Log in

'De mens, de robot, de arbeid'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 85 tot 88

De mens, de robot, de arbeid

Gilbert De Swert
epo, Berchem, 2016

Digitalisering is dagelijkse kost. Elke dag valt er in de media wel iets nieuws te horen over digitalisering, robotisering, 3D-printing, digitale platformen en andere Ubers. Zonet pakte Randstad uit met Ploy, een nieuwe app die restaurantuitbaters een handje moet helpen bij het vinden van geschikt personeel. Zelf omschrijft Randstad de nieuwe toepassing als ‘De Uber van de arbeidsmarkt’: restaurantuitbaters zowel als werknemers moeten zich immers registreren om vervolgens aan elkaar gekoppeld te worden. En dit is maar één van de vele voorbeelden. Ondertussen woedt het debat over het gewicht van deze trend: evolutie voor de enen, revolutie voor de anderen. Disruptie heet dat tegenwoordig. En daarmee ook het debat over de te verwachten maatschappelijke impact: massaal jobverlies volgens de enen, vooral jobverschuiving volgens de anderen. Er zijn stilaan twee kampen: de technologieoptimisten en de -pessimisten.

Benieuwd tot welk kamp De Swert behoort of zou hij erin slagen om die tegenstelling te overbruggen? We kennen de studax en ex-hoofd van de ACV-studiedienst ondertussen als iemand die erin slaagt om op het juiste moment het juiste boek te schrijven waardoor hij het maatschappelijk debat voedt, niet alleen met analyses maar meer nog, met accurate beleidsvoorstellen. Eerder deed hij dat met ‘50 grijze leugens’ over het allemaal-langer-werkendebat en wat later met ‘het pensioenspook’ over het pensioendebat. Dit boekje komt in elk geval zeer gelegen, want in het Nederlandstalige taalgebied is mij geen precedent bekend. Dit is op zich niet zo verwonderlijk want ook de buitenlandse literatuur is vooral de laatste vijf jaar van de grond gekomen. Of het nu gaat om Nouriel Roubini, Martin Ford, Eric Brynjolfsson en Andrew McAfee of Robert Gordon.

Het boek biedt in de eerste plaats een beschrijving en analyse van de nieuwe trends. De Swert biedt ons een helikopteroverzicht van de ontwikkelingen in de technologie en de toepassingen in de industrie en de diensten. Van de verdere robotisering van routinetaken, maar ook steeds meer van complexere taken. Van de ontwikkeling van een internet der dingen. Over digitalisering die in een stroomversnelling komt dankzij krachtiger processoren, big data, internet en mobiele informatiedragers.

Wat zijn de gevolgen van al dat moois, vraagt u zich af. Zullen er in de toekomst nog voldoende jobs zijn voor onze (klein)kinderen? Of enkel voor de meest getalenteerden onder hen? En wat voor jobs? Flexi-jobs en mini-jobs voor de kortgeschoolden en prestigieuze jobs voor de langer geschoolden? Of worden we allemaal zelfstandigen, ondernemers van onszelf ten dienste van een of ander globaal platform? Er is - op dit moment - geen eenduidig antwoord. Zeker niet over de verhouding tussen jobdestructie en jobcreatie. Dat er jobverschuiving zal zijn tussen krimpsectoren en groeisectoren, daar valt niet aan te twijfelen. Maar veel minder duidelijk is naar waar de balans zal overhellen. De technologieoptimisten hebben tot dusver de geschiedenis aan hun kant: sinds halverwege de 19de eeuw zijn jobs en lonen omhoog gegaan in de geïndustrialiseerde wereld, ook wanneer de technologie vooruitsprong als nooit tevoren. Technologie leidde steeds weer tot lagere productiekosten en prijzen, dus tot meer vraag, die op haar beurt vroeg om meer productie, die dan weer meer arbeid benodigde.

Al blijft de vraag hoe diep de ‘vierde’ industriële revolutie zal ingrijpen in de productie- en arbeidsprocessen, om over de consumptieprocessen nog te zwijgen. Maar voorlopig is er op dit vlak nog geen sprake van een disruptieve ontwikkeling, van een fundamentele ommekeer in de economie. Gelukkig maar. En ook de vergrijzing zal een handje toesteken. In de komende jaren blijven babyboomers talrijk met pensioen gaan. Tot 2050 zal het aantal mensen op arbeidsleeftijd in Duitsland slinken van vandaag 45 tot dan 29 miljoen. Er is in elk geval iets meer consensus over de kwalificaties die in de nieuwe economie gegeerd zullen zijn. Er zijn meer en meer aanduidingen dat er van een grotere polarisering sprake is. Er is vooral banengroei bij de hoogopgeleiden, ten koste van midden gekwalificeerde jobs. En er zijn meer en meer aanwijzingen dat de kwaliteit van arbeid en arbeidsomstandigheden onder zware druk zal komen te staan, zeker in het geval van de tewerkstelling via digitale platformen.

Uber, jawel. Een van de kenmerken van die platformen is dat ze er wonderwel in slagen om de bestaande regulering gewoonweg opzij te zetten. Uber-dienstverlening trekt zich geen snars aan van vereiste opleidingen, loonafspraken noch van andere fiscale regels. Alvast in beginsel, totdat de overheden reageren onder druk van vakbonden. Maar dan nog blijven het taaie tegenstanders. Waar er zeker geen twijfel over bestaat is dat automatisering en digitalisering gepaard dreigen te gaan met grotere ongelijkheid. In de nieuwe economie zien we vaak het fenomeen van ‘the winner takes it all’. Opnieuw Uber: die slaagt er in om met een handvol medewerkers tewerkgesteld in Silicon Valley meerwaarde te creëren en op te zuigen op een geglobaliseerde schaal. Tenzij het (sociale) beleid evolueert.

En daarmee kom ik aan het gedeelte waar ik het meest naar uitkeek: wat te doen? De Swert kiest voor een mix aan beleidsoplossingen. Vooreerst: een portie onderwijs en opleiding, waarbij hij verrassend pleit voor een herwaardering van de humane wetenschappen. Een land moet immers zijn studenten die vaardigheden geven die robots en computers niet kunnen kopiëren: helder en creatief denken. Daarbovenop een scheut publieke tewerkstelling: de antwoorden op de tewerkstellingsuitdaging moeten we immers niet zoeken bij een universele uitkering of basisinkomen, want mensen willen in de eerste plaats een job. En een basisinkomen verzekert geen werk, integendeel: het kan een handig alibi zijn om daar niets aan te moeten doen. De overheid moet de werkgever van de laatste kans zijn.

In het spoor van Tony Atkinson (met zijn boek Inequality. What can be done?) pleit De Swert voor een statelijke arbeidswaarborg, tegen op zijn minst het minimumloon, zodat iedereen die een job zoekt er een vindt. Eigenlijk een oud recept, want al eerder toegepast via tewerkstellingsprogramma’s als het Derde Arbeidscircuit. Maar nu politiek beter verkoopbaar als een uitbreiding van het Europese Jeugdgarantieplan.

Volgende gang in het menu: een stevige brok minder en beter werken. Met de nadruk op beter werken, op humanisering van arbeid die niet in de eerste plaats van werk bevrijdt (via lineaire werktijdverkorting), maar in het werk bevrijdt: van stress, van de verdichting van de werkdag, voor meer vrijheid, zelfbepaling en recht op eigen tijd. Precies daarom moeten we het tijdskrediet en loopbaanonderbreking koesteren, want superieur ten opzichte van nieuwerwetse formules als loopbaan- of tijdrekeningen waarvoor eerst dubbel zo hard moet worden gewerkt of gespaard. Arbeidsduurvermindering wordt ook wel vermeld, een beetje schoorvoetend, als sociale innovatie, in het voetspoor van Femma met de 30-urenweek.

Hebben we al die gerechten al eens eerder op het bord gekregen, dan is dat minder het geval voor het meewerkinkomen. Al is die idee niet zo nieuw, want ze borduurt voort op het kunstenaarsstatuut, waarbij artiesten sedert 2003 onverminderd recht hebben op werkloosheidsuitkeringen als hun inkomen uit artistieke activiteiten een bepaald plafond niet overschrijdt. De Swert pleit voor een uitbreiding van dergelijk statuut naar de kruimelwerkers in de digitale economie, de freelancers en andere meewerkers in de deeleconomie. Omdat het iedereen de zekerheid biedt van een inkomen voor periodes van niet-tewerkstelling. Minder genereus, want meer voorwaardelijk dan het basisinkomen, maar ruimer dan het recht op werkloosheid en tijdelijke werkloosheid die strikter gekoppeld zijn aan (onvrijwillige) werkloosheid. Het doet denken aan het participatie-inkomen waarvoor Anthony Atkinson pleit. Maar het blijft onduidelijk hoe we dit soort jobs precies moeten afbakenen om oneigenlijk gebruik te voorkomen.

Ook vernieuwend is de Digitaks. We vroegen ons al af waarmee de banengarantie en de inkomensgarantie zouden worden gefinancierd. Als mensen vervangen worden door robots en kunstmatige intelligentie, dan verschuiven productiviteitswinsten en toegevoegde waarde naar de onderneming die deze machinerie bezit of opereert. Als de rijkdom verschuift naar de bezitters van digitale platformen dan moet er een taxatie komen van de digitale platformen, via een heffing op de digitale stromen of kliks…

Slotsom. Gilbert schreef een boek en hij doet dat - zoals steeds - goed. Wie een sluitend antwoord verwacht op alle vragen over digitalisering, zal een beetje op zijn honger blijven. Wie een goede probleemstelling, analyse en ook een aanzet tot beleidsantwoorden zocht, zal meer dan tevreden zijn. En appetijt gekregen hebben om verder op zoek te gaan naar de digitale graal.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 5 (mei), pagina 85 tot 88