Evolutie van de ledenaantallen (L) van de socialistische en sociaaldemocratische partijen in Zuid-Europa; verhouding tussen de ledenaantallen en de aantallen kiezers van de partij (L/Kp); verhouding tussen de ledenaantallen en het totale aantal ingeschreven kiezers (L/Ik).

Niet alleen de partijen moeten het met minder leden stellen, ook de nevenorganisaties worden door die ontwikkeling geraakt. Vooral de vakbonden zien hun ledenbestand afbrokkelen. Twee tendensen springen daarbij in het oog in de voorbije drie decennia:

  • De vakbonden nemen wat afstand van de sociaaldemocratische partijen, zowel qua opvattingen als qua beheer van het patrimonium. Zij die organisch verbonden zijn met de sociaaldemocratische partij gaan voortaan op autonome wijze functioneren. Ook bij voorbeeldpartijen, zoals in Zweden en Denemarken, wordt de organische band tussen partij en vakbond doorgeknipt.
    • De vakbonden zelf krijgen ook een stevige tik, want hun gewicht en invloed namen in de voorbije dertig jaar voortdurend af. Zij hebben vandaag opvallend minder leden8 en ook de syndicalisatiegraad is lager dan destijds (Tabel 5): tussen 1970 en 2012 ging de syndicalisatiegraad in Oostenrijk met 35% achteruit; in Duitsland bedroeg het cijfer min 14%, in Nederland min 19%, en in het Verenigd Koninkrijk min 17%. Met uitzondering van de Scandinavische landen en België, is een minderheid van de werknemers vandaag lid van de vakbond. In landen zoals Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk gaat het zelfs om een (zeer) kleine minderheid.

De ledenbestanden van de vakbonden kalven overigens vooral af in die industriële sectoren die op einde van de jaren 1970 zwaar werden getroffen door de economische crisis en de gedeeltelijke ontrafeling van het industriële weefsel.

OORZAKEN VAN HET VERDWIJNEN VAN HET SOCIAALDEMOCRATISCH ORGANISATIEMODEL

Hoe is het zover kunnen komen? Hoe moeten we die ontwikkelingen duiden? Er is al menig wetenschappelijk werk aan de problematiek gewijd en die laten zien dat meerdere fundamentele veranderingen aan de basis liggen van de ommekeer.

  1. De eerste heeft te maken met de (zeer) nauwe verwevenheid van de arbeidersklasse en de socialistische familie. Die relatie werd aanvankelijk als onlosmakelijk ervaren. In de hoofden van sociaaldemocraten had in het begin van de 20ste eeuw de gedachte postgevat dat de demografische ontwikkelingen ipso facto voor een duurzame politieke meerderheid zouden zorgen. Zie maar naar wat Otto Bauer, het boegbeeld van de Oostenrijkse socialisten, destijds schreef: ‘In 1920 behaalden we 36% van de stemmen. Bij de verkiezingen daarvoor om en bij de 40% en vandaag bijna 43%. We gingen er dus ongeveer 7% op vooruit in zes en een half jaar tijd. Wat wil dat zeggen? Dat we nog eens 7% nodig hebben om de macht te veroveren… Nog één of twee verkiezingen en we kunnen de burgerlijke regering naar huis sturen’.9 Daar is niets van in huis gekomen. Demografische ontwikkelingen speelden ongetwijfeld een rol bij het behalen van absolute meerderheden in Zweden, Noorwegen, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk, maar dat heeft niet verhinderd dat de sociaaldemocraten kort na de Tweede Wereldoorlog stilaan op andere gedachten kwamen. De arbeidersklasse en de socialistische familie werden niet langer automatisch met elkaar geassocieerd. De oude gedachten werden losgelaten, soms in de praktijk, maar soms ook op papier, in bewoordingen die aan duidelijkheid niets te wensen overlieten. Dat bleek bijvoorbeeld op het congres van de SPD in Bad Godesberg (1959). Bij die gelegenheid werd niet alleen beslist dat het marxisme niet langer het gewenste conceptueel kader bood, maar ook dat de arbeidersklasse als ‘referentiecategorie’ opzij werd geschoven. Met andere woorden: de sociaaldemocratische partij was er nu voor iedereen. Het concept van de catch-all party was geboren, dixit Otto Kirchheimer: ‘De massapartij, die ontstond in een tijdperk waarin de klassentegenstellingen veel scherper waren en de kerkelijke structuren nog niet waren aangetast, is stilaan aan het veranderen in een ‘volkspartij’. Zij streeft nu andere, meer bescheiden objectieven na. Het gaat niet langer om de morele en intellectuele verheffing van de massa, maar om het aanspreken van een breder publiek en het boeken van duidelijke winst bij verkiezingen. De oude idealen hebben plaats moeten maken voor banale electorale beslommeringen; meer zelfs, die idealen worden vandaag als hinderlijk ervaren, omdat zij sommige segmenten van een potentieel electoraat kunnen afschrikken’.10

  2. Dat de relatie tussen de arbeidersklasse en de socialistische familie een ferme knauw krijgt, heeft in de jaren 1970 overigens ook te maken met mondiale ontwikkelingen. Een nieuwe internationale arbeidsverdeling staat in de steigers en laat diepe sporen na in het Europese industriële weefsel. Aanzienlijke delen van de metaalindustrie, de staalindustrie, de textielnijverheid en de scheepsbouw verhuizen naar de ‘nieuw geïndustrialiseerde landen’ (vooral in Zuidoost-Azië). In die sectoren krijgt de werkgelegenheid forse klappen en gaan tal van bedrijven op de fles. Rond dezelfde tijd luidt ook de doodsklok voor de mijnindustrie in Europa. Mijnwerkers verliezen massaal hun baan. Maandenlang zullen de Britse kompels staken, maar ook zij moeten uiteindelijk het loodje leggen. De ontbinding van de arbeidersklasse lijkt nu onafwendbaar; er is sprake van sociale degradatie, en dat van een klasse die ooit de hoop voor de toekomst belichaamde.

  3. Ook de politieke cultuur van de arbeidersklasse komt (gedeeltelijk) onder druk te staan. Die botst immers niet alleen met de opvattingen van de opkomende nieuwe middenklasse - zij is uitgesproken liberaal op het culturele vlak - maar ook met die van de nieuwe sociale bewegingen, die minder wakker liggen van materiële eisen en meer gedreven worden door waarden.11 De sociaaldemocratische partijen kunnen daar niet naast kijken. Zij trachten in toenemende mate ook dat sociaal segment aan zich te binden. Zij tellen nu van langsom meer white collar workers in hun rangen. De arbeiders verlaten in steeds grotere aantallen ‘de’ partij. Zij voelen er zich politiek en cultureel niet langer thuis, zoals onderzoek over Labour, van Seyd en Whiteley12, heeft uitgewezen. De uittocht van de arbeiders uit de sociaaldemocratische partijen vormt de uitkomst van een lang proces13, dat zijn hoogtepunt bereikt op het einde van de 20ste eeuw, wanneer het een onomkeerbaar karakter lijkt te krijgen.

  4. Dat steeds meer arbeiders afhaken, heeft ook te maken met het feit dat een aantal sociaaldemocratische partijen vanaf de jaren 1980 elementen van het neoliberale denken inpassen in hun beleid en hun retoriek. Zo wordt het streven naar (min of meer) volledige werkgelegenheid, één van de impliciete gedachten achter de verzorgingsstaat, opgegeven. De afstand tussen de sociaaldemocratie en de arbeidersklasse is, in sommige gevallen, onoverbrugbaar geworden. Het betekent de nekslag voor het organisatiemodel van de sociaaldemocratie.

Belgische politieke partijen zijn vanzelfsprekend ook niet ongevoelig voor globale ontwikkelingen. Overal nemen de ledenaantallen van partijen af. Politieke wetenschappers, zoals Ingrid Van Biezen, Thomas Poguntke en Peter Mair14, hebben die achteruitgang uitvoerig gedocumenteerd, en met name vooral voor de massapartijen of de partis communautés. De kleur van die partijen doet daarbij niet ter zake.15

Ook het feit dat de overheidsfinanciering van politieke partijen zijn intrede heeft gedaan, speelt een rol. Partijen liggen steeds minder wakker van traditionele organisatievormen; zij hebben vandaag op de eerste plaats aandacht voor electorale processen, en soms richten zij hun aandacht zelfs exclusief op die processen.16

Ook de personalisering van de politiek is een element in dit verhaal. Niet het middenkader of de militanten bepalen vandaag waar een (sociaaldemocratische) partij heengaat. Dat is in hoge mate het voorrecht van de partijleider geworden; hij of zij geeft aan welk beleid er zal worden gevoerd en welke strategische keuzes17 zullen worden gemaakt, zoals reeds in de jaren 1990 door Moschonas werd aangestipt. Gewone partijleden kunnen nu wel hun stem laten horen in het debat, vooral bij de voorzittersverkiezingen. Soms worden daarbij ook voorverkiezingen18 gehouden, zoals in Italië, Griekenland en Frankrijk; in het laatste geval voor het aanwijzen van een presidentskandidaat. In de Britse Labour Party gaat de vernieuwing nog een stap verder, aangezien bij de verkiezing van de huidige partijleider (Jeremy Corbyn) een vorm van tijdelijk lidmaatschap werd ingevoerd. Zo konden 422.664 partijleden een geldige stem uitbrengen, terwijl Labour in normale tijden minder dan 200.000 leden telt.

HET EINDE VAN EEN PARADIGMA

Laten we enkele conclusies formuleren. Vandaag boezemen de sociaaldemocratische partijen hun politieke tegenstanders geen schrik meer in. Hun organisatiemodel heeft zijn beste tijd gehad. In de voorbije dertig jaar zijn zij massaal veel leden kwijtgespeeld; de kracht van hun middenkader is verloren gegaan; hun doen en laten wordt niet langer (uitsluitend) bepaald door de belangen van de arbeiders; en ook de vakbonden hebben menige veer gelaten. Kortom, de overgrote meerderheid van de sociaaldemocratische partijen zijn partijen ‘als alle andere’ geworden. Het lijkt een gratuite bewering, een banale vaststelling ook, maar ze legt wel de vinger op de wonde en doet vragen rijzen over de rol die de sociaaldemocratie vandaag speelt.

Ooit waren de socialistische verworvenheden het product van actievormen die zowel een institutioneel als een sociaal draagvlak hadden, en ook van de wil om sociale en politieke hervormingen tot stand te brengen. Vandaag stellen die niet-institutionele actievormen niet veel meer voor, soms zelfs helemaal niets, en is de socialistische familie slechts met mondjesmaat in staat om hervormingen door te drukken. Onvermijdelijk rijst dan de vraag wat die familie vandaag nog waard is en wat de essentie van de huidige sociaaldemocratie is. Zo slecht is zij er immers nog nooit aan toe geweest, in democratische omstandigheden.

Hoe dan ook, vanuit het oogpunt van het organisatiemodel heeft het nog weinig zin om vast te houden aan het klassieke onderscheid tussen socialistische partijen, sociaaldemocratische partijen en arbeiderspartijen. Kijkt men immers naar de verschillende indicatoren, dan valt dat onderscheid nog amper te maken (Tabel 6).

Nog complexer wordt het wanneer we het hebben over het gewijzigde sociaaldemocratische landschap in Centraal- en Oost-Europa na de val van de Berlijnse Muur in 1989. In sommige van die landen, zoals Polen, Hongarije, Bulgarije en Roemenië, hebben de oude communistische partijen zich omgevormd tot sociaaldemocratische partijen. In andere landen, zoals de Tsjechische Republiek en Estland, hebben we te maken met de opvolgers van de historische sociaaldemocratische partijen. Gezien de oorsprong van die partijen, de zwakke positie van de vakbonden in die landen en het belang van de nationale kwestie en het minderhedenprobleem in sommige van die landen, moeten we concluderen dat hun organisatiemodel niet aansluit bij één van de historische organisatiemodellen van de Europese sociaaldemocratie; meer zelfs, dat ook hun opvattingen niet aansluiten bij de historische stromingen van die sociaaldemocratie. Dat de Partij van Europese Socialisten en Sociaaldemocraten (PES) vandaag wordt geleid door de Bulgaar Sergueï Stanichev, maakt in dat verband niet veel uit. Het gebrek aan slagkracht van de PES is legendarisch en wordt wellicht enkel geëvenaard door het gebrek aan belangstelling dat voor haar bestaat.

Deze vaststellingen zijn vanzelfsprekend niet nieuw. Maar nooit eerder sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de sociaaldemocratie zo’n slechte beurt gemaakt, zowel op organisatorisch als electoraal vlak. Nooit eerder heeft zij zo slecht ingespeeld op de verwachtingen en de wensen van de arbeiders, en al wie van een loon moet leven. De sociaaldemocratie moet haar zaken dringend op orde krijgen en een open discussie over de modaliteiten van een andere partijorganisatie19 initiëren.

Pascal Delwit
Centre d’étude de la vie politique, l’Université de Bruxelles (ULB)
(Vertaling: Jan Vermeersch)
(Deze tekst verschijnt ook in La Revue socialiste)

Noten
1/ Maurice Duverger, Les partis politiques, Paris, Points Seuil, 1992, p. 127.
2/ Roberto Michels, Les partis politiques. Essai sur les tendances oligarchiques des démocraties, Bruxelles, Editions de l’Université de Bruxelles, 2009 (nouvelle édition).
3/ Marc Lazar, ‘Invariants et mutations du socialisme en Europe’, in: Marc Lazar (Ed.) La gauche en Europe depuis 1945. Invariants et mutations du socialisme européen, Paris, Presses universitaires de France, 1996, p. 20.
4/ Gerassimos Moschonas, La social-démocratie de 1945 à nos jours, Paris, Montchrestien-Clef, 1994, p. 123.
5/ Pascal Delwit, ‘La social-démocratie européenne et le monde des adhérents: la fin du parti communauté?’, in: Pascal Delwit (Ed.), Où va la social-démocratie ?, Bruxelles, Editions de l’Université de Bruxelles, 2004, pp. 229-252.
6/ Mario Telo, Le New deal européen, La pensée et la politique sociales-démocrates face à la crise des années trente, Bruxelles, Editions de l’Université Libre de Bruxelles, 1988.
7/ Eric Hobsbawm, Franc-tireur. Autobiographie, Paris, Pluriel, 2005, p. 29.
8/ Jeremy Waddington, Trade union membership in Europe The extent of the problem and the range of trade union responses, Brussels, ETUC, 2005.
9/ Geciteerd door Fernando Claudin, L’eurocommunisme, Paris, François Maspero, 1977, p. 75.
10/ Otto Kircheimer, ‘The transformation of Western European Party Systems’, in: Joseph, La Palombara, Myron Weiner (Eds), Political parties and political development, Princeton, Princeton University Press, 1966, p. 213.
11/ Ronald Inglehart, The silent revolution: changing values and political styles among Western publics, Princeton, Princeton University Press, 1977.
12/ Patrick Seyd, Paul Whiteley, New Labour’s grassroots: the transformation of the Labour Party membership, Basingstoke, Palgrave, 2002.
13/ ‘De belangrijkste ontwikkeling in de sociaaldemocratie is haar gewijzigde sociologische samenstelling. Dat is echter geen recent feit. Het gaat om een ontwikkeling die zich reeds voor 1914 manifesteerde, toen de sociaaldemocratische partijen zich geleidelijk aan gingen openstellen voor nieuwe categorieën loontrekkende werknemers’, zoals Alain Bergougnioux reeds opmerkte in 1989. Alain Bergougnioux, ‘Un parti ouvrier’, in: Alain Bergougnioux, Alain Manin, Le régime social-démocrate, Paris, Presses universitaires de France, 1989, p. 19.
14/ Ingrid Van Biezen, Peter Mair, Thomas Poguntke, ‘Going, going, . . . gone? The decline of party membership in contemporary Europe’, European Journal of Political Research, 2012, vol. 51, n°1, pp. 24-56.
15/ Pascal Delwit, ‘Still in Decline? Party Membership in Europe’, in: Emilie van Haute (ed.), Party Membership in Europe: Exploration into the anthills of party politics, Bruxelles, Editions de l’Université de Bruxelles, 2011, pp. 25-42.
16/ Richard S. Katz and Peter Mair, ‘Changing models of Party Organization and Party Democracy’, Party Politics, 1994, vol. 1, n° 1, pp. 5-28.
17/ Gerassimos Moschonas, ‘L’éclat d’un pouvoir fragilisé : force et faiblesse du leadership socialiste’, in: Marc Lazar (Ed.), op. cit., pp. 579-621.
18/ Zie Giulia Sandri, Antonella Seddone et Fulvio Venturino(ed.), Party Primaries in Comparative Perspective, Londres, Ashgate, 2015.
19/ Fabien Escalona, La social-démocratie, entre crise et mutations, Paris, Fondation Jean Jaurès, 2011, pp. 53-54.

sociaaldemocratie - sociaaldemocratisch model - partijwerking

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 1 (januari), pagina 24 tot 37