Log in

Onderwijs, een zaak van levensbelang

redactioneel

Er wordt op dit ogenblik een hevig debat gevoerd over het onderwijs in Vlaanderen. Naast een reeks actieplannen (zoals ‘Tegen vroegtijdig schoolverlaten’ en ‘Ondernemend Onderwijs’), de invoering van het M-decreet (over inclusief onderwijs) en de voorbereiding van een decreet over Duaal leren, wordt in de komende maanden over de modernisering van het secundair onderwijs (het zogenaamde masterplan) en over de nieuwe eindtermen van ons onderwijs gediscussieerd.

Dat debat is niet alleen van LeRensbelang, zoals onderwijsminister Hilde Crevits haar raadplegingscampagne over de eindtermen noemt, maar ook van levensbelang. Het gaat in essentie immers over een maatschappelijk debat.

HET MASTERPLAN VAN CREVITS

De hervorming van het secundair onderwijs, dat nu niet meer zo genoemd mag worden en herleid is tot een ‘modernisering’ via een ‘masterplan’, werd voorbereid onder minister Frank Vandenbroucke. Het rapport van de zogenaamde commissie Monard kreeg de titel ‘Kwaliteit en kansen voor elke leerling’. Het was geen toeval dat in dit rapport de leerling centraal stond. Het was een sterk onderbouwde en evenwichtige visienota die de politieke toets niet heeft kunnen doorstaan. Na de felle tegenstand van N-VA, die eigenlijk geen hervorming wenst en enkel wat gerichte aanpassingen, werd de visienota door de politieke gehaktmolen gedraaid en werd er een compromis van gebakken dat de naam masterplan meekreeg.

Dat masterplan staat in het Vlaams regeerakkoord en werd ook vermeld in de Beleidsnota van minister Crevits.

Met de hervorming wordt getracht de schotten in ons secundair onderwijs (tussen ASO, TSO, BSO en KSO), die ook een bepaalde maatschappelijke waardering krijgen, weg te halen. Ook al zit het onderscheid tussen de verschillende stromingen meer in de hoofden van ouders en leerlingen, toch zijn deze schotten mee verantwoordelijk voor het watervalsysteem waar jongeren in kunnen terechtkomen. Het is wat Open VLD-voorzitster Gwendolyn Rutten nu denigrerend de ‘eenheidsworst’ van sp.a noemt.

Het ziet er naar uit dat de huidige Vlaamse meerderheid de schotten wil behouden. De segregatie in het secundair onderwijs dreigt dan ook verder zijn gang te gaan.

Een ander principe van de hervorming was een brede eerste graad, waarin jongeren van diverse belangstellingsgebieden kunnen proeven, waarna ze een eerste keuze kunnen maken voor een bepaald domein in de tweede graad. Deze brede eerste graad, die bedoeld was om de studiekeuze uit te stellen en om meer gefundeerd te kunnen kiezen, zal ook waarschijnlijk sneuvelen, want niet gewenst door N-VA en Open VLD.

Een ander belangrijk principe was de differentiëring in de onderwijsaanpak en de mogelijkheid om via schakeltrajecten nog van richting te kunnen veranderen. Het gaat over het verhogen van de leerwinst van alle leerlingen, waarbij de zwakkeren extra ondersteuning moeten krijgen en de sterkeren extra moeten worden uitgedaagd. Onderwijskundigen zijn er van overtuigd dat beide doelstellingen mits een goede pedagogische aanpak kunnen worden behaald. Politiek pleitte staatssecretaris Theo Francken (N-VA) onlangs echter voor de oprichting van publieke elitescholen. Ook hier dreigt een secundair onderwijs met twee snelheden.

DE NIEUWE EINDTERMEN

De discussie over het masterplan gaat uiteraard vooral over de organisatievorm van het onderwijs; het heeft dus vooral te maken met de onderwijskoepels, de scholen, de leerkrachten en de lerarenopleiding. Toch is er een nauwe band met de ‘inhoud’ van het onderwijs, de eindtermen.

Een discussie over de eindtermen kan in Vlaanderen enkel binnen het keurslijf van twee fundamentele principes: de vrijheid van onderwijs en het recht op onderwijs voor iedereen. De vrijheid van onderwijs betekent niet alleen een vrije schoolkeuze en de vrijheid om een school in te richten, maar ook een verregaande pedagogische vrijheid die schoolnet gebonden is.

Hoe wordt de inhoud van ons onderwijs dan bepaald om aan dat andere principe (recht op onderwijs voor iedereen) te voldoen? Daarom werden bijna 30 jaar geleden de eindtermen van het onderwijs uitgewerkt. Voor het kleuter- en basisonderwijs spreekt men van ontwikkelingsdoelen, voor het secundair onderwijs van eindtermen per vak en vakoverschrijdende eindtermen. Dit zijn te bereiken doelen die niet via een landelijke toets worden beoordeeld (zoals in sommige landen) maar binnen elk pedagogisch project zelf worden getoetst. De maatschappij is de jongste 30 jaar grondig veranderd en het is dan ook aangewezen om een groot onderhoud van de eindtermen door te voeren. Het gaat immers over de cruciale vraag: ‘Wat moeten jongeren kennen en kunnen om in de toekomst te overleven?’ De tijdshorizon ligt dan op 2030, wanneer de kleuters van vandaag het secundair onderwijs verlaten.

Over de eindtermen wordt er de komende maanden wel een breed maatschappelijk debat gevoerd.

Er was een werkgroep met deskundigen, een ouderpanel binnen de Koning Boudewijnstichting en minister Crevits lanceert onder de titel van ‘LeRensbelang’ de 50 dagen van het onderwijs, met een website (www.onsonderwijs.be), online- en offlinedebatten ten lande, waarvoor ook een team van 10 leerlingen zijn samengesteld, een ‘Nacht van het Onderwijs’ in elke provincie en een Onderwijsfestival op 13 mei in het Vlaams parlement.

Het is aangewezen om over dit belangrijk thema effectief in debat te gaan. Een oproep om ook in progressieve kringen en in het brede middenveld initiatieven te nemen om dit debat te voeren zou niet misstaan.

Zonder in te gaan op de volledige lijst van mogelijke eindtermen, is het belangrijk om bij één van die eindtermen, de burgerschapsvorming, wat langer te blijven stilstaan.

Uit een grootschalig internationaal onderzoek naar burgerzin en burgerschapsopvoeding in 38 landen van 2008-2009 (rapport eind november 2010) bleek Vlaanderen slecht te scoren. Al zat de kennis van Vlaamse scholieren op het Europese gemiddelde, toch bleek dat ze duidelijk een passieve opvatting hebben en minder activistisch ingesteld zijn dan hun Europese leeftijdsgenoten. Onder het item democratische waarden viel vooral de slechte score op over de thema’s ‘rechten van etnische groepen’ en ‘rechten van migranten’. Bij dat laatste thema scoorde Vlaanderen zelfs het laagst van alle landen/regio’s. Ook wat democratische vaardigheden betreft lag de score onder het internationale gemiddelde. Zo praten 71% van de jongeren nooit of bijna nooit met hun ouders over politiek. Ook de leerlingenparticipatie zit, ondanks voorzien in de regelgeving, op een laag pitje. Het onderzoek wordt op dit moment herhaald. Het rapport zal voor volgend jaar zijn.

In elk geval is duidelijk dat er wat burgerschapsopleiding betreft werk aan de winkel is. Gezien een aantal nieuwe uitdagingen, zoals superdiversiteit en deradicalisering om er maar enkele te noemen, is een grondige bezinning over de invulling van burgerschapsopleiding dringend.

Misschien is het goed om daarvoor te rade te gaan bij prof. Micha De Winter, hoogleraar bij de Universiteit Utrecht. Hij pleit al jaren voor wat hij noemt ‘een democratisch-pedagogisch initiatief’. Daarbij wil hij eerst burgerschapsvorming scherp definiëren als: ‘De kennis, attitudes en vaardigheden, noodzakelijk voor het leven in en het onderhouden van een democratische rechtsstaat bijbrengen’. Die vorming is een opdracht voor alle ‘opvoeders’ (het gezin, het onderwijs, het jeugdwerk) en vraagt niet alleen kennis en debat, maar ook het in praktijk brengen van democratische vaardigheden door de jongeren zelf. Micha De Winter geeft daar in de praktijk vorm aan met wat hij de vreedzame school en de vreedzame wijk noemt. Een aantal concrete voorbeelden in Nederland tonen aan dat het werkt.

Waar het politiek debat over de hervorming van het secundair onderwijs ons zal leiden, valt moeilijk te voorspellen, maar dat we onze nek moeten uitsteken in het debat over de eindtermen ligt voor de hand.

Mil Kooyman
Redactielid Samenleving en politiek

edito - onderwijs - eindtermen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 3