Log in

'Wat zoudt gij zonder 't werkvolk zijn? De geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging 1830-2015'

Uitgelezen

Wat zoudt gij zonder 't werkvolk zijn? De geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging 1830-2015

Jaak Brepoels
Van Halewyck, Leuven, 2015

Wat zoudt gij zonder het werkvolk zijn? is niet enkel een gedicht en een goede vraag, maar ook het waardevolle levenswerk van sp.a-gemeenteraadslid Jaak Brepoels. In dit boek beschrijft hij met uitzonderlijk inzicht en een scherpe pen de geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging van 1830 tot 2015. De eerste uitgave in 1977 hield het midden tussen een antikapitalistisch pamflet en een marxistisch handboek. Deze uitgave is daarentegen een geschiedkundig werk waar de scherpe kanten werden gepolijst. Dat wil niet zeggen dat Brepoels geen standpunten inneemt. Daarenboven belicht hij bepaalde delen van de geschiedenis die andere werken overslaan. Zo komt de lezer te weten dat België dankzij het kapitaal van de Rothschilds kon worden opgericht. In ruil kreeg deze familieholding het exclusieve recht op leningen aan de Belgische staat en moest België zich neutraal houden in de internationale politiek.

Brepoels heeft een aangename schrijfstijl. Het boek is veelzijdig en leerzaam zonder de lezer te overdonderen. Het is levendig zonder dramatisch te zijn. Brepoels schreef zijn boek niet voor historici, maar voor het volk dat in een bedenkelijke staat van amnesie verkeert wat betreft de sociale geschiedenis. Een vergetelheid die het draagvlak ondergraaft.

Hij beschrijft belangrijke evenementen zoals stakingen, maar Brepoels legt ook de structuren van de socialistische arbeidersbeweging bloot. In elk van de vijf delen wordt ingegaan op partij, vakbond, mutualiteit en co­operaties. Daarbij is er vooral aandacht voor de eerste twee. Beleid en economie worden doorheen het boek belicht, met name het ontstaan van de sociale zekerheid. Hij graaft diep in de arbeidersbeweging en er komt een grote waaier onderwerpen aan bod, zoals de rol van de vrouwen- en jongerenbeweging. De lezer krijgt een breed zicht op de lange weg die met vallen en opstaan door de socialistische arbeidersbeweging is afgelegd.

Korter maar met dezelfde nauwgezetheid betrekt hij ook de christelijke arbeidersbeweging in het verhaal. De aandacht gaat vooral naar de moeilijke strijd om bestaansrecht en autonomie van de christelijke arbeidersbeweging tegen de rechts-conservatieve katholieken die eerder brood zagen in corporatistische gilden. Daarbij wordt de antisocialistische grondslag van de christelijke arbeidersbeweging meermaals onderlijnd.

Brepoels toont aan dat de Belgische arbeidersbeweging steeds voorzichtig en pragmatisch was. Initieel omdat haar achterban vooral uit ambachtslieden bestond, maar ook om de samenwerking met de progressieve liberalen niet te hypothekeren. Vervolgens vanwege de economische belangen van de coöperaties en ten slotte omdat ze zelf mee in het beheer van de staat participeert. Een pragmatische houding leidt tot meer resultaat dan ideologische puurheid. Generaties intellectuelen hebben onder andere in de Internationale hun kostbare tijd en energie besteed aan het uitvechten van een theoretische ideeënstrijd. Deze hoogdravende woordenwisselingen hebben tot weinig geleid. De Belgische, pragmatische houding daarentegen vertaalde zich niet alleen in hoge ledenaantallen, maar ook in concrete verwezenlijkingen zoals het algemeen enkelvoudig stemrecht, achturendag, veertigurenwerkweek en een pak collectieve arbeidsovereenkomsten. Niet de mooie woorden over een glorende, rode dageraad, maar het goedkope brood van de co­operaties en de ziekteverzekering verbonden arbeiders aan de arbeidersbeweging.

Toch is Brepoels kritisch voor deze gematigde houding en sympathiseert hij met spontane acties en bewegingen die de partij en vakbond vanuit linkse hoek bekritiseren. ‘Ook al kan de socialistische beweging een indrukwekkend palmares voorleggen, de hervormingsdrift leidde tot een verwatering van het einddoel en een aanvaarding van het neokapitalisme, dat in vergelijking met de 19de eeuwse realiteit minder rauwe kantjes toonde.’ Brepoels weet de financiële bijdrage van de coöperaties aan de socialistische beweging naar waarde te schatten, maar betreurt dat het kapitalisme binnensijpelt en zo een zuilbureaucratie creëert. De jaren 1960 brengen een sterke uitbouw van de welvaartsstaat, maar Brepoels vindt het jammer dat de klassenstrijd onder de ‘welvaartsglitter’ wordt bedolven. Hij stelt onomwonden dat de arbeiders zich vastzetten in een van de burgerij gekopieerde levenswijze. Ook het medebeheer van de overheid kan op weinig instemming rekenen. Net als bij de coöperaties verwijt hij deze ambtenaren een ‘schimmige, in het duister opererende laag van beheerders’ te zijn.

Het laatste en nieuwe deel van het boek is opnieuw goed gestoffeerd. Het heeft meer aandacht voor de Belgische politiek, met name regeringswissels, verkiezingsuitslagen en het wel en wee van de partijtop. Daarbij verliest Brepoels een beetje z’n focus op de structuren van de beweging. In dit laatste deel bespreekt hij de impact van Europa en de omwentelingen in een veranderende economie. Hij beschrijft de gevolgen van robotisering, globalisering en de groeiende flexibiliteit. Daarnaast duidt hij op genuanceerde wijze de belangrijke rol van de vakbonden vandaag. In België wordt weinig gestaakt in vergelijking met andere Europese landen omdat het overleg goed werkt. Vakbonden vertegenwoordigen werknemers op alle niveaus en komen voor concrete problemen tot een pragmatische, onderhandelde oplossing met werkgevers. Door het nauwe contact met de werkvloer kunnen ze grieven aan de werkgever signaleren voordat het ongenoegen overkookt. Daarenboven zorgen ze voor een eerlijkere verdeling van de winst op ondernemings­niveau, maar ook in de samenleving. In landen waar vakbonden sterk staan is er minder ongelijkheid.

Een geschiedenisboek nodigt uit tot het vergelijken van verschillende periodes. Het valt op dat de meeste discussies bijvoorbeeld over de sociale zekerheid steeds opnieuw met gelijkaardige argumenten worden gevoerd en dat veel gebeurtenissen een gelijke hebben in de geschiedenis. De ondergang van ARCO bijvoorbeeld lijkt sterk op deze van de Bank van de Arbeid. Het debat over de relatie tussen partij en vakbond, tussen Waalse en Vlaamse vleugel duikt geregeld op. De vakbond heeft ook altijd gekampt met schommelende ledenaantallen en geworsteld met de vraag hoe zeer verschillende beroepsgroepen te verenigen. Hoewel militanten niet meer lijf en leden riskeren is de taak van de vakbond vandaag niet evident. Door de versplintering van de werknemers in freelancers is het moeilijker hen te organiseren. De freelancers en kenniswerkers van vandaag zijn de geschoolde handwerklieden van de vorige eeuw. Ze kunnen een schijn van zelfstandigheid hoog houden, willen tot de kleine burgerij worden gerekend en kijken misprijzend neer op de fabrieksarbeiders.

Vandaag gaat de technologische vooruitgang niet minder snel dan halverwege de 19de eeuw. Een technologische revolutie in industrie en landbouw zorgde toen voor een overaanbod aan arbeiders. De wet van vraag en aanbod zorgde voor lage lonen. De arbeidersbeweging heeft door middel van syndicale strijd en de politieke vertaling ervan deze ijzeren wet kunnen doorbreken. De vierde industriële revolutie zorgt opnieuw voor een technologische omwenteling die potentieel veel arbeid voor laag- en middengeschoolden automatiseert. Hierdoor dreigt opnieuw een overaanbod te ontstaan. Vakbond en partij hebben de cruciale taak om de technologische vooruitgang te kanaliseren opdat ze het algemeen belang ten goede komt en niet enkel zij die de machines bezitten. Wat zoudt gij zonder 't werkvolk zijn? is een buitengewone kroniek over de diepe wortels van deze strijd. Kennis van het verleden doet het heden waarderen en laat toe om beter op de nog onbekende toekomst te anticiperen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 4 (april), pagina 98 tot 100