Abonneer Log in

Gevraagd: empathie in de internationale politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 11 tot 18

Op het ogenblik dat we dit schrijven is in Syrië voor het eerst sinds 2011 een erg broos staakt-het-vuren van kracht. De vraag stelt zich wat de internationale spelers tot deze diplomatieke stroomversnelling heeft gebracht. Oorlogsmoeheid na vijf jaar bloedvergieten? Of de succesvolle machtsgreep van Assad, Rusland en Iran waardoor zij nu voldoende zelfzeker zijn voor een gesprek, en hun tegenstanders moedeloos zijn geworden? Dit brengt ons bij de dieperliggende systemische problemen waar de wereldpolitiek vandaag mee kampt. Het vertrouwen tussen groot- en regionale machten is zoek, waardoor zaken makkelijker uit de hand lopen. Er is nauwelijks of geen besef van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, op een ogenblik dat nog grotere dreigingen op ons afkomen. In wat volgt werken we deze analyse uit op basis van concrete voorbeelden. Daarna wordt op zoek gegaan naar lichtpunten en haalbare uitwegen. Empathie en mondiale verantwoordelijkheidszin vormen rode draden.

WAAR IS DE SYRIË-STRATEGIE VAN DE VS EN DE EU?

Sinds het najaar van 2015 is in de Syrische burgeroorlog een duidelijke kentering merkbaar. Dit heeft alles te maken met de veel actievere rol van het Russische leger op het terrein met als doel het Assad-regime territoriaal en politiek zoveel mogelijk te herstellen. Deze coalitie beschouwt alle rebellengroeperingen - behalve de Koerdische milities - als jihadistische terroristen. Bij deze operaties worden op grote schaal woonwijken en ziekenhuizen getroffen. Een nieuwe vluchtelingenstroom is het resultaat. Dit is met andere woorden een grote mislukking voor het Westen en zijn regionale bondgenoten. Hoe moeten we dit duiden? Hebben het Westen, Turkije en de Golf zich te veel met Syrië bemoeid, of juist te weinig?

Ondanks alles wat hier de voorbije jaren over gezegd is, hebben de VS, EU, Turkije en de Golfstaten uiteindelijk maar beperkte steun aan de rebellen van het Vrij Syrische Leger en aanverwante gegeven. Behalve tegen Daesh - wat ten dele los staat van de kern van het conflict in Syrië - zijn deze mogendheden om te beginnen nooit zélf op het terrein gekomen om de strijd tegen Assad aan te gaan. Omdat Assad door Rusland en Iran zwaar bewapend werd - na verloop van tijd ook met luchtafweerraketten - durfden ze dit gewoon niet aan. Dit is op zich een wijze keuze. Maar ze hebben het ook niet aangedurfd de rebellen zwaar genoeg te bewapenen.

Eén van de problemen was het constant moeilijke onderscheid tussen ‘gematigde’ en ‘jihadistische’ rebellen, zelf een moving target. De westerse landen en Turkije kampten ook met een kritisch binnenlands publiek en oppositie, die steigeren bij massale leveringen van zwaar, gesofisticeerd wapentuig aan soms twijfelachtige groepen. Hierover is er in die landen nu al genoeg ruis. Maar wat sommigen in het Westen te weinig beseften, is dat hoe langer Assads gruwel duurde, hoe groter het draagvlak voor radicale groepen werd. Westerse beleids- en opiniemakers waren ook overgevoelig voor de politieke moslimidentiteit van opposanten, die in het aanschijn des doods hun baard laten groeien en bij het afschieten van een granaat hun godheid aanroepen, maar niet noodzakelijk uit zijn op een kalifaat en constructief aan een pluralistisch Syrië zouden kunnen meebouwen. Per slot van rekening vertegenwoordigen ze heel veel mensen. Uiteindelijk is Rusland zelf in dit vacuüm gesprongen, wat de oppositiegezinde internationale coalitie nu met lede ogen moet aanzien. De VS en bondgenoten kunnen op het terrein weinig doen. Welke strategie deze alliantie nu precies tegen Daesh hanteert is ook niet duidelijk; wat zullen ze doen om op de grond Assad voor te zijn? Ze mogen zelfs ‘blij’ zijn dat de pro-Assad-coalitie over wapenstilstand wil praten nog voor alle oppositie opgeruimd is…

Het enige wat het tij misschien had kunnen keren, waren scherpe economische sancties tegen Rusland omwille van zijn rol in Syrië. Bijtende sancties zijn politiek haalbaar gebleken tegen de Russische acties in Oekraïne en de annexatie van de Krim. Ondanks alle leed ligt de humanitaire tol daar veel lager dan in Syrië. Maar kennelijk is Syrië voor het Westen strategisch minder belangrijk, of wil het zijn relatie met Rusland niet omwille van Syrië verder op de spits drijven. Dit laatste zou andermaal een indicatie zijn dat de VS en EU de Syrische oppositie hebben laten zitten. Heeft Obama eigenlijk ooit een Syrië-strategie gehad? Dit is een moreel failliet, dat de komende jaren en decennia sporen kan nalaten.

EMPATHIE IN HET MIDDEN-OOSTEN

Het Westen en de bredere internationale gemeenschap doen er goed aan met de nodige empathie naar het Midden-Oosten te kijken. Zoals hierboven al aangegeven, verloren de Syrische rebellen aan sympathie door hun echte en vermeende banden met het jihadisme, tot en met Al Qaeda en Daesh. Dit is symptomatisch voor een ruimer fenomeen en mogelijk risico. Er ontstaat een sfeer waarin alles wat zweemt naar een soennitische uiting van ‘politieke islam’ onmiddellijk verdacht en zelfs vogelvrij wordt verklaard. Naast het Assad-regime, het Kremlin en de Iraanse ayatollahs koesteren ook veel westerse (rechtse én linkse) intellectuelen een sterk wantrouwen tegenover de soennitische politieke stromingen in Syrië - tot op het punt dat zij er heimelijk weinig moeite mee hebben dat ze worden weggebombardeerd. Deze politiek tegen ‘Daesh en andere terroristen’ is voor Poetin zelfs een bron van soft power in Europa. Het is nog een breekijzer - naast aardgas, tegensancties, steun aan uiterst links en uiterst rechts - waarmee hij de Europeanen uit verband speelt.

Na decennialange onderdrukking door de secularistische Baath-partijen in Syrië en Irak bleven de politiek bewuste Iraakse soenni’s ook na de val van Saddam Hoessein in 2003 in de kou. Ze voelden zich niet vertegenwoordigd door de autoritaire, corrupte, door sjiieten gedomineerde regering in Bagdad, die meer en meer onder Iraanse controle kwam te staan. Velen zien hierin een voedingsbodem voor Daesh, dat met een Iraaks topkader na 2011 Syrië onveilig is komen maken. Het spreekt voor zich dat hier ook een Amerikaanse historische verantwoordelijkheid speelt.

Desalniettemin profiteert het Iraanse regime mee van het bijwijlen zelfs ‘hippe’ karakter dat in bepaalde kringen aan de pro-Assad-coalitie wordt toegeschreven. De hervormingsgezinde Iraanse president Hassan Rohani had al goede punten verdiend met het akkoord dat zijn kernprogramma aan banden legt. Ondanks de eigen theocratische staatsopvatting en dramatisch mensenrechtenrecord haakt Teheran niet zonder succes zijn wagentje vast aan de succesvolle ‘secularistische, anti-imperialistische coalitie tegen Daesh’ en voor de bescherming van de christenen. Dit is allemaal goed en wel, als democratie, mensenrechten en de legitieme aspiraties van soennitische bevolkingsgroepen maar niet onder de voet worden gelopen. De realiteit op de grond is angstwekkend.

Een vergelijkbaar sentiment was te zien naar aanleiding van de verwijdering van Mohammed Morsi, de eerste democratisch verkozen president van Egypte, na een vreemde combinatie van progressieve straatprotesten en een ongemeen bloedige staatsgreep. Na een jaar was al - definitief - ‘duidelijk’ dat de Moslimbroederschap niet tot efficiënt en democratisch bestuur in staat was. Maar net deze machtsgreep geeft wind in de zeilen van jihadisten, zoals terreurgroepen in de Sinaï-woestijn, die wellicht niet onder controle van de Moslimbroeders staan. Vandaag wordt de Egyptische junta van Sisi positief bejegend door de Amerikaanse en West-Europese regeringen. Sisi krijgt lof voor zijn stoere houding tegen het jihadi-terrorisme en hoeft zich niet meer te verantwoorden voor zijn eigen moordpartij in de zomer van 2013. In plaats daarvan halen westerse defensie-, bouw- en nutsbedrijven miljardencontacten binnen.

Op dezelfde manier vreest de helft van de bevolking in Turkije dat binnen- en buitenlandse krachten al jaren tegen hun geliefde leider Recep Tayyip Erdogan en zijn partij AKP complotteren. Gezien de grote buitenlandse interesse (die toevallig niet meer zo kritisch is ten aanzien van omstreden oppositiekrachten) en een paar reële pogingen tot staatsgreep vanuit de ‘secularistische’ minderheid, is het moeilijk dit allemaal zomaar als complottheorie weg te zetten.

Er is voldoende materiaal voor de hypothese dat sommigen wellicht niet willen dat in grote moslimlanden een normaal democratisch proces een leidende stem geeft aan de soennitische bevolking. Misschien werkte ook Israël liever met voorspelbare, opportunistische dictators als Moebarak en Assad dan met leiders die een groter draagvlak bij het gewone volk hebben. Deze volkse stromingen hebben overigens weinig voeling met de corrupte, oerconservatieve, door de VS gesteunde vorstenhuizen in de Golf. Maar net het onderdrukken van deze emancipatie voedt op de ene plaatsen een ondemocratische politieke islam en terrorisme, op de andere een autoritair revanchisme. Oprechte empathie en positief engagement vanuit de belangrijke machtscentra in de wereld met deze soennitisch geïnspireerde politieke bewegingen zou deze laatste een groter gevoel van veiligheid kunnen geven. Daardoor zouden ze ook meer constructieve en democratische gesprekspartners kunnen worden. Hierin ligt ook een rol voor de linkerzijde in het Westen, die, wat deze internationale kwestie betreft, op een geruisloze wijze steeds dichter bij de rechtse kruisvaarders gaat aanleunen. De kloof met haar binnenlandse standpunten valt voorlopig niet zo op.

EMPATHIE IN DE KOERDISCHE KWESTIE

Ook de Koerdische kwestie, die de jongste maanden escaleert, wordt omgeven door een gebrek aan empathie. De zaak is erg complex, maar we moeten ze niet complexer voorstellen dan ze is. Om te beginnen bestaat de Koerdische realiteit wel degelijk. In Irak is er een vrij succesvolle autonome Koerdische regio; in Turkije en Syrië is het Koerdische streven naar culturele erkenning en bestuurlijke autonomie onmiskenbaar. Net als in Irak gebeurde, maakt de destabilisering van Syrië de weg vrij voor een autonome Koerdische regio. Daar moet iedereen zich bij neerleggen, te meer daar de PYD, de partij die het er voor het zeggen heeft, een heldhaftige strijd tegen Daesh voert. Dit is een kwestie van empathie.

Nu is het probleem dat de PYD structureel verbonden is met de ‘Turkse’ PKK; ze maken deel uit van één en dezelfde beweging. Gezien de hervormingen voor meer Koerdische culturele erkenning, AKP-verkiezingssuccessen en sociaaleconomische investeringen in het Turkse zuidoosten, moet de fundamentele vraag gesteld worden of een gewapende groep als de PKK in Turkije nog wel legitiem te noemen is. Volgens mij is het antwoord negatief. De aanzienlijke weg die de Koerdische emancipatie in Turkije nog te gaan heeft, kan op een vreedzame manier worden afgelegd. Aanslagen op Turkse mannen, vrouwen en kinderen zullen enkel leiden tot meer staatsrepressie, zoals de afgelopen maanden in enkele zuidoostelijke steden is gebleken. De extremistische, gewelddadige strategie van de PKK vormt zelf een struikelblok voor een politiek proces. Turkije vreest dan ook dat de autonome Koerdische staat in Noord-Syrië de komende decennia tegelijk een lanceerplatform voor PKK-aanslagen zou kunnen vormen. Het kan nochtans anders. Zo is Turkije al jaren een nauwe bondgenoot van de Iraaks-Koerdische autoriteiten onder leiding van de Barzani-clan. Door veel Koerdische olie af te nemen en de Peshmerga’s (de strijdkrachten van Iraaks Koerdistan) te bewapenen, is Turkije zelfs de facto het Iraaks-Koerdische autonomiestreven aan het stimuleren.

Sinds februari 2016 is Turkije begonnen stellingen van de Koerdische PYD in Noordwest-Syrië te beschieten. De aanleiding was de aanval die de PYD-troepen met Russische luchtsteun hebben ingezet tegen anti-Assad-rebellen (niet Daesh) ten noorden van Aleppo. Zo werd een vitale corridor voor de rebellen tussen Turkije en Aleppo afgesneden. Bovendien kon dit offensief de PYD toelaten twee van zijn gebieden met elkaar te verbinden, zodat de Koerden uitzicht kregen op een autonoom gebied in Syrië van Irak tot de Middellandse Zee.

Juist om een dergelijke escalatie te vermijden, hadden de VS en EU - machtige partners van zowel Turkije als de Koerdische partijen - met veel meer empathie in het spel moeten komen. Zij hadden de PYD, die ze bewapenen tegen Daesh, kunnen overtuigen afstand te nemen van de PKK. Of realistischer: de PKK onder zware druk zetten om de strijd tegen Turkije te beëindigen en een vredesakkoord te sluiten. Onder die voorwaarden zou Turkije met Koerdische autonomie in Syrië kunnen leven. Dit is niet gebeurd. Het bleef bij mooie woorden. Het Westen had de PYD ook duidelijk kunnen maken geen gebieden te viseren waar Koerden niet in de meerderheid zijn. Dan hadden de VS, Turken en het Vrij Syrische Leger het gebied tussen het kanton Afrin en de rivier Eufraat zelf maar van Daesh moeten bevrijden; ook dit is niet gebeurd. Turkije is zich gaandeweg erg nukkig gaan gedragen in verband met de internationale strijd tegen Daesh, 1) omdat het Westen Ankara niet volgde in zijn analyse dat een exit van Assad nodig was om de voedingsbodem van Daesh weg te nemen, en 2) omdat het beleid van de westerse partners de PYD/PKK sterker dreigde te maken.

Mochten de EU en VS Turkije ondubbelzinnig steunen in zijn normale, legitieme veiligheidsbelangen, dan had het plaatje er anders kunnen uitzien. Dan zouden zij ook geloofwaardiger zijn met hun welkome druk op Turkije om het Koerdische emancipatieproces op het terrein en in de grondwet verder te voltooien. Dit kan in de context van territoriale integriteit. Per slot van rekening wordt het land gedomineerd door een populistische regeringspartij en twee Turks-nationalistische oppositiepartijen, wat van de binnenlandse politiek een mammoettanker maakt die niet gemakkelijk van koers verandert. Maar als kritiek niet constructief en empathisch is, valt ze in dovenmansoren. Dan draagt ze enkel bij tot het gevoel van interne en externe belaging. Na een oorlog tussen de staat en de PKK, met 40.000 doden als resultaat, worden Turkse gevoeligheden nog altijd straal genegeerd. Westerse commentatoren gingen ten nadele van een belangrijke NAVO-partner de PKK nog meer romantiseren. Washington en Brussel hadden in het najaar van 2014 in feite niets anders te vertellen dan dat Turkse grondtroepen, zelfs zonder vredesakkoord met de PKK, in de straten van de Syrische stad Kobani (aan de Turkse grens) moesten sneuvelen, om aldaar de PKK/PYD-strijders tegen Daesh bij te staan, nadat de hele Koerdische burgerbevolking uit Kobani al in Turkije was opgevangen… Ondertussen kan de VS niet garanderen dat aan de Syrische PYD geleverde wapens door de PKK niet tegen Turkije gebruikt worden; volgens Der Spiegel zijn er zelfs grensoverschrijdende tunnels tussen PYD en PKK.

In de loop van 2016 kan deze zaak tot nog veel grotere proporties escaleren. Deze hele aanpak duidt op een onbegrijpelijke, Hollywood-achtige benadering van de internationale politiek, die alleen maar diepere wonden slaat. Ook Europees links moet zichzelf op dit punt in vraag stellen.

NOOD AAN MULTIPOLAIR MANAGEMENT

Het Syrische conflict heeft deze omvang ook kunnen aannemen als gevolg van een gebrek aan empathie op het internationale systemische niveau. Na Saddam Hoessein in Irak en Slo­bodan Milosevic in Servië dreigde met Bashar al-Assad in Syrië nog een belangrijke Russische bondgenoot te verdwijnen. In 2011 had de NAVO zijn VN-mandaat al overschreden door een gewelddadige regimewissel in Libië te laten gebeuren. Tijdens de Syrische crisis steunde het Westen ook de succesvolle revolutie tegen Janoekovitsj in Oekraïne. Binnen de mindset van het Kremlin vertegenwoordigt Assad dus een vitaal Russisch belang.

De Syrische bevolking betaalt nu de prijs voor de historisch verstoorde relatie tussen de grootmachten. Met een betere relatie op basis van vertrouwen hadden de grootmachten de Syrische crisis van in het begin beter kunnen managen. Het Westen had Rusland kunnen garanderen dat het post-Assad-Syrië neutraal zou zijn en dus geen marionet van de VS of soennitische bondgenoten, met behoud van bepaalde Russische belangen. De grootmachten en de VN hadden ter plaatse kunnen samenwerken voor een democratische transitie en preventie van het jihadisme. Maar dat vertrouwen was er in 2011 niet. En er zijn geen inspanningen geleverd om het op te krikken - de Oekraïnecrisis van 2013-14 bewijst het tegendeel. Grootmachten moeten met andere woorden empathisch zijn voor elkaar. Veel conflicten worden aangedreven door een angst om door de andere omsingeld en overweldigd te worden. Het is niet altijd duidelijk waar verdediging van (legitieme) belangen eindigt en machtswellust en expansionisme beginnen.

Eenzelfde soort wantrouwen speelt ook regionaal. Iran, Saoedi-Arabië en Turkije willen hun invloed in de regio vergroten, maar ze zijn duidelijk ook bang voor elkaar. Ze vrezen territoriale expansie van de anderen in de vorm van grotere invloedzones, maar ook buitenlandse steun aan binnenlandse subversie en terrorisme. Deze strijd wordt niet alleen in Syrië uitgevochten, maar onder meer ook in Bahrein, Irak en Jemen. De geopolitieke concurrentie wordt op een gevaarlijke manier vermengd met de religieuze soenni-sjiitische tegenstelling. Het nucleaire akkoord tussen de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, Duitsland, de EU en Iran bood een welkome de-escalatie in dat dossier, maar maakte tegelijk Iran in zijn regionale politiek sterker, en verhoogde bij de Golfstaten het gevoel van kwetsbaarheid. Ook hier zien we een voorbeeld van halfslachtige Obama-politiek.

De VS en de andere groten (EU, Rusland, China, India) hadden samen een actief beleid moeten voeren om de stabiliteit in het Midden-Oosten te helpen garanderen. Zij hebben wel degelijk hefbomen ten aanzien van de regionale hoofdrolspelers. Een deel van hun opdracht is ook de Palestijnse kwestie aan te pakken en de illegale bezettings- en nederzettingenpolitiek terug te schroeven. Dit zo laten etteren, is een schoolvoorbeeld van de onverantwoordelijke grootmachtenpolitiek.

Herstel van vertrouwen tussen grootmachten blijft een absolute prioriteit. Rusland zou na zijn schorsing in 2014 terug bij de G8 moeten komen. Ook de G20 verdient in de huidige context opwaardering als een forum waar de grootmachten en belangrijkste middle powers dialogeren over de meervoudige crisissen. De EU - en dus opnieuw Europees links - heeft in deze vernieuwde diplomatie een belangrijke rol te spelen. Zij zou de historische ambitie van bruggenbouwer en honest broker moeten aannemen. Een serieuze dialoog met Poetin aangaan over wat zijn probleem precies is en wat wij eraan kunnen doen, is een dringende eerste stap.

Maar ook China moet nadrukkelijker aan boord. China beseft dat zijn expansie al genoeg spanningen veroorzaakt, vooral in het Verre Oosten. Daarom houdt het zich graag low profile bij de conflicten in het Midden-Oosten en tussen Rusland en het Westen. Het blaast letterlijk warm en koud en probeert alle protagonisten te vriend te houden. Maar uit eigenbelang interesseert het zich wel degelijk voor wat zich afspeelt in Afrika en in plaatsen zoals Afghanistan en Pakistan. Op zich kan dat positief zijn. De wereld zou echt gediend zijn met een diplomatiek actiever China, dat de steriele discussies voedt met nieuwe zienswijzen, dat met zijn capaciteiten een partner wordt voor duurzame ontwikkeling in conflictgebieden, en dat vooral de andere grootmachten wijst op hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheden.

MONDIALE REFLEX VOOR WELBEGREPEN EIGENBELANG

Als de klimaatverandering echt op gang komt, hebben we volgens de wetenschappelijke voorspellingen met de actuele vluchtelingencrisis nog niets gezien. De klimaatverandering loopt trouwens parallel en vaak in samenhang met andere ecologische kopzorgen, zoals de daling van de biodiversiteit, verwoestijning en overbevissing. De milieucatastrofes kunnen nog meer staten doen instorten en bestaande politieke en etnische breuklijnen op de spits drijven, met alle gevolgen van dien. Het VN-klimaatakkoord van Parijs (december 2015) is niet toereikend, maar een duidelijke stap in de goede richting. Er is een mechanisme ingebouwd om het VN-klimaatregime gaandeweg te versterken, om de gevaarlijke klimaatverandering af te wenden. Toch moet de wereld zich voorbereiden op de risico’s en grote uitdagingen voor adaptie. Hiervoor zal er ook in het internationale beleid veel moeten veranderen.

Samengevat zal de mondiale dimensie veel meer in de nationale beleidsvorming moeten worden geïntegreerd. We zullen eindelijk dan toch wereldburgers moeten worden, ook om de eigen samenleving leefbaar te houden. Dit betekent op alle niveaus ook veel meer aandacht en middelen voor wat elders in de wereld gebeurt. Het feit dat alles samenhangt, heeft vérstrekkende consequenties. Ook lokale dossiers als het Gentse mobiliteitsplan of de toekomst van de Brusselse tunnels zullen door de lens van de klimaatverandering bekeken en uitgelegd moeten worden. Nationaal belang, nationale veiligheid en nationale economie zullen niet meer los gezien kunnen worden van de mondiale context.

Een interessante hefboom om dit nieuwe denken ingang te doen vinden, zijn de Duurzame Ontwikkelingsdoelen of Sustainable Development Goals (SDG’s)van de VN, die in september 2015 in New York zijn goedgekeurd. Dit is de (onverwachte) opvolger van de befaamde Millenniumdoelstellingen die tussen 2001 en 2015 vele actoren gefocust hielden op streefcijfers in verband met extreme armoede, honger, onderwijs, gendergelijkheid en gezondheid in het Zuiden. De SDG’s, die 2030 als einddatum hebben, zijn breder qua opzet. Ze omarmen het paradigma van duurzame ontwikkeling, wat zich vertaalt in een grotere en meer structurele aandacht voor de economische, sociale en milieudimensie van ontwikkeling. Ook thema’s als ongelijkheid en sociale bescherming komen nu sterker naar voren. De SDG’s bevatten ook meer opdrachten voor de rijke landen om hun interne beleid beter te doen sporen met duurzame ontwikkeling. Op de SDG’s - een zeldzaam compromis tussen 193 landen - is veel inhoudelijke kritiek te geven, en deze lijst van doelstellingen zal op zich de wereld niet redden. Maar het SDG-kader is wel een belangrijke tekst die wereldwijd groepen en hun agenda’s kan empoweren. Daarom was het akkoord van New York een hoopvolle en één van de belangrijkste gebeurtenissen van de recente wereldpolitiek. Naast de gezochte empathie en vernieuwde diplomatie, bieden de SDG’s een uitstekend kader om de noodzakelijke mondiale reflex concreet te maken.

Dries Lesage
Redactielid van Samenleving en politiek en verbonden aan het Ghent Institute for International Studies (GIIS) van de Vakgroep Politieke Wetenschappen van de UGent.

internationaal beleid - Syrië - wereldorde

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 11 tot 18