Abonneer Log in

Re-politiseer de sociaaldemocratie!

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 2 (februari), pagina 13 tot 27

De Europese sociaaldemocratie zit zwaar in de gevarenzone. Zij dreigt uitgehold en overlopen te worden door linkse concurrentie en rechts-populistische tegenstanders. De sociaaldemocratie is haar onderscheidend profiel verloren in het centrum van de politiek, en fungeert als voetnoot bij centrumrechtse, neoliberale beleidsdominantie. De sociaaldemocratie is haar achterban ook kwijtgeraakt in het Europees avontuur. Zij zal eerst het sociaal contract van de verzorgingsstaat moeten herstellen: herstel van vertrouwen in sociale zekerheid en culturele continuïteit. Dit is een noodzakelijke voorwaarde voor een alternatief politiek project voor Europa, waarin de sociaaldemocratie 2.0 een bondgenootschap zal moeten aangaan met links-radicale, groene partijen en sociale bewegingen. Weg uit het technocratische, gouvernementele, neoliberale centrum van de hedendaagse politiek. Terug naar wortels, waarden en het verloren electoraat. Anders dreigt Pasokification, een totale afkalving van alle gevestigde sociaaldemocratische partijen in Europa, en een uiterst gevaarlijke opmars van rechts extremisme.

‘PASOKIFICATION’

Er waart een onheilspellend spookbegrip door de Europese sociaaldemocratie: ’Pasokification’. Dat begrip verwijst naar de totale verdwijning van de voorheen oppermachtige PASOK in Griekenland. Deze sociaaldemocratische zusterpartij van PvdA, SPD en British Labour (nou ja, ‘the nearest thing to a social-democratic party in that unfortunate country1) onderging niets minder dan een totale zelfdestructie, een complete meltdown, als gevolg van de eurocrisis die Griekenland hard teisterde.

Nadat PASOK, in opdracht van de Trojka van Europese Commissie, Europese Centrale Bank en het IMF, en onder zware druk van ‘Noord-Europese’ politici, capituleerde voor een zwaar hervormingsprogramma van ‘austerity politics’, stortte die partij in. Had ze in 2009 nog 43,9% van de stemmen, in 2015 was daar nog maar 4,7% van over. Een totale implosie. PASOK werd weggevaagd, en vrijwel geheel vervangen door het meer radicaal-linkse Syriza van Alexis Tsipras, de huidige Griekse premier.

Dit fenomeen - de ineenstorting van de klassieke sociaaldemocratische partij in een land, ‘the rapid capitulation of a social democratic heavyweight in times of austerity’, in combinatie met de opmars van een radicaal links alternatief, werd door de Britse Labour-activist James Doran ‘Pasokification’ gedoopt. Het begrip kwam het Britse debat binnen bij de landelijke verkiezingen in het Verenigd Koninkrijk in 2015, toen de Schotse SNP de Labour Party geheel wegvaagde in Schotland. De SNP zette de Britse Labour Party weg als ’Red Tories’, als inwisselbaar met de Conservatieven waar het ging om ‘neoliberaal’ bezuinigingsbeleid. Resultaat: ‘Pasokification happened to Scottish Labour’.

‘Pasofikation’ staat hiermee voor een alarmbegrip dat verder gaat dan Griekenland alleen.

Geen misverstand. Griekenland is een heel bijzonder geval. PASOK was daadwerkelijk een cliëntelistische, corrupte partij, die alleen al om deze reden weinig gezagsvol en geloofwaardig bleek om een zwaar bezuinigingsprogramma aan de bevolking op te leggen. Temeer ook omdat de Griekse politieke en economische elite niet alleen verantwoordelijk gehouden moet worden voor het disfunctioneren van de Griekse staat (voor en na de eurocrisis), maar er ook nog van beschuldigd kan worden zelf grotendeels de bezuinigingsdans te ontspringen door haar geld buiten Griekenland te stallen.

We spreken hier over exceptionele condities, voor zover al toepasbaar op andere landen, meer op Zuid-Europa dan op Noord- en West-Europa. Niet voor niets wordt soms ook wel het begrip ‘PSOEfication’ gesignaleerd, verwijzend naar de Spaanse sociaaldemocratische PSOE, die op haar beurt zwaar onder druk staat van de linkse volksbeweging Podemos van Pablo Iglesias. Podemos2 richt zijn pijlen met succes op la casta, het PP-PSOE-partijkartel, dat niet zelden zelfzuchtig en corrupt is gebleken. Ook de Vijf Sterren Beweging van Beppe Grillo in Italië vertegenwoordigt een anticorruptiestem tegen de gevestigde politiek.

In Noord- en West-Europa richten de rechtspopulisten weliswaar ook hun pijlen op een zogenaamd falende elite, maar in termen van machtsmisbruik en corruptie zijn er wel degelijk aanzienlijke verschillen met de partijen en politici van Zuid-Europa. (Het kost mij bij politieke trainingen in sommige zuidelijke landen moeite om uit te leggen dat Angela Merkel - de machtigste vrouw van Europa, zo niet van de wereld - geen miljonair is, en zelf haar theaterkaartjes betaalt).

Dus het lot dat PASOK heeft getroffen, mag dan heel extreem zijn, dit laat onverlet dat in alle landen de sociaaldemocratie onder grote electorale en politiek-maatschappelijke druk staat, en uiteengereten lijkt te worden door zowel links-radicale als rechtspopulistische krachten. Krachten die in zoverre ‘Pasokification’ genoemd mogen worden, omdat ze een marginalisering, een verkleining van voorheen grote, gevestigde sociaaldemocratische partijen met zich meebrengen.

In veel landen zijn sociaaldemocratische partijen niet langer in staat tot zelfstandige regeringsvorming. Zoals in Zweden en Spanje of in Duitsland, waar men of aangewezen is op coalities met linkse concurrenten, of veroordeeld is tot ‘grote coalities’ met politieke tegenstanders.

Het algemeen voorgeschreven en nauwelijks betwiste politieke programma van monetaire austerity politics (OESO, Europese Commissie, ECB, Eurogroup) heeft als pervers bijeffect dat het onderscheid tussen links en rechts, centrumlinks en centrumrechts vervaagd is geraakt. There Is No Alternative in het politieke centrum. Daardoor is er, begrijpelijkerwijs, grote politieke ruimte vrijgekomen buiten dat centrum. Voor het ventileren van kritiek en onbehagen.

Het zijn aan de ene kant de zogenaamd links-populistische partijen die hiervan profiteren. Links-populistisch: dat is het demoniserende label dat door politieke tegenstanders graag wordt gehanteerd om deze partijen buiten de gevestigde orde te plaatsen, buiten de mainstream te definiëren. Men kan ook spreken van radicaal-linkse partijen of zelfs van pre-Derde Weg-sociaaldemocraten. Dat laatste is het zelfbeeld van partijen als SP in Nederland of die Linke in Duitsland.

Verder zijn er, met name in Zuid-Europa, anti-austerity bewegingen opgekomen, zoals Podemos in Spanje of Syriza in Griekenland. Vaak voortgekomen uit grass roots sociale protestbewegingen vormen zij in termen van programma, electorale aantrekkingskracht en sociale organisatievormen een geduchte concurrent van de soms corrupte, vaker ‘vertechnocratiseerde’ en uitgebluste sociaaldemocratie.

Daarnaast zijn momenteel, vooral in West- en Oost-Europa, de zogenaamd rechtspopulistische partijen succesvol in hun kritiek op de gevestigde politiek van het brede midden. ‘Populistisch-radicaal-rechtse partijen’ (Cas Mudde): zo mogen politicologen ze graag aanduiden. Te denken valt aan partijen als het Franse FN, de Nederlandse PVV, de Scandinavische volkspartijen of de Duitse AfD. Zij profileren zich als anti-Europa, anti-migratie, anti-islam en anti-establishment.

WEGLEKKEN VAN KIEZERS NAAR TWEE KANTEN

‘Pasokification’ (op zijn Zuid-Europees of op zijn Noord-Europees) is een existentiële bedreiging voor alle gevestigde sociaaldemocratische partijen in Europa.

Inmiddels verscheen een artikel3 waarin het begrip ‘Pasokification’ zelfs van toepassing werd verklaard op de SAP, de Zweedse sociaaldemocratische partij, ooit baken en moederpartij van de Europese sociaaldemocratie. In Zweden wordt de traditionele sociaaldemocratische partij ondermijnd van twee kanten, net zoals dat het geval is in andere Noord- en West-Europese landen. De partij wordt samengeperst, gesqueezed, tussen aan de ene kant links-radicale en progressieve concurrenten en aan de andere kant rechts-populistische partijen. In Zweden raakt de SAP met name haar arbeidersaanhang kwijt aan de rechts-populistische Zweden-Democraten, die zeker in de vluchtelingencrisis haar finest electoral hour bereikt heeft (in de peiling van januari 2016 waren de Zweden-Democraten voor het eerst de grootste partij). In een stad als Stockholm verliest de SAP juist aan sociaal-progressieve en feministische partijen, die attractief blijken voor de grootstedelijke academische professionals.

‘Pasokification’ betekent hier het weglekken van voorheen sociaaldemocratische kiezers naar twee kanten, naar de anti-establishment partijen van het populisme en naar partijen die vooral identiteitspolitiek bedrijven voor academici. De sociaaldemocratie lijdt aldus onder een squeeze tussen populisme en elitisme.

Eerder hebben Frans Becker en ikzelf dit wel de spagaat van de sociaaldemocratie genoemd4: onder invloed van verzorgingsstaathervorming, globalisering, individualisering, de neoliberale kenniseconomie en migratie raakt het klassieke sociaaldemocratische electoraat verdeeld en gespleten. Daarmee staat de brugfunctie van de van oudsher brede sociaaldemocratische volkspartij op instorten. Pasokification in deze zin betekent dan: afnemende electorale omvang en macht van de sociaaldemocratie in Europa, door centrifugale en fragmenterende krachten.

‘Pasokification’ is dus een luid alarmsignaal, ook voor niet-corrupte sociaaldemocratische partijen. Of men het nu Pasokification noemt of niet, het project van de sociaaldemocratie staat onder grote druk. De naoorlogse politiek-maatschappelijke orde - verzorgingsstaat; sociale markteconomie (getemd kapitalisme); de rechtsorde van de arbeid; de liberale representatieve democratie; internationale samenwerking via Europese eenwording; een cultuur van samenwerking en gemeenschapszin - dit project van de sociaaldemocratie staat op de tocht. Door langer lopende sociologische ontwikkelingen, door het ‘globaliseringsconflict’ tussen hoger en lager opgeleiden in de samenleving die een ‘broken society of the left’ en een ‘farewell of the leftist working class’ met zich heeft meegebracht, en door niet begrepen en gesteund sociaaldemocratisch ‘Derde Weg-bezuinigingsbeleid’.

Dus niet alleen het project van de sociaaldemocratie staat op de tocht, de sociaaldemocratie zelf staat onder enorme druk. De allianties waarop zij lange tijd steunde - arbeiders, intellectuele en professionele middengroepen, vakbeweging, sociale bewegingen - zijn uit elkaar gescheurd of uit elkaar gespeeld. De naoorlogse volkspartijen - en dit geldt van Zweden tot Oostenrijk - zijn meer en meer ‘ontvolkt’ geraakt. Zoals Joop van den Berg het onlangs voor de Nederlandse PvdA alarmerend formuleerde: ‘De opkomst van SP enerzijds en de comeback van D66 anderzijds heeft laten zien dat de sociaaldemocratie als alliantie van intellectuele middenklasse en loonafhankelijke werknemers ernstig riskeert te bezwijken’.5

HOEZO LICHTPUNTJES VOOR LINKS IN EUROPA?

Met de actuele conditie van sociaaldemocratisch links is het dus nogal zorgelijk gesteld, en de trend lijkt de verkeerde richting uit te wijzen.

Kijk bijvoorbeeld naar de recente uitslag van de regionale verkiezingen in Frankrijk. Decennialang ging het in het Franse kiesstelsel om rechts tegen links. Tot in de tweede ronde, waarin rechts de krachten op rechts bundelde en links de partijen aan de linkerflank van het spectrum. Met de doorbraak van het Front National van Marine Le Pen naar het electorale midden, dreigt een permanente marginalisering van links. Grofweg zijn in Frankrijk de verhoudingen nu immers: 1/3 centrumrechts; 1/3 rechtspopulisme; 1/3 een optelsom van links en centrumlinks. De Franse PS voelde zich in de tweede ronde zelfs gedwongen om zich terug te trekken uit het Rode Noorden van Frankrijk, om op die manier het FN te blokkeren. Dramatisch.

Een veeg teken aan de wand is ook de situatie in de Centraal-Europese Visegrad-landen (Hongarije, Polen, Tsjechië en Slowakije). Neem Polen, het economisch meest succesvolle land. Daar is links geheel uit het parlement weggevaagd, en zijn alleen nog varianten van het nationaal-conservatief populisme overgebleven. Hoezo lichtpuntjes voor links in Europa?

Toch is het bepaald niet overal kommer en kwel. De Europese sociaaldemocratie is, om te beginnen, een grote bepalende speler in het Europees Parlement; de S&D-groep vormt daar nog altijd de op een na grootste politieke formatie. Opgeteld zijn de sociaaldemocratische partijen - juist ook omdat ze in zoveel landen zijn vertegenwoordigd - nog altijd een grote factor van betekenis.

Maar dat geldt ook nog in veel afzonderlijke landen. Niet te onderschatten valt dat in veel landen de sociaaldemocratie nog altijd regeert. Neem Frankrijk, Italië, Portugal, Zweden, Oostenrijk, Duitsland en Nederland, om er een aantal te noemen. Dat is niet overal een groot succes in termen van sociaaldemocratische beleidsuitkomsten of electoraal charisma (to put it mildly), maar het nuanceert wel het doembeeld van een wegkwijnende sociaaldemocratie.

Wat opvalt, is dat het opereren als junior-partner in een grote coalitie niet veel politiek profiel oplevert. Dat geldt voor de SPD in Duitsland, waar de kanseliersbonus van Angela Merkel (zelfs dwars door de vluchtelingencrisis heen) de SPD-kabinetsdeelname in de schaduw stelt. Het geldt ook voor Nederland. Zelfs in zo’n mate dat men wel eens in internationale politieke literatuur tegenkomt dat men denkt dat Nederland door centrumrechts wordt geregeerd. De PvdA valt helemaal weg in het beeld, of wordt qua beleid bij centrumrechts ingedeeld. Zo wordt Eurogroep-voorzitter Jeroen Dijsselbloem in Zuid-Europa als een noordelijke, ordoliberale Duitse pion gezien.

Er mag dan nog sprake zijn van een volwaardige sociaaldemocratie in Europa op dit moment. Het gaat wel om een beweging die omgeven wordt door een zekere toekomstangst. Velen binnen en buiten de partijen, spreken het vermoeden uit dat de sociaaldemocratische verworvenheden van de voorouders meer en meer op de tocht komen te staan. De Europese samenleving kampt met toenemende sociale ongelijkheid, met een toenemende disbalans tussen kapitaal en arbeid, tussen de belangen van internationaal ‘corporate power’ en het publieke domein, met massale (jeugd)werkloosheid en werkonzekerheid (het einde van de vaste baan), met grote polarisatie tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden (een nieuwe meritocratische standensamenleving op basis van onderwijsongelijkheid), en onder druk staande gemeenschapszin in multicultureel complexe samenlevingen.

Wat de zaak sterk compliceert en verergert, is dat de sociaaldemocratie - niet onbegrijpelijk - door grote delen van het electoraat als medeplichtig aan deze ontwikkelingen wordt beschouwd, en niet als tegenkracht. Het discours van de sociaaldemocratische partijelites - wij doen aan verzorgingsstaathervorming, juist om deze toekomstbestendig te maken en zo te behouden - wordt niet geloofd. Deze sociaaldemocratische ‘trickle down’-theorie (eerst versoberen, dan behouden) wordt gewantrouwd, zeker in een populistische tijd waarin er sprake is van groot politiek wantrouwen tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden.

Dit alles speelt regerende sociaaldemocraten parten, en dus de sociaaldemocratie in het algemeen. Want als men kijkt naar meer objectieve maatstaven, naar criteria om macht en invloed van de Europese sociaaldemocratie te meten, dan moet men toch een aanzienlijke positieverzwakking van de sociaaldemocratie vaststellen.
De vergelijkend politicoloog S. Wolinetz analyseerde recent de verkiezingsuitslagen van de Europese sociaaldemocratische partijen in de periode 1950-2015. In de percentages daarvan valt een evidente neergaande lijn te ontdekken. Grosso modo kan men op basis van die cijfers6 beargumenteren dat sociaaldemocratische partijen van 30%- en 40%-partijen in de laatste decennia vervallen zijn tot 10%- en 20%-partijen. Dat geldt in het bijzonder voor Oostenrijk, Nederland, Duitsland, Vlaanderen en de Scandinavische landen. Er is sprake van een duidelijke electorale neergang en van afnemende regeringsdeelname. Met scores in de 10% of 20% wordt het zelfbeeld en de zelfidentiteit van de sociaaldemocratie wel in het hart geraakt. Immers, de naoorlogse sociaaldemocratie vat zich op als een brede volkspartij, die hoog en laag, provincie en stad, academici en middengroepen met elkaar verbindt, rondom een programma voor de verzorgingsstaat en publieke voorzieningen. Partijen die onder de 30% zakken, zijn echter onder de kwantitatieve minimumnorm terechtgekomen die Duitse politicologen voor echt brede volkspartijen hanteren. Kwantiteit bedreigt hier kwaliteit.

DE POPULISTISCHE TEGENREACTIE

Het blijkt fataal te zijn, wanneer de sociaaldemocratie tegelijk cultureel liberaal wil zijn én economisch liberaal. Een fatale combinatie van libertair en neoliberaal. Daarmee raakt de sociaaldemocratie haar achterban kwijt, want die wordt sociaaleconomische (toekomst)zekerheid ontnomen. Anti-elite populisme is daar dan vervolgens de tegenreactie op. Als het cruciale onderscheid tussen ‘links’ en ‘rechts’ vervaagt of verdwijnt, dan komt een nieuwe scheidslijn daarvoor in de plaats, namelijk die van het populisme: het ‘volk’ tegen het ‘establishment’.

Die populistische tegenreactie uit zich op verschillende manieren. In Zuid-Europa ziet men een sterke positie van radicaal-links of neo-links (Syriza, Podemos, Beppe Grillo-Vijf Sterren Beweging). Deels te begrijpen als weerstand tegen wat daar wordt gezien als de neoliberale dominantie van Duitsland en zijn ‘vazalstaten’. In Noord- en Oost-Europa zie je juist een sterke opmars van het rechtspopulisme en zelfs van extreemrechts. Het draait dan om kernwoorden als nationale identiteit, nationalisme, racisme, xenofobie, anti-islam en anti-migratie, anti-EU en cultureel protectionisme.

Rechtspopulisme zou men kunnen zien als een geperverteerde afsplitsing van vooral liberale partijen. Zie Haiders FPÖ in Oostenrijk. Of Wilders met zijn PVV in Nederland en de Volkspartij in Denemarken. Ze zijn allemaal voortgekomen uit de liberale stroming. Maar electoraal en programmatisch vormt het rechtspopulisme wel degelijk ook een probleem en opgave voor de sociaaldemocratie. Want deze partijen mobiliseren niet zelden juist de zwaksten in de samenleving, vaak de kinderen van het oude kernelectoraat van de sociaaldemocratie. Zo gelden zowel FPÖ als Front National als de nieuwe arbeiderspartijen van respectievelijk Oostenrijk en Frankrijk. Zij tellen een veel groter aandeel laagopgeleiden onder hun kiezers dan de voorheen arbeiderspartijen der sociaaldemocratie.7

Bij de opmars van het rechtspopulisme dient zich de volgende existentiële vraag aan: is de sociaaldemocratie bezig aan de verkeerde kant van de ‘nieuwe klassenstrijd’ terecht te komen, of aan de goede kant van de strijd tegen het ‘nieuwe fascisme’ (in enkele andere landen is de scheidslijn tussen rechtspopulisme en rechtsextremisme gevaarlijk dun)?

DE GEVOLGEN VAN HET RECHTSPOPULISME

Men zou drie gevolgen kunnen schetsen van de opmars van het rechtspopulisme voor de sociaaldemocratie:

  1. Rechtspopulisme verschuift de politieke en publieke agenda van sociaaleconomisch naar cultureel. Het ‘culturaliseert’ (islamiseert) alle politieke vraagstukken, en kenmerkt zich door een focus op ‘eigen-volk-eerst’-solidariteit.

  2. Rechtspopulisme positioneert en demoniseert de sociaaldemocratie als establishment, als een verraderlijke elite, als volkspartij die het volk zou verraden. ‘Minder, minder PvdA’, schreeuwden de aanhangers van Wilders voordat ze toe waren aan de leuze over ‘minder Marokkanen’. Vooral op sociale media tref je een karikaturaal beeld van de PvdA aan, de PvdA als Partij van de Arabieren. Daarmee vervreemdt het rechtspopulisme doelbewust traditionele kiezersgroepen van de PvdA.

  3. De opmars van het rechtspopulisme vergroot de kans op rechts regeren. De optelsom van centrumrechts en rechtspopulisme marginaliseert in theorie linkse kabinetsdeelnames, tenzij er sprake is van een ‘cordon sanitair’. Dat op zich vergroot weer de kans op ‘grote coalities’ van politieke antipoden, die per definitie het links/rechts-onderscheid ondermijnen en zo weer ‘het gelijk’ van het populisme bevestigen dat de gevestigde politiek een There Is No Alternative-kartel vormt.

Populisme is, hoe dan ook, een belangrijk alarmsignaal van de representatie- en vertrouwenscrisis in onze samenleving. Van nieuwe tegenstellingen en scheidslijnen. Vooral tussen hoger en lager opgeleiden, tussen academische professionals en hun kinderen aan de ene kant, en de niet-academische professionals aan de andere kant.

In de analyses van het succes van FN kwam het begrip La France Périphérique naar boven. FN is sterk in de plaatsen en gebieden die zich buitengesloten voelen van de hoofdstroom van de globaliserende, moderniserende samenleving. Mensen die zich tweederangsburgers voelen met een onzekere toekomst, zonder voldoende sociale zekerheid en culturele continuïteit. Dit begrip van het perifere Frankrijk is gemunt door de Franse geograaf Christophe Guilluy. Zijn essay uit 2014 luidt: La France périphérique. Comment on a sacrifié les classes populaires. Ofwel:hoe men de volksklasse, de ‘gewone man in de provincie’ heeft opgeofferd aan de vooruitgang.

We raken hier aan de kern van het falen van de sociaaldemocratie in de laatste decennia, en de kern van het waarom van het populisme. Dat is een verhaal van verweesdheid, in de steek gelaten zijn, niet meegenomen en begeleid zijn in de modernisering van het bestaan.

De Engelse politiek theoreticus en oud Labour-politicus David Marquand heeft dit laatst scherp onder woorden gebracht in zijn analyse van het waarom van de inbraak van het Britse UKIP in het kernelectoraat van de Labour Party. Met name in Noord-Engeland. Ook hij stelt: ‘The rise of the populist radical right is an epiphenomenon of a profound crisis of the social-democratic left’. Het rechtspopulisme verdient zijn grote succes aan kiezers die zich ‘left behind’ voelen.

Actuele ontwikkelingen bevestigen eerder dan ontkennen deze diagnose:

  • Een enorm groeiend deel van de (nieuwe) werknemers heeft niet eens meer een vaste baan. Dit de facto afschaffen van de vaste baan als toekomstbaken voor jongeren is vloeken tegen de ‘rechtsorde van de arbeid’ (Banning). Mensen en organisaties worden onderworpen aan een regime van permanente flexibilisering.
  • Mensen blijken door alle hervormingen en veranderingen de weg kwijt te zijn geraakt in de verzorgingsstaat (aldus een recent rapport van het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau).
  • Europa kenmerkt zich door zowel een crisis van input als van output.
  • Er is sprake van onbeheersbare en slecht begeleide vluchtelingen- en migratiestromen, en een goed integratiebeleid is nog nooit ontwikkeld.

Een klassiek sociaaldemocratisch programma, dat alles zet op hernieuwde sociaaleconomische zekerheid en culturele continuïteit, zou een belangrijke remedie tegen de voedingsbodem van het populisme kunnen zijn. Zij zal dan eerst, bij wijze van Echternach Processie (één stap terug, twee vooruit), nationaal het sociaal contract van de verzorgingsstaat moeten herstellen. Dit is een noodzakelijke voorwaarde voor een alternatief politiek project voor Europa. De uitgebluste sociaaldemocratie zal daarvoor een bondgenootschap moeten aangaan met links-radicale en groene partijen en sociale bewegingen. Om centrumlinks weer te verbinden met links en om gewone burgers weer te verzoenen met het Europees project.

DE SOCIAALDEMOCRATIE AARZELT

De Europese sociaaldemocratie bevindt zich ten opzichte van centrumrechts, brutaal rechtspopulisme en linkse concurrentie, meer en meer in het defensief. Centrumrechts is de bovenliggende stroom in economische crisistijden. Vanwege haar vermeende economische competentie en banden met bedrijfsleven en marktsector. Zie de makkelijke overwinning van Cameron op de Britse Labour Party; zie de machtspositie van CDU/CSU ten opzichte van SPD; zie de verhouding VVD en PvdA in Nederland.

De tegenstem in tijden van austerity politics, eurocrisis en vluchtelingencrisis is die van rechts-populisten of radicaal-links, niet die van de sociaaldemocratie. De sociaaldemocratie fungeert, ietwat theatraal voorgesteld, als amendement, als voetnoot, bij de rechts-liberale hegemonie. Ze is noch in de aanval noch in de verdediging als het gaat om beleidsdynamiek. Ze zet zich niet schrap om het naoorlogse model van de verzorgingsstaat en de representatieve democratie te verdedigen tegen aanvallen daarop, maar is ook geen avant-garde bij het creatief hervormen en sociaal innoveren van de samenleving.

De Europese sociaaldemocratie aarzelt tussen het midden en de onderkant. Wie zijn nog de sociaaldemocratische kiezers? Hoe te opereren in een verdeeld electoraat van relatief zelfredzame academische professionals, ontevreden middengroepen en lagere middenklasse en migranten?

En de Europese sociaaldemocratie is, ondanks haar Europese retoriek, toch vooral nationaal gericht. Zie hoe bijvoorbeeld de Nederlandse PvdA feitelijk voor het nationale kiest, als je ziet dat de meest ambitieuze kandidaten niet beschikbaar zijn voor de Europese lijst en dat Kamerleden zelden in Brussel hun gezicht laten zien.

De sociaaldemocratie aarzelt ook tussen markt, staat en lokale gemeenschap. Sturing of zelfsturing van en in de samenleving? Ze definieert zich volstrekt onvoldoende als partij van het publieke domein, van de publieke sector en de publieke sfeer (daar waar staatsburgers gelijkwaardig zijn) tegenover het heersende marktfundamentalistische model, de algehele vermarkting en de commodificatie van mens en samenleving (daar waar geld en afkomst bepalende factoren zijn).

VERDEELD HUIS

Het ontbreekt binnen de Europese sociaaldemocratie over de gehele linie aan leiderschap dat een richting weet te forceren of mensen daartoe kan verleiden. De Europese sociaaldemocratie is een verdeeld huis. Omdat bij velen nationale reflexen prevaleren en ‘de fictie van Europese eenheid en samenwerking’ vooral lippendienst wordt bewezen. De diepe scheidslijnen die in Europa door de eurocrisis - tussen Noord en Zuid - en de vluchtelingencrisis - tussen West en Oost - werden getrokken, belasten en verdelen ook de Europese sociaaldemocratische broederschap. Er zijn uiteenlopende visies op de gewenste politieke economie, nationaal en Europees.

Zo zien we dat de premiers Manuel Valls in Frankrijk en Matteo Renzi in Italië bezig zijn met een Derde Weg après la lettre. Zij gedragen zich net zoals hun voorbeelden Blair en Schröder, en maken vooral vijanden in eigen kring, en vervreemden het traditionele sociaaldemocratische electoraat van zich, dat zo een makkelijke prooi wordt voor - zeker in deze tijden van islamterrorisme en vluchtelingencrisis - rechtspopulistische partijen.

De Duitse SPD en de Nederlandse PvdA zijn tamelijk onzichtbare en volgzame juniorpartners in een Grote Monsterverbond Coalitie. Hun profiel, in de ogen van het electoraat, is meebuigen met rechts-liberaal beleid in Europa. Financiële soliditeit boven nationale en Europese solidariteit. Men opereert binnen de mainstreamopvattingen van de beleidsmakers. Ondanks (of juist als gevolg van) de enorme druk van populisme en links-radicalisme (Die Linke, SP, PVV, AfD) en elitisme (Groen, D66) opereert men veel te risicoloos.

De mediterrane sociaaldemocratische partijen, PSOE en PASOK, worden hard afgerekend als corrupt establishment, de een meer dan de ander. Zij worden existentieel uitgedaagd door Podemos en Syriza, nieuwe moderne linkse volksbewegingen. In Portugal heeft de sociaaldemocratische PS eieren voor haar geld gekozen, en samen met het Linkse Blok en de communistische partij, tegen rechtse weerstanden in Portugal en Europa in, een linkse meerderheidsregering gevormd, die wil proberen het hardvochtige bezuinigingsdictaat van de Trojka bij te stellen.

Er zijn een paar andere veranderingen ten goede. Noem ze sociaaldemocratische lichtpuntjes.

Op de laatste SPD Parteitag in Berlijn was duidelijk een herstel te zien van de relatie tussen SPD en de Duitse vakbeweging. Voorbij leek even het trauma van de brute verzorgingsstaathervorming van Agenda 2010.8 In Noorwegen zijn de sociaaldemocraten expliciet teruggekomen van de Derde Weg-koers. De partij is opnieuw lokaal en regionaal van de grond af opgebouwd en, naar men zegt, opnieuw zeer vitaal geworden: een lichtend voorbeeld voor Scandinavië. Sowieso loopt Scandinavië voorop met vergaande verbindingen tussen linkse partijen tegen het rechtse blok. Sociaaldemocraten, Groenen, feministen en sociaal-radicalen werken productief en in harmonie samen. Samen hebben ze een meerderheid in steden als Stockholm. Ook onder jongeren.

In de Nederlandse PvdA is er het Wiardi Beckman Stichting- en partijproject Van Waarde. Dat heeft, met wisselend succes, geprobeerd PvdA af te helpen van haar fixatie op regeermacht en bestuurlijk-technocratische oplossingen. Back to the roots. Terug naar het perspectief van burgers en professionals. Terug naar sociaaldemocratische kernwaarden.

UIT HET DEFENSIEF

Maar het moet gezegd: de Europese sociaaldemocratie is geen schim meer van wat ze ooit is geweest. Niet te ontkomen valt aan typeringen als: volkspartijen zonder volk; sociale bewegingen zonder beweging. Zie ook de kwantitatief goed onderbouwde, maar sombere analyse van Pascal Delwit in een vorig nummer van Samenleving en politiek: ‘Afscheid van het sociaaldemocratisch model’.9 Wie extreem somber is, kan het gevoel krijgen dat we zelfs getuige zijn van de langzame zelfmoord van de sociaaldemocratie. Politics against markets? Het was ooit een zelfdefinitie van de Scandinavische sociaaldemocratie, maar de sociaaldemocratie blijkt totaal niet meer opgewassen te zijn tegen de belangen en de macht van het internationale bedrijfsleven, en doet zelfs eigenstandig mee met de afbraak van het sociale en publieke domein.

De ongelijkheid groeit zienderogen. Men staat erbij en kijkt er naar. Geen out-of-the-box beleidscreativiteit bij sociaaldemocraten. Er ontstaat een meritocratische standensamenleving, met onderwijskansen als nieuwe herverdeler, maar tot werkelijke correcties op deze bijna-sociaal-darwinistische trend komt het niet. De democratie wordt geweld aangedaan door autoritaire en antidemocratische tendensen, ook door de EU. De rechtsstaat staat onder druk van het rechts-populisme, dat pluralisme afwijst, en de gevaarlijke fictie van een ‘één-en-ondeelbaar’ (etnisch) volk omhelst, met gelijktijdige uitsluiting van religies en levensovertuigingen.

De permanente hervormingen en versoberingen van de verzorgingsstaat hebben het gevoel van sociale zekerheid bij grote delen van de bevolking aangetast. Het sociaal contract van ons naoorlogs samenlevingsmodel is ontbonden. Slecht begeleide massamigratie creëert bovendien een nieuwe ‘onderklasse’, die suggereert dat de Europese sociaaldemocratie helemaal opnieuw moet beginnen. 100 jaar sociale strijd van onze ouders moet worden overgedaan (emancipatie tot volwaardig burgerschap, arbeidszekerheid). Ook tegen het zich opnieuw machtig ontplooiende mondiale kapitalisme.

En niet alleen sociaal, ook cultureel lijkt de emancipatiestrijd overgedaan te moeten worden. De influx van groepen fundamentalistische moslims zet verworvenheden als vrouwen- en homo-emancipatie, vrijheid van religieuze dwang, en de strijd tegen racisme en antisemitisme in de grote Europese steden ernstig onder druk.

Maar voor wie extreem optimistisch is, is er ook munitie voorradig. Wie zou echt terug willen naar ‘Andere (vroegere) Tijden’? Momenteel beleven we toch zo’n beetje het beste aller tijden? Misschien hebben we precies daarom zo’n toekomstvrees: omdat we zo enorm veel te verliezen hebben. Er is grote vrijheid, welvaart, sociale mobiliteit, internationale oriëntatie. Globalisering en Europeanisering hebben onze horizons spectaculair verlegd. Vrouwen zijn gelijkwaardig geworden, migranten zijn in opmars in de steeds diverser wordende samenlevingen. Het wemelt van nieuw ondernemerschap. Mensen zijn hun eigen baas geworden. Zie de jonge start-ups. We denken internationaler dan ooit, en velen redden zich goed (al vallen er ook veel mensen keihard uit de boot, voorbij elementaire fatsoensgrenzen van bestaanszekerheid). Maar als een faire verdeling wordt nagestreefd en niemand aan de kant wordt gezet, is deze tijd rijk aan mogelijkheden.

En toch. Een sociaaldemocratische volkspartij kan niet én cultureel liberaal zijn én economisch liberaal, zonder zijn ziel (en achterban) te verliezen. Sociaaldemocraten kunnen niet onverkort individualisme zonder solidaire gemeenschapszin omhelzen. Noch multiculturalisme ten koste van progressivisme en gezond verstand. Noch een maatschappij die louter marktsamenleving dreigt te worden.

Neem het gemiddelde PvdA-kaderlid in Nederland. Die lijkt tegenwoordig over een GroenLinks-wereldbeeld te beschikken (daar is op zich helemaal niets mis mee), maar daar hoort qua partij dan ook de omvang van GroenLinks bij: een partij van 8 tot 10 zetels. Een GroenLinks wereldbeeld is lastig te verenigen met de positie van een brede, in de samenleving gewortelde, volkspartij.

Wie een tegenwicht wil bieden aan de nieuwe ongelijkheid, aan de splijtende krachten van onze marktsamenleving en meritocratische standenmaatschappij, zal opnieuw moeten koersen op een brede alliantie. Van lagere middengroepen en hogere middengroepen. En alles daartussenin.

Ook een moderne vakbeweging mag daarbij niet ontbreken. Een sociaaldemocratische partij die zijn rug keert naar de vakbeweging is als een christendemocratische partij die de kerk vaarwel zegt, of als een conservatief-liberale partij die de afschaffing van multinationals bepleit. Juist in deze tijden waarin de naoorlogse ’rechtsorde van de arbeid’ (Banning) opnieuw op springen staat, is een nieuwe wederzijdse oriëntatie van sociaaldemocratie en vakbeweging geboden. Opdat de verworvenheden van een eeuw sociale strijd niet op de mestvaalt der geschiedenis belanden.

TOT SLOT: EEN NIEUW PACT TEGEN SOCIALE POLARISATIE

In de afgelopen decennia zijn onze samenlevingen geconfronteerd met grote veranderingen: globalisering van economie en financiële wereld; nieuwe technologie; de opmars van de postindustriële kenniseconomie; slecht gemanagede massamigratie vanuit regio’s die niet aangepast zijn aan de westers-liberale levensstijl en waarden; een Europees integratieproces dat de markt totaal heeft overgewaardeerd en nationale democratische procedures en normen heeft ondermijnd.

Deze veranderingen hebben een enorme impact gehad op de levens van gewone burgers. Deze wereld in flux heeft de kansen herverdeeld: tussen landen, regio’s en personen. Dit alles heeft met name hoogopgeleiden en (kans)rijken begunstigd.

Grosso modo, was de sociaaldemocratische respons in de afgelopen decennia er een van aanpassing en accommodatie aan veranderde omstandigheden. De politieke beleidselite, met inbegrip van de sociaaldemocraten, maakte van permanente hervorming haar politieke handelsmerk: de Grote Aanpassing aan de Nieuwe Mondiale Wereldorde. En dus moest alles flexibeler, grootschaliger, zakelijker, efficiënter, internationaler en onpersoonlijker.

De aanpassingsfricties werden vooral een probleem voor diegenen die niet zouden passen in de nieuwe internationale kenniseconomie, de lager opgeleiden en ‘low-skilled’. De niet-flexibelen en de niet-internationalen. Het meritocratisch discours over aanpassing en competitie in de nieuwe globaliserende wereld zet vooral niet-academische professionals als verliezers neer. Dit is een van de oorzaken van het populistisch onbehagen en ressentiment. Tot diep in de middengroepen en tot diep in de provincie. En het is een van de hoofdoorzaken van de vertrouwenskloof tussen hoogopgeleiden en laagopgeleiden, tussen politiek en burgers.

Het grootste risico voor de hedendaagse sociaaldemocratie is een meltdown van de sociaaldemocratische partijen, een splijting van deze partijen. Wat dreigt is een fragmentatie in twee kampen: een kamp van sociaal-liberale kosmopolitische academici en een kamp van meer traditionele vakbonds-sociaaldemocraten. Deze splijting zou een pars pro toto zijn voor de centrifugale en fragmenterende krachten die in de samenleving als geheel werkzaam zijn. Dit zou de middenklasse-samenleving die Europa grotendeels vormt, bedreigen, en de sociale cohesie en onderlinge solidariteit fundamenteel aantasten.

Wat dan onder vuur ligt, is het Europees sociaal model: Europa dreigt te ‘Amerikaniseren’. Onder vuur ligt per implicatie dan ook de Europese sociaaldemocratie als coalitie, als voorheen verbindingsbrug en connector tussen geprivilegieerden en niet-geprivilegieerden, hogere en lagere middengroepen. De brandende kwestie voor de hedendaagse sociaaldemocratie is daarmee: hoe de eigen partijen bijeen te houden, en al doende ‘de samenlevingsboel’ nog enigszins bij elkaar te houden.

Wat moet daarvoor gedaan worden? Noodzakelijk is allereerst een repolitisering van de sociaaldemocratie, een repolitisering van een links alternatief project. Dit om de post-politieke situatie (zoals scherp geanalyseerd door Chantal Mouffe) waarin we ons bevinden te doorbreken. Er moet worden gebroken met een situatie waarin er geen rechts en links meer is, maar louter een ‘There Is No Alternative’-centrumpolitiek onder centrumrechtse leiding. Met als enige daartegenover de alarmistische en sociale vrede bedreigende demagogie van het rechts-populisme. Deze situatie kan links en de progressieven niet veel langer laten voortbestaan.

Er zal tegenover het doembeeld van het rechtspopulisme aan mensen een positief alternatief geboden moeten worden. Een herstel van sociale zekerheid en culturele continuïteit. Meer grip en controle over de nabije toekomst. Een alternatief Europees project ook. Met meer gevoeligheid voor nationale democratie en culturele variatie. Een heterogener Europa dat niet slechts de belangen van internationale elites en corporate belangen dient.

Terecht stelt Chantal Mouffe dat er niet zozeer een totale crisis van het Europese project is, maar wel ‘a crisis of the neo-liberal incarnation of the European project’. Aldus Mouffe: ‘The problem is that for many people the European Union is so closely identified with this neo-liberal incarnation that they believe there is no possibility to transform it into something else. Europe is neo-liberalism for these people’.

De sociaaldemocratie zal zich uit haar post-politieke verdwijntruc in het politieke centrum moeten bevrijden. Daarvoor zal ze de energie en dynamiek, het organisatie- en mobilisatievermogen nodig hebben - het is niet anders - van haar links-radicale tegenstanders/concurrenten/vijanden.

Er valt veel naars en vervelends te zeggen over Syriza, Podemos, SP of de Scandinavische links-radicale partijen, maar ze herbergen niet alleen veel sociaaldemocratische spijtoptanten, het zijn ook belangrijke anti-bezuinigingsbewegingen, die - anders dan de gouvernementele, uitgebluste Europese sociaaldemocratie - mensen (en zelfs jonge mensen) weten te raken en van onderop weten te organiseren. Die - hoe onvoldragen vaak ook nog - wel ideeën aandragen voor een links-alternatief project tegen neoliberalisme, rechtspopulisme en Europese technocratie.

De sociaaldemocratie zal zich hiervoor gedurfd en productief moeten openstellen (op straffe van ‘Pasokification’). Een bondgenootschap met linkse partners zal van levensbelang zijn om een hernieuwd sociaal pact tussen kansrijken en kansarmeren te kunnen sluiten. Een pact met aan de ene kant sociaaleconomische zekerheid (verzorgingsstaatstabiliteit en -continuïteit) en aan de andere kant culturele openheid (een tolerante, niet-xenofobe, internationale mindset met behoud van nationale democratie). Het doel moet zijn: een hernieuwde alliantie tussen lagere en hogere middengroepen tegen een ontspoorde neoliberale marktsamenleving en de ‘uitsluitingssamenleving’ van het rechtspopulisme.

René Cuperus
Directeur Internationale Betrekkingen van de Nederlandse Wiardi Beckman Stichting (WBS), denktank van de PvdA en columnist van de Volkskrant
(Dit artikel is een voorpublicatie van een langer essay dat gepubliceerd wordt in het 35e Jaarboek WBS, getiteld: De belofte van een ander Europa)

Noten
1/ Een prachtige Britse omschrijving van David Marquand, ‘Can social democracy rise to the challenge of the far right across Europe?’, New Statesman, 9 december 2015.
2/ Onlangs had ik in de voortreffelijke Vooruit in Gent, op het Toekomstcongres van de sp.a., nog een inspirerende discussie met Francisco Orozco, een vertegenwoordiger van Podemos, samen met Caroline Gennez en Jan Cornillie. 12 december 2015.
3/ Katrine Marcal, ‘Löfven gets down to governing’, State of the Left/Policy Network, 21 maart 2015.
4/ Frans Becker & René Cuperus (red.), Verloren slag. De PvdA en de verkiezingen van 2006.
5/ Joop van den Berg, ‘De langzame ontworteling van de Nederlandse sociaaldemocratie’, In: Frans Becker en Gerrit Voerman (redactie), Zeventig jaar Partij van de Arbeid, Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2016.
6/ Steven B. Wolinetz, ‘Sociaaldemocratie in tijden van globalisering’, in: Frans Becker & Gerrit Voerman (redactie), Zeventig jaar Partij van de Arbeid, Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2016.
7/ Mark Lazar, ‘Une crise qui n’en finit pas’, in: Situations du socialisme Européen, La Revue Socialiste, 60, november 2015, pp. 7-19.
8/ Zie hiervoor uitgebreider mijn blog op de website van de WBS: ‘Sociaaldemocratie zonder vakbond = christendemocratie zonder kerk’, 6 januari 2016.
9/ Pascal Delwit, ‘Afscheid van het sociaaldemocratisch model’, in: Sampol, 1/2016, pp. 24-38.

Literatuur
- Tim Bale, ‘Should Labour fear ‘Pasokification’?’, State of The Left, Policy Network, 10 maart 2015.
- Frans Becker & Gerrit Voerman (red.), Zeventig jaar Partij van de Arbeid, Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2016.
- Frans Becker & René Cuperus, ‘Innovating Social Democracy Houdini-style. A Perspective from the Dutch Labour Party (PvdA)’, in: The Future of Social Democracy/Die Zukunft der Sozialdemokratie, IPG, 4/2010, pp. 100-115.
- Felix Butzlaff, Matthias Micus & Franz Walter (Hrsg.), Genossen in der Krise? Europas Sozialdemokratie auf dem Prüfstand, Zeit Online/Vandenhoeck & Ruprecht, 2011.
- René Cuperus, ‘Populism against Globalisation. A new European Revolt’, Policy Network, Immigration and Integration: A new Center-Left Agenda, London, 2007, pp. 110-120.
- René Cuperus, ‘The Vulnerability of the European Project’, in: A. Giddens (et. al. Eds.), Global Europe, Social Europe (London, 2006), pp. 91-105.
- René Cuperus, ‘Comment les partis populaires ont (presque) perdu le people? Pourquoi devons-nous écouter le réveil du populisme?, in: La Revue Socialiste, 60, november 2015, pp. 57-67.
- André Krouwel & Nachson Rodriques Pereira, ‘Gesmolten kern‘, in: Socialisme & Democratie (Toekomst voor links), 2/2015, pp. 5-13.
- David Marquand, ‘Can social democracy rise to the challenge of the far right across Europe?’, New Statesman, 9 december 2015.

sociaaldemocratie - populisme - Europa - ideologie

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 2 (februari), pagina 13 tot 27