Log in

Waarom John Crombez partijvoorzitter werd

In juni vorig jaar werd John Crombez door de leden van sp.a verkozen tot nieuwe partijvoorzitter. Hij behaalde 77,6 procent van de stemmen en klopte zo uittredend voorzitter Bruno Tobback. In dit artikel onderzoeken we wie er deelnam aan deze voorzittersverkiezingen en hoe en waarom partijleden hun keuze maakten voor één van de twee kandidaten. We komen tot de conclusie dat inhoudelijke verschillen maar een zeer beperkte rol speelden. In de analyse van de deelname en keuzemotieven bij de sp.a-voorzittersverkiezingen speelde vooral ‘de kracht van verandering’ een rol.1

INLEIDING

De sp.a-voorzittersverkiezingen die werden gewonnen door John Crombez waren, om meerdere redenen, opmerkelijk.

Vooreerst sprong de lange aanloop in het oog. Door de strenge voorwaarden die sp.a oplegt aan partijleden die willen kandideren, nam het veel tijd in beslag om hieraan te voldoen. Merkwaardig genoeg was het uittredend voorzitter Bruno Tobback die de meeste moeite had om steunbetuigingen van 10 lokale afdelingen (die bovendien ook nog eens uit 2 verschillende provincies moesten komen en samen minstens 5.000 leden moesten tellen) te verzamelen. Sp.a heeft de strengste regels voor kandidaatstelling van alle Vlaamse partijen2, en dat liet zich voelen.

Dit maakte dat er lang voor de verkiezingen plaatsvonden al heel wat media-aandacht aan besteed werd. Eerst stond het kandidaatstellingsproces centraal, later werd in debatten binnen en buiten de partij ingezoomd op inhoudelijke en andere verschillen (of het gebrek eraan), en hetzelfde werd nog eens overgedaan in een reeks individuele interviews en in een dubbelinterview in dit tijdschrift.3

Tot slot waren deze voorzittersverkiezingen bijzonder omdat het nog maar de derde keer in de Belgische partijgeschiedenis was dat een zittend voorzitter in ledenverkiezingen verslagen werd door zijn uitdager. Onfortuinlijke voorgangers van Bruno Tobback waren Patrik Vankrunkelsven (VU, 2000) en Herman De Croo (VLD, 1997). Sp.a had tot nu toe een traditie van weinig competitieve voorzittersverkiezingen (met uitzondering misschien van 2007 toen Erik De Bruyn Caroline Gennez uitdaagde).

In dit artikel gaan we dieper in op deze historische voorzittersverkiezingen. Op basis van een schriftelijke bevraging van sp.a-partijleden4 proberen we te achterhalen wie zijn stem heeft uitgebracht bij deze verkiezingen en welke factoren de keuze voor Crombez of Tobback bepaalden.

WIE NAM ER DEEL?

In de wetenschappelijke literatuur zijn er verschillende modellen die participatie aan voorzittersverkiezingen kunnen verklaren. In dit artikel testen we drie van deze modellen.

Er is eerst en vooral het ‘instrumental motivation’ model dat stelt dat leden zullen deelnemen omdat ze impact willen hebben op de koers van de partij. We testen dit hier door te kijken naar de mate waarin inhoudelijke overwegingen (meer bepaald het sociaaleconomisch programma van de partij) een reden was om lid te worden van de partij, en naar de mate waarin leden impact denken te kunnen hebben op de standpunten van de partij door te stemmen.

Een tweede model dat we testen, is de ‘mobilization theory’ volgens dewelke leden zullen participeren als ze daarin aangemoedigd worden door anderen (in dit geval collega-partijleden). We meten dit door te kijken naar het aantal leden van de eigen lokale afdeling dat heeft deelgenomen aan deze voorzittersverkiezingen, en door de algemene activiteitsgraad van de afdeling (d.i. hoeveel externe activiteiten ze per jaar organiseert).

Ten derde analyseren we de ‘resource theory’, die stelt dat leden die over veel ‘resources’ beschikken zoals tijd, kennis en interesse, meer zullen deelnemen aan interne verkiezingen. We meten dit rechtstreeks (door te kijken naar de mate van politieke interesse) en onrechtstreeks (door de analyse van variabelen die vaak samenhangen met deze ‘resources’, zoals gender, opleidingsniveau en leeftijd).

Tot slot nemen we ook lidmaatschap van het lokaal partijbestuur op als variabele, omdat leden die al actief zijn in de partij ook vaker zullen deelnemen aan inspraakactiviteiten in de partij.

In Tabel 1 worden de resultaten weergegeven. De verklarende variabelen worden hieronder per model weergegeven en besproken.

\*\*\* p 0.00 ; \*\* p 0.05 ; \* p 0.1.

Wat het ‘instrumental motivation’ model betreft: de reden om lid te worden (socio-economisch programma) heeft geen significant effect op al dan niet deelname; de impact die men denkt te hebben wel. Partijleden die menen dat ze weinig impact hebben, participeren minder dan degenen die menen dat ze veel impact kunnen hebben. Tussen leden die vinden dat ze gemiddelde impact hebben en leden die hun impact als groot inschatten zijn er evenwel geen (significante) verschillen. Al bij al is het effect van de gepercipieerde impact dus eerder gering.

De ‘mobilization theory’ wordt bevestigd, maar enkel voor de deelname aan voorzittersverkiezingen zelf: afdelingen waar veel leden hun stem uitbrengen, zetten andere leden van de afdeling ertoe aan om hetzelfde te doen. Afdelingen die veel andere activiteiten organiseren hebben geen (significante) invloed op het deelnamegedrag aan voorzittersverkiezingen.

Inzake de ‘resource theory’ is er een rechtstreeks effect van politieke interesse. Partijleden met veel politieke interesse, hebben een grotere kans om hun stem uit te brengen. Van de onrechtstreekse variabelen heeft enkel geboortejaar een significant effect, d.w.z. dat oudere partijleden meer deelnemen dan jongere, een fenomeen dat zich ook voordoet bij andere Vlaamse partijen. Geslacht en opleidingsniveau daarentegen hebben geen significant effect. Dit wil zeggen dat vrouwelijke en laaggeschoolde partijleden in gelijke mate hun stem uitbrengen in vergelijking met mannen en hooggeschoolden.

Tot slot hebben leden die al actief zijn in het partijbestuur van hun afdeling iets meer kans om deel te nemen aan deze voorzittersverkiezingen.

Conclusie? De oudere partijleden die menen dat ze impact kunnen hebben door hun stem uit te brengen, die politieke interesse hebben, die lid zijn van een afdeling waar veel leden stemmen en die deel uitmaken van het lokale partijbestuur hebben een grotere kans om deel te nemen aan deze voorzittersverkiezingen. Wie interne verkiezingen wil winnen, moet dus vooral deze oudere en geëngageerde leden trachten te overtuigen.

Dit betekent ook dat geen van de theoretische verklaringsmodellen dominant is: elementen uit elk van de drie modellen leveren een significante bijdrage aan de verklaring van het al dan niet uitbrengen van een stem bij de voorzittersverkiezingen.

HOE BEPAALDEN SP.A-LEDEN HUN KEUZE?

Een tweede vraag die we in dit artikel willen behandelen, is hoe en waarom leden hun keuze maakten tussen John Crombez en Bruno Tobback. Dit proberen we op twee verschillende manieren te achterhalen. We vergelijken eerst het profiel en de inhoudelijke standpunten van de leden die voor Crombez stemden met deze van de leden die voor Tobback kozen. Daarna bespreken we de resultaten van een rechtstreekse vraag waarin partijleden in eigen woorden konden uitleggen waarom ze kozen voor een welbepaalde kandidaat.

In Tabel 2 schatten we drie verklaringsmodellen voor de keuze bij de voorzittersverkiezingen: Model 1 met het profiel van sp.a-partijleden, Model 2 met inhoudelijke variabelen, en Model 3 dat profiel- en inhoudelijke variabelen combineert.

\*\*\* p 0.00 ; \*\* p 0.05 ; \* p 0.1.

We starten met de bespreking van het profiel van de leden die voor Tobback respectievelijk Crombez stemden. Er komen uit Model 1 twee significante effecten naar voren: leden zonder diploma hoger onderwijs stemmen vaker voor Tobback, en leden uit West-Vlaanderen (en in iets mindere mate uit Oost-Vlaanderen) stemmen vaker voor Crombez. Tobback slaagt er niet in om in zijn eigen provincie Vlaams-Brabant een gelijkaardig (significant) effect te realiseren. We namen de provincie Antwerpen (thuisbasis van de ‘running mates’ van beide kandidaten) als referentiecategorie. Andere verschillen (zoals geslacht en leeftijd) maken geen verschil. Model 2 in Tabel 2 kijkt naar de inhoudelijke verschillen tussen beide kiezersgroepen. Op voorhand werd gesteld dat de inhoudelijke verschillen beperkt waren. In het reeds eerder genoemde dubbelgesprek (Sampol, mei 2015) kwamen twee mogelijke conflictlijnen naar voren: John Crombez positioneerde zich iets linkser dan zijn tegenkandidaat, en hij verklaarde meer oog te zullen hebben voor de leden.

De links-rechtstegenstelling hebben we gemeten aan de hand van vier variabelen: een algemene links-rechts-schaal, een beoordeling van de mate waarin de partij momenteel zeer veel aandacht heeft voor arbeiders, de houding inzake moreel-ethische thema’s (zoals homohuwelijk en legalisering cannabis) en de waardering van een andere linkse partij (Groen).

De rol van partijleden werd gemeten door het verschil te nemen van de gewenste invloed voor partijleden met de ingeschatte werkelijke invloed (telkens op een schaal van 1 tot 7). Daarnaast is er een andere variabele die de huidige tevredenheid over het lidmaatschap weergeeft.

De resultaten tonen aan dat de verklarende kracht van inhoudelijke variabelen zeer beperkt is (zie Model 2). De houding ten opzichte van Groen is eigenlijk de enige variabele die een duidelijk significant verschil te zien geeft: Crombez-kiezers staan positiever ten opzichte van deze partij dan Tobback-stemmers. Op een schaal gaande van 1 tot 10 geven Tobback-kiezers een score van 6,1 aan Groen, terwijl aanhangers van Crombez deze partij gemiddeld 6,7 op 10 geven (niet in tabel).

Ook voor de aandacht die de partij heeft voor arbeiders, is er een (zeer licht) significant effect: Tobback-kiezers menen in grotere mate dat de partij nu al veel aandacht besteedt aan de belangen van arbeiders. Dit kleine effect verdwijnt als de profiel-variabelen aan de analyse worden toegevoegd (zie Model 3). In dat laatste model is ook opleidingsniveau niet langer significant.

In geen van de modellen nemen Crombez- en Tobback-kiezers een (significant) andere positie in op een links-rechtsschaal, noch verschillen ze inzake moreel-ethische kwesties.

We kunnen drie zaken concluderen: John Crombez heeft zeer sterk gescoord in zijn eigen provincie (West-Vlaanderen), wat niet het geval is voor Bruno Tobback (Vlaams-Brabant). Crombez heeft sterker dan Tobback gescoord onder partijleden die een hoge waardering hebben voor Groen. Maar globaal zijn de inhoudelijke verschillen5 tussen Crombez-kiezers en Tobback-kiezers eerder beperkt, wat wijst op een beperkte inhoudelijke verdeeldheid in de partij.6

WAAROM JOHN CROMBEZ?

Als inhoudelijke verschillen maar een beperkte verklaring kunnen geven voor stemgedrag, dan moeten we op zoek gaan naar andere verklaringen. We doen dit door een open vraag te analyseren waarin gepeild werd naar de motivatie voor het stemgedrag. De respondenten van ons onderzoek konden in hun eigen bewoordingen uitleggen waarom ze voor een bepaalde kandidaat gestemd hebben. Naderhand hebben wij deze antwoorden opgedeeld in categorieën.

Uit Tabel 3 blijkt dat bijna de helft van de sp.a-leden (45,7%) zich heeft laten leiden door de manier waarop iemand aan politiek doet. Men stemt voor een kandidaat die men betrouwbaar, vriendelijk, dynamisch, spontaan, teamgericht, … vindt of voor een kandidaat die het goed kan uitleggen. Zowel voor Crombez als voor Tobback zijn dit het soort antwoorden die het vaakst voorkomen (al zijn ze iets talrijker bij Crombez dan bij Tobback).

\*\*\* p 0.00 ; \*\* p 0.05 ; \* p 0.1.

Het antwoord dat het tweede meest wordt vermeld, is ‘verandering’: 32,6% van de partijleden vermeldt dit als algemene motief om een stem uit te brengen. Het gaat hier over verandering en vernieuwing zonder veel extra uitleg. Logischerwijze komt dit vaker voor bij leden die voor Crombez stemden, al zijn er ook enkele leden die Tobback wilden laten verder werken aan het vernieuwingstraject dat hij opgestart had.

Op de derde plaats komen prestaties uit het verleden. Bij de keuze voor Tobback werd gezegd dat hij het goed heeft gedaan als voorzitter, wat eigenlijk het omgekeerde is van die roep om verandering. Bij Crombez was er een verwijzing naar zijn prestaties als staatssecretaris voor fraudebestrijding. Relatief gezien zijn er meer Tobback-kiezers die prestaties uit het verleden vermelden dan Crombez-kiezers.

Pas op de vierde plaats komen inhoudelijke motieven (met 18%), wat de geringe impact van inhoud op de stemkeuze, die we hierboven al vaststelde, verder bevestigt. Vaak gaat het dan nog over zeer algemene uitspraken zoals ‘ik ben het eens met zijn ideeën’ of ‘omwille van inhoudelijke standpunten’. Andere respondenten zijn wat duidelijker en verwijzen naar de linksere koers of de grotere aandacht voor de werkende klasse die Crombez wou realiseren. Slechts één respondent verwijst naar een specifiek programmapunt, nl. de cumulbeperking die Crombez aan sp.a-mandatarissen wil opleggen.

De (grotere) rol die partijleden in de partij mogen spelen, scoort nog lager: slechts 4,7% haalt dit spontaan aan als een reden om een keuze te maken in deze voorzittersverkiezingen.

Tot slot pikken we er nog twee scores uit die een indicatie geven van de mate waarin steun door anderen een rol heeft gespeeld. Het gaat meer bepaald over de verwijzing naar familiebanden en naar de ‘running mate’. Uit Tabel 3 blijkt dat dit meer in het voordeel heeft gespeeld van Bruno Tobback: meer dan 11% vermeldt zijn vader Louis en bijna 5% vermeldt zijn ‘running mate’ Inga Verhaert als reden om voor hem te stemmen. Bij Crombez speelt dit minder, al zijn er wel een aantal leden die hun stem voor hem verantwoorden door aan te geven dat ze een familiedynastie geen goed idee vinden.

CONCLUSIE

De recente sp.a-voorzittersverkiezingen waren historisch, onder meer omdat het één van de weinige keren in de Belgische partijgeschiedenis was dat een zittend voorzitter verslagen werd door een uitdager. We zijn in dit artikel aan de hand van een bevraging van de partijleden op zoek gegaan naar welke leden hun stem hebben uitgebracht en waarom ze voor respectievelijk Bruno Tobback of John Crombez gestemd hebben.

We hebben eerst en vooral aangetoond dat deelname aan voorzittersverkiezingen kan worden verklaard door een combinatie van modellen. Oudere partijleden die lid zijn van het lokaal partijbestuur en partijleden met politieke interesse zijn vaker geneigd om hun stem uit te brengen. Dat geldt evenzeer voor leden die menen dat ze impact kunnen hebben door hun stem uit te brengen. De omgeving waarin een partijlid zich bevindt, is ook belangrijk: afdelingen waar veel leden stemmen, zorgen voor een hogere kans om deel te nemen. Vrouwen en laaggeschoolden nemen evenwel in gelijke mate deel.

Wat betreft het maken van een keuze tussen de twee kandidaten, hebben we weinig tot geen inhoudelijke scheidingslijnen gevonden. Aanhangers van Crombez staan iets positiever tegenover Groen dan leden die Tobback verkiezen, maar daar blijft het dan ook bij. Er zijn geen significante verschillen in opvattingen tussen beide groepen leden, noch op een klassieke links-rechts-schaal, noch inzake moreel-ethische thema’s noch inzake de rol die leden te spelen hebben in een partij. Op zich kan dit goed nieuws zijn voor de partij, in die zin dat er geen grote inhoudelijke verdeeldheid in de partij verspreid zit over twee kampen. Sp.a-leden verantwoorden hun keuze vooral door te verwijzen naar hoe beide protagonisten overkomen (betrouwbaar, vlot, dynamisch, charmant, eerlijk, …) en door gebruik te maken van het algemene begrip verandering (dat vele ladingen kan dekken). Ook hier heeft ‘de kracht van verandering’ dus zijn rol gespeeld.

Bram Wauters
Politicoloog aan de onderzoekgroep GASPAR van de Universiteit Gent

Noten
1/ Dit onderzoek was mogelijk door onderzoekskrediet 1518314N ‘Survey bij partijleden van sp.a en Vlaams Belang’ van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO). Ik wens het FWO hier hartelijk voor te danken.
2/ Voor dit en andere inzichten i.v.m. andere voorzittersverkiezingen in België maken we gebruik van volgend boekhoofdstuk: J-B Pilet & B. Wauters (2014), ‘Party leadership selection in Belgium’, in: J-B Pilet & W. Cross (eds), The Selection of Political Party Leaders in Contemporary Parliamentary Democracies. A Comparative Study. Routledge, Oxford, pp. 30-46.
3/ Zie: D. Sinardet, C. Devos & W. Vermeersch, ‘Naar links, of niet?’ Dubbelinterview met John Crombez en Bruno Tobback (kandidaat-voorzitters sp.a), Samenleving en politiek, jrg.22, mei 2015, pp.54-64.
4/ Er werd een enquête gestuurd naar 1500 toevallig geselecteerde sp.a-leden vlak na de bekendmaking van de uitslag van de voorzittersverkiezingen in juni 2015. Eind juni werd een eerste herinneringsbrief verstuurd en begin september werd een tweede herinneringsbrief met een nieuwe vragenlijst verstuurd. Respondenten konden de enquête elektronisch of op papier invullen. Dit resulteerde in 583 ingevulde enquêtes (een responsgraad van 38,9%). De data werden voor analyse gewogen op basis van geslacht en leeftijdscategorie.
5/ We hebben bijkomend ook getest voor opinies over andere inhoudelijke onderwerpen (die minder prominent aan bod kwamen in de voorzittersstrijd), zoals het dragen van een hoofddoek in openbare dienst, hogere belasting voor bedrijfswagens en het verkleinen van sociale klassenverschillen. Geen van deze variabelen leverde evenwel significante verschillen op.
6/ In de toenmalige Volksunie (VU) was dat helemaal anders, zie: B. Wauters (2005), ‘Divisions within an ethno-regional party: the Volksunie in Belgium’, Regional and Federal Studies, 15(3), pp. 329-352.

sp.a - ledenonderzoek - sp.a leden - Crombez John - Tobback Bruno

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 12