Log in

'Ontgroei. Een vocabulaire voor 'degrowth' in een nieuw tijdperk'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 86 tot 88

Ontgroei. Een vocabulaire voor 'degrowth' in een nieuw tijdperk

Giacomo D’Alisa, Federico Demaria en Giorgos Kallis (red.)
Oikos, Gent, 2015

De bezwaren tegen groei als blind na te streven doel zijn genoegzaam bekend: groei is niet noodzakelijk economisch rendabel (ook overduidelijk negatieve verschijnselen zoals files, vervuiling en ziekte vergroten de groei), is niet rechtvaardig (veel zinvol werk gebeurt onbetaald en wordt dus niet meegerekend in groeicijfers) en is ecologisch niet houdbaar (vroeg of laat botst de groei met de grenzen van de beschikbare hoeveelheid grondstoffen en ruimte). ‘Degrowth’ - een elegante Nederlandse naam is vooralsnog niet uitgevonden - vertegenwoordigt een bonte verzameling van alternatieve stromingen en ideeën die als bindende factor hebben dat ze streven naar een maatschappij waarin groei vervangen wordt door iets helemaal anders, al is het niet altijd even duidelijk wat precies.

In een lang inleidend hoofdstuk wordt het degrowth-gedachtengoed samengevat. De degrowth-beweging ziet de huidige economische crisis niet als een cyclisch gegeven dat wel weer zal overgaan, maar als een systeemcrisis, veroorzaakt doordat de grenzen van de groei bereikt worden. Dat probleem kan niet worden opgelost door wat gesleutel in de marge, er moeten radicale veranderingen komen. Degrowth pleit voor vrijwillige collectieve zelfbeperking, niet zozeer ‘voor het welzijn van de natuur of om een dreigende ramp te voorkomen, maar omdat eenvoudig leven en het beperken van onze voetafdruk (…) nu eenmaal is hoe het goede leven wordt opgevat’ (p. 33). Het concept duurzame ontwikkeling wordt dan ook afgewezen omdat het milieuproblemen technisch maakt en win-winoplossingen belooft waarbij ontwikkeling bestendigd wordt maar dan zonder nadelige gevolgen voor het milieu. Tegenover het ‘apolitieke, technocratische discours van duurzame ontwikkeling’ plaatst degrowth een politisering van wetenschap en technologie. Degrowth streeft niet naar betere of groenere ontwikkeling, maar naar het in praktijk brengen van alternatieve visies voor moderne ontwikkeling. De kans dat dit zou kunnen binnen het kapitalisme is zeer klein, want gebrek aan groei destabiliseert het kapitalisme en de liberale democratie. Er is een radicale herverdeling van de politieke macht nodig, en kernkapitalistische instellingen zoals geld en eigendom moeten worden vervangen door andere waarden en een andere logica. In die zin is degrowth ‘een transitie voorbij het kapitalisme’, een transitie naar ‘conviviale samenlevingen die eenvoudig leven en met minder toekomen’. Dit wordt reeds op veel verschillende manieren in de praktijk gebracht door basisgroepen, onder de vorm van bijvoorbeeld gemeenschapsmunten, ruilmarkten en allerlei coöperaties die eerder streven naar gebruikswaarde dan naar ruilwaarde, die eerder gebaseerd zijn op vrijwilligerswerk dan op loonarbeid en die niet gericht zijn op het zoeken naar winst en kapitaalaccumulatie. Welzijn moet worden losgekoppeld van betaalde arbeid en een basisinkomen moet inkomenszekerheid garanderen voor wie geen toegang heeft tot betaald werk. Meer nog: de overheid moet ‘baanzekerheid’ bieden door werk te verschaffen aan iedereen die in het reguliere arbeidscircuit uit de boot valt. De nieuwe economie zal sowieso veel minder te kampen hebben met het werkloosheidsprobleem omdat arbeidsintensieve activiteiten als zorg, onderwijs, gezondheids- en milieuhersteldiensten fors aan belang zullen winnen. De staat moet opnieuw de controle verwerven op de creatie van geld en ze moet daarmee publieke behoeften zoals de uitbetaling van het basisinkomen of subsidies voor coöperaties kunnen financieren. Schulden, die doordat er rente op betaald moet worden de noodzaak tot groei in stand houden, moeten selectief kwijtgescholden of afgelost worden, en de kosten daarvan moeten fair verdeeld worden. Ook de mens moet een transitieproces doormaken, van een consument die afhankelijk is van markt en technologie tot een werkelijk autonoom individu dat plezier schept in ‘convivialiteit’ in plaats van in consumentisme of de exploitatie van andere mensen. Er is niet echt één strategie voor de transitie naar een degrowth-maatschappij. Zowel nieuwe groeperingen als bestaande sociale bewegingen en partijen zouden er een rol in kunnen spelen. Een typisch degrowth-actiemiddel is ‘georganiseerde ongehoorzaamheid’, zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in het kraken van leegstaande huizen of landbezettingen, maar ook de op directe democratie gericht acties van de Indignados en de economische parktijken van basisbewegingen kunnen een rol spelen.

Na de inleiding volgen een vijftigtal korte hoofdstukjes waarin telkens een van de concepten, begrippen of actoren van de degrowth-beweging nader wordt voorgesteld. Deze hoofdstukjes zijn van wisselende kwaliteit en leesbaarheid, en variëren van intrigerende ideeën die op zijn minst een discussie waard zijn tot zeer abstracte constructies waarvan de praktische consequenties moeilijk te achterhalen zijn. Een van de meest overtuigende deeltjes van het boek is het pleidooi voor een ‘steady state economie’. Om de planeet niet onomkeerbaar aan te tasten moet de economie binnen de grenzen van de draagkracht van de aarde blijven, en deze grenzen zijn nu al bereikt of zelfs overschreden. In combinatie met de ethische plicht om de welvaart gelijk te verdelen over de hele wereld, betekent dit dat er vooral in het globale Zuiden ontwikkeling nodig is, maar dat kan alleen als er in het globale Noorden ‘degrowth’ is. Hoe groter de bevolking, hoe langer deze krimp zal moeten aanhouden om tot een voor iedereen gelijk niveau te komen. Tegenstanders van dit idee zullen zich waarschijnlijk beroepen op technologische vernieuwingen die de milieu­efficiëntie verhogen, maar die vernieuwing zal dan zeer snel moeten gaan om de extra belasting van een stijgend levenspeil in de derde wereld te compenseren, en zelfs als dat lukt dan betekent het vooral uitstel maar verandert het niets aan het fundamentele probleem: er zijn grenzen aan de draagkracht van de aarde en een immer doorgroeiende economie zal daar vroeg of laat mee in botsing komen, als het al niet zo ver is.

Een onbetwistbaar sterk punt van dit boek is de rijkdom aan - soms wilde - ideeën, maar de prijs die daarvoor betaald wordt, is dat niets echt tot op het niveau van concrete maatregelen is uitgewerkt. Scherpe, tastbare definities ontbreken vaak en de praktische implicaties van de concepten blijven grotendeels abstract en vaag. Dat beperkt aanzienlijk de bruikbaarheid voor wie aan beleid wil doen: nergens is aangegeven hoe men van het verfoeide heden tot in de begerenswaardige degrowth-realiteit moet geraken, hoe de besluitvorming kan gebeuren, wat de kosten zullen zijn en wie de rekening betaalt. Ik vrees dat een consensus rond een helder strategisch plan ook niet mogelijk zou zijn: de degrowth-beweging bestaat uit zeer kleurrijke maar heel verschillende groepen, van ethische hackers tot nutopisten en van neomalthusiaanse anarchofeministen tot back-to-the-landers. Die zijn allicht niet zomaar op één lijn te krijgen als het over concrete beleidsmaatregelen gaat. De ondertitel van Ontgroei luidt Een vocabulaire voor ‘degrowth’ in een nieuw tijdperk’, en dat is het waarschijnlijk voor een deel ook wel, maar dat tijdperk zal nog niet voor morgen zijn. De afstand tussen het grootste deel van degrowth-vocabulaire en de taal van de politieke linkerzijde en de grote sociale bewegingen is nog heel groot en veel toenadering valt er op korte termijn niet te verwachten. Dit boek, waaraan meer dan 60 auteurs meewerkten, levert een lezenswaardige en inspirerende catalogus op, maar geen mobiliserend plan.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 3 (maart), pagina 86 tot 88