Abonneer Log in

Belg, Vlaming, Waal... identiteiten van parlementsleden

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 15

In deze bijdrage bespreken we een onderzoek naar de identiteitsbeleving van de leden van de verschillende parlementen in België. De resultaten tonen een kloof tussen de nationalistische partijen (N-VA en VB), met een quasi onbestaande Belgische identiteit, en alle andere Vlaamse en Franstalige partijen. Aan Vlaamse kant onderscheiden vooral de parlementairen van sp.a, maar ook die van Open VLD en Groen zich in de andere richting met een sterker Belgisch en zwakker Vlaams profiel. Vergeleken met enkele jaren geleden neemt de polarisatie tussen de Vlaamse partijen toe rond de identiteitskwestie. Aan Franstalige kant kiezen vooral de parlementsleden van MR het sterkst voor de Belgische identiteit. De resultaten werpen een interessant licht op de aanhoudende debatten over de communautaire kwestie.

De veelbesproken keuze van de N-VA om toe te treden tot een federale regering zonder enige verdere stap in de Vlaamse autonomie maakt dat de communautaire kwestie minstens voor vijf jaar in de vriezer zit. Op politiek vlak alleszins. Het debat over die keuze maar ook over onze staatsinrichting gaat verder, onder andere in de media. Naar aanleiding van de terreurdreiging in Brussel en de internationale beeldvorming van België als ‘failed state’ werden de versnippering van overheden en structuren in Brussel, maar ook in België zelf aangeklaagd. De recente spoorstaking in het zuidelijke deel van het land bracht Bart De Wever er dan weer toe om te pleiten voor de splitsing van een aantal gewestoverschrijdende spoorlijnen. Er wordt al regelmatig vooruitgeblikt naar de verkiezingen van 2019 en dan vooral naar de vraag of het communautaire dan weer een inzet wordt. Het lijkt er sterk op, zeker nu N-VA besloten heeft een nieuwe communautaire denkoefening op te starten.

De keuze van de N-VA om bovendien een aantal van de federale gezagsdepartementen te claimen, zoals Binnenlandse Zaken en Defensie, lijkt ook een nieuwe verhouding te hebben gecreëerd van de partij tegenover de Belgische symboliek die aan die departementen kleeft. Zo liep de N-VA voorop in de vraag om de Belgische defensie, politie en staatsveiligheid financieel te versterken. Maar ook ruimer in het maatschappelijke debat lijkt de keuze om de communautaire dossiers achterwege te laten en te focussen op het Belgische socio-economische en veiligheidsbeleid de verhouding tegenover België te hebben gedecomplexeerd. Eerder al maakte het goedkeuren van de zesde staatshervorming een einde aan een jarenlange verlamming van politiek en beleid in België, die waren geculmineerd in 541 dagen zonder volwaardige federale regering, en zo ook aan een niet aflatende focus op de communautaire kwestie en het debat over identiteiten binnen België.

In deze context is het interessant om de positie van onze parlementsleden in dat identiteitsdebat meer in detail te onderzoeken. Doordat we sinds het begin van deze legislatuur in een communautair rustige periode zitten, kunnen de identiteiten in kaart worden gebracht in een min of meer ‘neutrale’ periode, los van verhitte discussies die voor tijdelijke veranderingen kunnen zorgen. Tussen eind november 2014 en eind februari 2015 (dus na de regeringsvormingen volgend op de Europese, federale en regionale verkiezingen van 25 mei 2014), voerden we daarom een enquête bij de leden van alle parlementen in België. Dit onderzoek is het tweede van die aard, want ook al tussen juli en oktober 2011 (dus voor het afsluiten van het akkoord over de zesde staatshervorming en de vorming van de regering-Di Rupo) werd een gelijkaardig onderzoek uitgevoerd.1 Zo kunnen we dus ook de evolutie van de identiteiten van de parlementsleden analyseren, voor en na een aantal gebeurtenissen die het Belgische politieke landschap sterk hertekenden: het akkoord over de zesde staatshervorming, de verkiezingen van 25 mei 2014 en de vorming van vrij uitzonderlijke regeringscoalities.

Deze studies kaderen in een bredere ambitie om systematisch onderzoek te doen naar de houding van politici over het federalisme in België en naar hun identiteiten. Terwijl zulke gegevens wel beschikbaar zijn voor de publieke opinie sinds de jaren 19702, zijn ze zeldzaam voor de politieke elite. Nochtans zijn ze belangrijk om een aantal aspecten van de Belgische politiek beter te begrijpen. In het Belgische systeem van representatieve en consensusdemocratie is het interessant om te weten in welke mate de ideeën van de kiezers congrueren met die van hun parlementaire vertegenwoordigers. Bovendien staat het bestuderen van de houdingen en de voorkeuren van de parlementairen toe de mate van interne cohesie te analyseren binnen partijen, die in de particratie die België soms genoemd wordt uiteraard cruciale spelers zijn. Uit de studie van 2011 bleek reeds dat de parlementsleden, zelfs binnen eenzelfde partij, erg verdeeld zijn.

In het volgende nummer van Samenleving en politiek (februari 2016) zullen we focussen op de evolutie van de institutionele voorkeuren van de parlementsleden (willen ze nog meer regionaliseren of eerder de federale staat versterken?), maar in dit nummer bespreken we allereerst de identiteiten van de parlementsleden.

HOE IDENTITEIT METEN?

De enquête werd uitgevoerd van eind november 2014 tot februari 2015. De parlementsleden werden per mail gecontacteerd (en, indien nodig, ook per post en telefonisch) om de enquête online te beantwoorden.

De participatiegraad van deze enquête bedraagt 61,8%. Dit is (zeer) hoog in vergelijking met gelijkaardige onderzoeken in andere landen en ook hoger dan bij de enquête van 2011 (+12%). Wel hebben Nederlandstalige parlementsleden iets meer deelgenomen dan hun Franstalige collega’s (respectievelijk 64,5% en 58,9%). Voor meer details over de methodologie en de participatiegraad verwijzen we naar de Courrier Hebdomadaire du CRISP die gelijktijdig verschijnt met dit artikel, en hier uitgebreider op ingaat. De identiteiten werden op twee manieren gemeten.

De eerste is de klassieke Linz-Moreno vraag, die zowel in België als in andere federale staten regelmatig wordt gebruikt in studies van publieke opinie over identiteiten. Concreet houdt deze in dat de parlementsleden konden kiezen tussen vijf posities: ‘Ik voel me enkel Vlaming/Franstalig’; ‘Ik voel me meer Vlaming/Franstalig dan Belg’; ‘Ik voel me evenveel Vlaming/Franstalig als Belg’; ‘Ik voel me meer Belg dan Vlaming/Franstalig’; ‘Ik voel me enkel Belg’.

Deze vraagstelling houdt wel een belangrijk nadeel in voor de casus van België: het is slechts mogelijk één bepaalde identiteit te plaatsen tegenover de nationale identiteit (Belgisch). In dit geval dus de gemeenschapsidentiteiten: Vlaming en Franstalig. Het probleem stelt zich vooral langs Franstalige kant waar een politieke breuk bestaat tussen regionalisten en communautaristen en dus tussen een Waalse en een Franstalige identiteit. Langs Nederlandstalige kant stelt het probleem zich voor de meeste parlementsleden niet. Aangezien gewest en gemeenschap reeds lang zijn gefusioneerd, zijn de regionale en de gemeenschapsidentiteit min of meer dezelfde. Maar voor de Nederlandstalige parlementsleden die verkozen zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest speelt dit probleem wel even sterk.

Het is mede daarom dat de identificatie van de parlementsleden eveneens werd gemeten met behulp van een andere vraag die meer geschikt is voor de Belgische casus. De respondenten konden zich uitlaten op een schaal van 0 tot 10 voor elk van de vijf institutionele identiteiten (Belg, Waal, Brusselaar, Franstalig en Vlaming), bij het antwoord op de vraag: ‘Geef voor elk van de onderstaande identiteiten aan in welke mate u zich ermee identificeert door een score te kiezen tussen 0 tot 10, waarbij 0 ‘helemaal niet’ betekent en 10 ‘heel sterk’.’

Toch is ook de Linz-Moreno-vraag wel relevant voor België omdat die meer aanzet tot kiezen tussen de verschillende identiteiten. Het is dan ook interessant om de resultaten op de twee vragen te bespreken en te vergelijken, wat we vervolgens zullen doen.

DE IDENTITEITEN VOLGENS DE SCHAALVRAAG

Tabel 1 toont de gemiddelde score per partij op de vraag naar identiteiten op een schaal van 0 tot 10. Ze geeft ook aan hoe sterk de cohesie van de parlementsleden van eenzelfde partij is, via de standaardafwijking: hoe hoger die is, hoe verdeelder de parlementsleden zijn.

Belgisch

Qua Belgische identiteit wijken de twee Vlaams-nationalistische partijen, VB en N-VA, duidelijk en zonder verrassing af van alle andere partijen, zowel de Vlaamse als de Franstalige. Er is evenwel een merkbaar verschil tussen het VB, waar alle parlementsleden de categorie 0 kozen bij de vraag naar hun Belgische identiteit, en de N-VA, voor wie dat slechts het geval was voor minder dan de helft van hun vertegenwoordigers. De N-VA’ers situeren zich tussen de categorieën 0 en 5, waarvan meer dan driekwart tussen 0 en 2. Dat toch een kleine helft van de parlementsleden van de N-VA zich nog enigszins met België identificeert, kan verrassen. Maar dit was ook al het geval tijdens de enquête van 2011. Van een stijging van de Belgische gevoelens bij de N-VA-respondenten de voorbije jaren lijkt geen sprake. De enquête is wel iets te vroeg afgenomen om echt te kunnen beoordelen of de Belgische machtsdeelname hierop een invloed heeft.

Daar waar alle VB-parlementsleden en iets meer dan drie vierde van de N-VA-parlementsleden kozen voor de categorieën van 0 tot 2 en dus voor een onbestaande tot zeer zwakke Belgische identiteit, koos geen enkel ander Nederlandstalig of Franstalig parlementslid voor zo’n lage waarden. Vergelijken we de gemiddelden dan scoren het VB en de N-VA respectievelijk 0,0 en 1,4 daar waar de andere partijen allemaal boven de 7 zitten (met uitzondering van het FDF: 6,9).

Binnen de politieke families is de Belgische identiteit systematisch sterker bij de Franstalige parlementairen dan bij hun Nederlandstalige collega’s. De gemiddeldes bedragen respectievelijk 8,9 tegen 8,4 voor de PS en de sp.a, 9,5 tegen 8,0 voor de MR en Open VLD, 9,3 tegen 7,4 voor de cdH en CD&V, en 8,9 tegen 7,7 voor Ecolo en Groen.

Deze verschillen zijn echter niet extreem groot. Ze komen alleszins niet overeen met de vooronderstelling die het politieke en mediadiscours doorgaans beheerst over het bestaan van een kloof tussen Noord en Zuid inzake de gehechtheid aan België. In werkelijkheid loopt die kloof tussen de Nederlandstalige parlementsleden.

Bij de parlementsleden van MR en cdH is de Belgische identiteit het sterkst: respectievelijk 70% en 65% van hen gaven score 10 op voor de Belgische identiteit. De gemiddelden van deze partijen zijn de enigen boven de 9 (respectievelijk 9,5 en 9,3). De gemiddelden van PS, sp.a, Open VLD, Ecolo en PTB situeren zich tussen 8 en 9. Twee partijen hebben een gemiddelde tussen 7 en 8: CD&V en Groen (7,4 en 7,7). Deze twee laatste resultaten zijn ietwat verrassend, zij het voor tegengestelde redenen: we konden veronderstellen dat de CD&V een lager gemiddelde en dat Groen een hoger gemiddelde zou gehad hebben. Immers, CD&V wordt doorgaans beschouwd als de traditionele Vlaamse partij met het minst Belgisch profiel en Groen als de Vlaamse partij die het meeste voorstander is van een sterk federaal België. Maar het is natuurlijk mogelijk dat het verband tussen voorkeuren qua staatshervorming en identiteiten niet zo evident is. Men kan voor een versterking van het federale niveau zijn zonder noodzakelijk een sterke Belgische identiteit te hebben. Of men kan zich toch Belg voelen maar voor een verder doorgedreven regionalisering zijn. In de bijdrage in het volgende nummer van Samenleving en politiek zullen we daar dieper op in kunnen gaan, aan de hand van de gegevens over institutionele voorkeuren. Ten slotte is er één partij met een gemiddelde tussen 6 en 7: FDF.

Grote verschillen met de vorige enquête zijn er niet voor deze meting. Er is eerder sprake van stabiliteit.

Vlaams

Kijken we dan naar de Vlaamse identiteit. Ook hier weer zijn het de twee Vlaams-nationalistische partijen, het VB en de N-VA, die zich het meest onderscheiden. Hier is het onderlinge verschil tussen het VB (waar alle parlements­leden zich op 10 positioneren) en de N-VA (waar bijna 95% van de vertegenwoordigers deze positie innemen) echter miniem. De parlementsleden van de N-VA onderscheiden zich dus (een beetje) minder van de parlementsleden van het VB inzake hun vereenzelviging met de Vlaamse identiteit dan wat hun afwijzing van de Belgische identificatie betreft.

Het verschil tussen de N-VA en het VB, langs de ene kant, en de andere Nederlandstalige partijen, aan de andere kant, komt logischerwijs minder naar boven bij de Vlaamse identiteit dan bij de Belgische identiteit omdat de andere Nederlandstalige parlementsleden zich in meer of mindere mate ook met Vlaanderen identificeren. Toch zijn er belangrijke verschillen, want de gemiddelden van de partijen gaan van 6,6 tot 10. Drie groepen kunnen worden onderscheiden: parlementsleden van sp.a, Groen en Open VLD met een gemiddelde Vlaamse identificatie tussen 6,6 en 7,3; die van CD&V met een tussengemiddelde van 8,3; en die van N-VA en VB met gemiddelden van respectievelijk 9,9 en 10,0.

Parlementsleden van Open VLD, sp.a en Groen onderscheiden zich ook doordat hun identificatie met België gemiddeld gesproken sterker is dan die met Vlaanderen. Bij sp.a is het verschil het meest uitgesproken (8,4 tegen 6,6); bij Open VLD het minst uitgesproken (8,0 tegen 7,3). Voor de andere Vlaamse partijen zien we de omgekeerde tendens: op een weinig uitgesproken manier is dat het geval bij CD&V (7,4 tegen 8,3), maar - niet verrassend - voor de N-VA (1,4 tegen 9,9) en vooral voor het VB (0,0 tegen 10,0) is er sprake van een grote kloof tussen de Belgische en de Vlaamse identiteit.

Waals en Franstalig

In het politieke debat overheerst de idee dat de communautaire identiteit een stuk sterker is langs Nederlandstalige kant dan langs Franstalige kant. Nochtans toont Tabel 1 dat, als we de Franstalige parlementsleden vergelijken met hun Nederlandstalige collega’s van dezelfde politieke familie, de Franstalige identiteit van de eersten telkens sterker is dan de Vlaamse identiteit van de tweeden. Het verschil is het grootst tussen PS en sp.a, met maar liefst twee procentpunten: 8,6 tegen 6,6. Bij de andere politieke families blijft het beperkt tot maximum 0,6%. Maar de vaststelling blijft opmerkelijk. Wel haalt geen enkele Franstalige partij qua Franstalige identiteit een even hoog gemiddelde als N-VA en VB inzake Vlaamse identiteit. Het is geen verrassing dat de vertegenwoordigers van FDF zich het meest Franstalig voelen, met een gemiddelde van 9,2. Ze worden, van tamelijk dichtbij, gevolgd door de parlementsleden van cdH en PS (respectievelijk 8,8 en 8,6), en van een beetje verder door die van MR, Ecolo en PTB (respectievelijk 7,8, 7,5 en 7,3).

Het FDF is ook de enige Franstalige partij waarvan de parlementsleden zich uitgesproken meer Franstalig dan Belg voelen (9,2 tegen 6,9). Bij alle andere partijen overheerst het omgekeerde gevoel. Bij PS en cdH is dat verschil het minst groot (respectievelijk 8,6 tegen 8,9 en 8,8 tegen 9,3). Bij MR, Ecolo en PTB is dat verschil het sterkst (respectievelijk 7,8 tegen 9,5, 7,5 tegen 8,9 en 7,3 tegen 8,5).

Binnen de Franstalige partijen bestaan duidelijke verschillen tussen Waalse regionalisten en Franstalige communautaristen. Dat bleek de voorbije maanden opnieuw in het Franstalige politieke debat waar sommigen ervoor pleitten op termijn de meeste gemeenschapsbevoegdheden (zoals ook onderwijs) naar het gewest over te dragen, en weer anderen zich daartegen verzetten. De Waalse en Franstalige identiteiten zijn gelijkaardig bij de parlementsleden van cdH en MR. De Waalse identificatie, daarentegen, is duidelijker uitgesproken dan de Franstalige bij de PS-parlementsleden en, vooral, bij die van Ecolo (8,7 tegen 7,5). De partij bij wie de Waalse identiteit het sterkst aanwezig is, is PS (gemiddeld 9,4), gevolgd door cdH en Ecolo (respectievelijk 8,9 en 9,7). MR sluit de rij (7,5).

Brussels

De Brusselse identiteit is sterk aanwezig bij de Franse taalgroep in het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met uitzondering van PTB. De gemiddelden van andere partijen cirkelen rond of gaan over de 9 punten. Deze resultaten liggen telkens hoger dan die voor de Franstalige en Waalse identiteiten. Het gevoel te behoren tot Brussel is zelfs iets sterker dan de identificatie met België bij cdH en PS, en opvallend sterker bij het FDF. 3

Voor de Nederlandstalige taalgroep van het Brussels Parlement moeten we oppassen met conclusies gezien de absolute aantallen beperkt zijn. De gemiddelden zijn hier ook hoog. Bij de niet-Vlaams-nationalistische partijen is de Brusselse identiteit sterker dan de Belgische identiteit, en zelfs sterker dan de Vlaamse identiteit bij - opnieuw - de paarsgroene partijen Open VLD, sp.a en vooral Groen.4 Het gemiddelde bij de Brusselse afgevaardigden van het VB is veel lager (3,0). Voor deze partij lijkt de Brusselse identiteit echter toch iets minder onaanvaardbaar dan de Belgische identiteit. De vergelijking tussen de zusterpartijen toont een meer uitgesproken Brusselse identiteit langs Franstalige kant.

Interne partijverschillen

Binnen bepaalde partijen zijn opvallende verschillen te noteren.

Inzake Belgische identiteit zijn Open VLD en sp.a de partijen die de grootste verschillen noteren: de antwoorden van hun parlementsleden gaan van categorie 3 tot 10, al moet daar wel aan toegevoegd worden dat posities 3, 4 en 5 slechts voorkomen bij 10 tot 12% van de respondenten. De kloof is bij MR en CD&V bijna even groot: de antwoorden gaan er van 4 tot 10. Hij is minder uitgesproken bij PS, FDF en Groen (van 5 tot 10) en bij N-VA (van 0 tot 5). Als we het VB buiten beschouwing laten, waar alle parlementsleden de categorie 0 kozen, is de kloof het kleinst bij cdH, Ecolo en PTB. We merken op dat de antwoorden op een evenwichtige manier zijn verdeeld binnen het FDF en dat er een groot onevenwicht bestaat binnen de PS (bijna 90% van hun parlementsleden kozen voor de categorieën 8,9 en 10) en binnen de MR (waar één enkel parlementslid de categorie 4 koos, alle anderen positioneerden zich tussen 8 en 10).

De Vlaamse identiteit is het onderwerp van een duidelijke consensus binnen de N-VA (van 8 tot 10) en vooral binnen het VB (waar alle parlementsleden kozen voor de categorie 10). De kloof is groter binnen CD&V (van 6 tot 10), sp.a en Groen (van 3 tot 10), en Open VLD (van 2 tot 10). De Franstalige identiteit is enkel op homogene manier wijdverbreid binnen FDF en PTB (respectievelijk van 7 tot 10 en van 6 tot 9) en, in mindere mate, binnen cdH (van 5 tot 10). Overal elders zien we een belangrijke kloof: de parlementsleden van PS en Ecolo kozen voor de categorieën van 2 tot 10. Binnen MR vinden we zelfs het complete spectrum (van 0 tot 10). De Waalse identiteit is onderwerp van een bepaalde consensus binnen Ecolo (van 8 tot 10), net als binnen PS en cdH (van 7 tot 10). Dat is opnieuw niet het geval bij de afgevaardigden van MR (hier ook van 0 tot 10). De graad van Brusselse identiteit wordt op een min of meer homogene manier gedeeld binnen Ecolo en FDF (van 7 tot 10), binnen CD&V (van 6 tot 8) en binnen cdH (van 8 tot 10), verder ook binnen de PS en sp.a (van 9 tot 10), en vooral binnen Groen en VB (waar alle afgevaardigden dezelfde categorie kozen, respectievelijk 10 en 3). Het is minder het geval binnen MR, Open VLD en PTB (van 5 tot 10).

DE IDENTITEITEN VOLGENS DE ANTWOORDEN OP DE LINZ-MORENO VRAAG

De analyse van de antwoorden op de zogenoemde Linz-Moreno vraag (Tabel 2) openbaart deels dezelfde tendenzen, zij het meer uitgesproken. Dat is niet onlogisch, gezien deze vraag een kleiner aantal categorieën voorziet en de respondenten aanzet een hiërarchie tussen identiteiten uit te drukken.

Ook hier gaven alle VB-parlementsleden aan enkel een Vlaamse identiteit te hebben, net zoals 78,8% van de N-VA-parlementsleden (de overige 21,2% antwoordden zich ‘eerder Vlaming dan Belg’ te voelen). Opnieuw zien we een zeker verschil tussen de twee Vlaams-nationalistische partijen. En ook deze cijfers lopen erg gelijk met die uit de enquête van 2011 (toen antwoordden 100% van de VB-parlementsleden zich ‘enkel Vlaams’ te voelen, net als 73,9% van de N-VA-parlementsleden terwijl de andere 26,1% zich ‘meer Vlaming dan Belg voelen’). We merken ook hier dus geen groeiende Belgicisering bij de N-VA op het vlak van identiteit sinds haar deelname aan de federale regering, maar zoals gezegd werd dit onderzoek gevoerd aan het begin van de legislatuur.

Er tekent zich opnieuw een duidelijk verschil af tussen de twee Vlaams-nationalistische partijen en alle andere politieke fomaties. Geen enkel parlementslid van een andere partij - Franstalig of Nederlandstalig - geeft aan enkel een gemeenschapsidentiteit te hebben (wat ook al werd geconstateerd in 2011). Nochtans zijn ook de parlementsleden die aangeven enkel een Belgische identiteit te hebben zeldzaam: ze zitten in liberale rangen (respectievelijk 14,7% bij MR en 11,1% bij Open VLD) en in socialistische rangen (5,9% bij PS en 8,7% bij sp.a). We bemerken twee interessante verschillen in vergelijking met 2011. Enerzijds gaf toen geen enkel Nederlandstaligeparlementslid aan enkel een Belgische identiteit te hebben. Anderzijds bevindt geen enkel parlementslid van cdH of Ecolo zich nu nog in die categorie.
Zelfs al blijven de verschillen tussen de situatie in 2011 en die van 2014-2015 beperkt, toch kunnen we voorzichtig vaststellen dat bepaalde Nederlandstalige parlementsleden, in vergelijking met 2011 (toen we middenin een politiek-communautaire crisis zaten), een iets meer uitgesproken en exclusieve vorm van Belgische identiteit hebben en dat dit iets minder het geval is voor een aantal van hun Franstalige collega’s. Misschien kan hier het effect spelen van het einde van de crisis en/of van de nieuwe federale regering, samengesteld uit drie Vlaamse en maar één Franstalige partij. Maar, opnieuw, het blijft moeilijk zo’n effect te ontwaren in de maanden die direct volgen na de federale regeringsvorming.

Als we de categorieën ‘Ik voel me enkel Belg’ en ‘Ik voel me meer Belg dan Vlaming/Franstalig’ samenvoegen, krijgen we zicht op alle parlementsleden die de Belgische identiteit verkiezen boven de gemeenschapsidentiteit. Deze vinden we, in dalende volgorde, bij PTB/PVDA+ (100%), sp.a (65,2%), MR en Groen (elk 52,9%), Open VLD (37,0%), cdH (31,3%), PS (26,5%), Ecolo (18 ,8%) en CD&V. Bij VB, N-VA en FDF zijn er niet verrassend geen. Ook hier is dus geen sprake van een duidelijke kloof tussen de Vlaamse en Franstalige politieke partijen. Gezien het grote aantal parlementsleden van N-VA en VB is het aantal Nederlandstalige parlementsleden met een sterke Belgische identiteit natuurlijk lager dan het aantal Franstalige. Maar dat belet niet dat bij twee Vlaamse partijen de Belgische identiteit veel sterker is dan bij hun politieke tegenhanger aan de andere kant van de taalgrens, namelijk bij sp.a en Groen. Het verschil is bovendien groot: zowel bij groenen als socialisten bedraagt het meer dan 30%. Hier zien we ook een belangrijk verschil met onze eerdere schaalmeting van identiteit, waar de Belgische identiteit sterker was bij PS en Ecolo. Het wijst erop dat wanneer ze voor de keuze geplaatst worden tussen Belgische en Vlaamse identiteit, de keuze bij een meerderheid van de parlementsleden van sp.a en Groen uitgaat naar België. Vooral bij de groenen valt het verschil tussen de twee metingen op: zij hebben niet een uitgesproken sterke Belgische identiteit, maar verkiezen die wel boven de Vlaamse.

Vergelijken we deze cijfers met die van de vorige legislatuur dan zien we een stijging van de Belgische identiteit, voornamelijk bij Open VLD, sp.a en Groen. Vandaag kiezen parlementsleden van die drie partijen vooral een pak meer voor ‘Ik voel me meer Belg dan Vlaming’. De optelsom van de twee meest Belgische categorieën steeg tussen 2011 en 2015 van 47,1% naar 65,2% voor sp.a (+18,1%), van 12,0% naar 37,0% voor Open VLD (+25,0%) en van 20,0% naar 52,9% voor Groen (+32,9%). Bij CD&V blijft dit cijfer op een erg laag niveau en vermindert het zelfs: van 5,3% naar 2,8%. Bij de Franstalige partijen zien we een beduidende stijging van de Belgische identiteit bij PS (van 12,5% naar 26,5%) en bij MR (van 36,4% naar 52,9%), terwijl bij cdH (van 37,6% naar 31,3%) en bij Ecolo (van 26,9% naar 18,8%) sprake is van een lichte daling. FDF blijft status quo (0,0% in zowel 2011 als 2014-2015). De voorspelling (die vooral van N-VA komt) dat de PS minder Belgisch zou worden als ze federaal in de oppositie zit blijkt alvast niet uit deze vergelijking, maar net zoals voor N-VA is het wellicht te vroeg om hier al een eventueel effect van te kunnen zien.

Kijken we dan naar de regionale kant van het spectrum. Door het samenvoegen van de categorieën ‘Ik voel me enkel Vlaming/Franstalig’ en ‘Ik voel me meer Vlaming/Franstalig dan Belg’, krijgen we volgende rangschikking van partijen, in dalende volgorde van een voorkeur voor een Vlaamse of Franstalige identiteit: VB en N-VA (100%), CD&V (44,4%), FDF (37,5%), Open VLD (18,5%), PS (14,7%), sp.a (13,0%), cdH (6,3%), Groen (5,9%), MR (2,9%) en Ecolo en PTB (beiden 0,0%). Binnen de politieke families zijn de gemeenschapsgevoelens meestal sterker langs Nederlandstalige kant: dat geldt voor Groen en Ecolo (5,9% verschil), voor Open VLD en MR (15,6% verschil) en, vooral, voor CD&V en cdH (38,1% verschil). Voor sp.a en PS is de situatie echter omgekeerd (maar met een erg klein verschil van 1,7%).

Vergelijken we de resultaten met die van 2011 dan zien we voor veel partijen een daling van de Vlaamse en Franstalige identiteit: licht bij groenen en christendemocraten, uitgesproken bij liberalen en vooral FDF: -3,0% bij CD&V (van 47,4% naar 44,4%), -3,8% bij Ecolo (van 3,8% naar 0,0%), -4,1% bij Groen (van 10,0% naar 5,9%), -6,2% bij cdH (van 12,5% naar 6,3%), -9,5% bij Open VLD (van 28,0% naar 18,5%), -15,3% bij MR (van 18,2% naar 2,9%) en -37,5% bij FDF (van 75,0% naar 37,5%). De vertegenwoordigers van de socialistische partijen laten daarentegen een lichte stijging optekenen: +6,4% bij PS (van 8,3% naar 14,7%) en +7,1% bij sp.a (van 5,9% naar 13,0%). Binnen deze partijen gaat een stijging van de Belgische identiteit dus gepaard met een stijging van de gemeenschapsidentiteit, ten koste van de middencategorie (‘Ik voel me evenveel Vlaming/Franstalig als Belg’). De stijging van de Belgische identiteit is bij hen wel iets sterker.

De middencategorie is algemeen ook vrij populair. Ze is in dalende volgorde de sterkste bij Ecolo, cdH, FDF, PS, CD&V, Open VLD en MR.

CONCLUSIE

Als we naar de identiteiten van de parlements­leden kijken, zien we dat de nationalistische partijen zich duidelijk onderscheiden van alle andere. VB en N-VA hebben een bijzonder sterke Vlaamse identiteit en een nagenoeg onbestaande Belgische identiteit, al is dit bij de N-VA iets minder uitgesproken. Bij alle andere partijen herkent men zich wel in de Belgische identiteit. Opvallend is wel dat in vergelijking met 2011 de Vlaamse en Franstalige identiteit bij de meeste andere partijen (licht) daalt.

Onder de Vlaamse parlementsleden zien we echter ook een groep die zich in de andere richting onderscheidt: bij de parlementsleden van sp.a, Open VLD en Groen is de identificatie met België gemiddeld sterker dan die met Vlaanderen. Dit verschil is het meest uitgesproken bij sp.a. In vergelijking met 2011 is er ook sprake van een opmerkelijke stijging van de Belgische identiteit bij deze drie partijen. We zien dus een groeiende polarisatie qua identiteiten aan Vlaamse kant, wat mogelijk een effect kan hebben op toekomstige communautaire debatten. Bij CD&V kiezen parlementsleden ook eerder voor Vlaanderen, maar zonder de Belgische identiteit te verwerpen.

Aan Franstalige kant is de Belgische identiteit het sterkst bij de MR, ook in vergelijking met de wat zwakkere Waalse en Franstalige identiteiten. Bij de PS zijn deze laatsten sterker, maar blijft de keuze wel uitgaan naar België. Bij PS en Ecolo is de Waalse identiteit ook sterker dan de Franstalige, anders dan bij cdH. Dit is relevant in het kader van de debatten over een evolutie van België gebaseerd op drie of vier deelgebieden.

Opvallend in dat licht is ook de sterke Brusselse identificatie bij partijen aan beide kanten van de taalgrens, al manen de beperkte aantallen hier aan tot voorzichtigheid.

De identiteiten bieden een indicatie van de communautaire positionering van de parlementsleden. Ze zijn dus relevant in het kader van toekomstige debatten over staatshervorming. Vraag is echter hoe ze zich verhouden tot concrete standpunten over de bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en de deelgebieden, en of ook deze geëvolueerd zijn tijdens de voorbije jaren. Hierop zullen we dieper ingaan in een bijdrage in het volgende nummer van Samenleving en politiek.

Dave Sinardet (VUB)
Min Reuchamps (UCL)
Jérémy Dodeigne (UCL)

Noten
1/ Dave Sinardet, Jérémy Dodeigne en Min Reuchamps, 'Parlementsleden over het Belgische federalisme', Samenleving en politiek, jaargang 20, nr. 6, 2013, pp. 4-20.
2/ Zie hierover o.a. Kris Deschouwer en Dave Sinardet, ‘Identiteiten, communautaire standpunten en stemgedrag’ in: Kris Deschouwer e.a. (edit), De stemmen van het volk. Een analyse van het kiesgedrag in Vlaanderen en Wallonië op 7 juni 2009, Brussel: VUBPress, 2010, p. 75-98; L. De Winter (2002), De ondraaglijke lichtheid van het Belg- of Vlaming-zijn: het enigma van etno-territoriale identiteiten in Vlaanderen, in: M. Swyngedouw & J. Billiet (red.), De kiezer heeft zijn redenen. 13 juni 1999 en de politieke opvattingen van Vlamingen, Leuven, Acco, pp. 215-232.
3/ Herinner u dat enkel de leden van de Franse taalgroep van het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hier worden meegenomen in de analyse over de Brusselse identiteit van de Franstalige vertegenwoordigers, daar waar alle Franstalige parlementsleden (federaal, Waals en ook Brussels) deel uitmaken in de analyse over de Belgische identiteit.
4/ Herinner u dat enkel de leden van de Nederlandse taalgroep van het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hier worden meegenomen in de analyse over de Brusselse identiteit van de Nederlandstalige vertegenwoordigers, daar waar alle Nederlandstalige parlementsleden (federaal, Vlaams en ook Brussels) deel uitmaken in de analyse over de Belgische identiteit.

parlement - identiteit - communautaire verschillen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 15