Log in

'Dit is morgen'

Uitgelezen

Dit is morgen

Thomas Decreus en Christophe Callewaert
epo, Berchem, 2016

Even de leescontext schetsen. Cipiers staken al weken en vernielen de inkom van het kabinet van minister Geens. In Frankrijk worden de betogingen steeds grimmiger en steken actievoerders een politiewagen met agenten in brand. In België maken de vakbonden zich op voor een zoveelste grote betoging tegen het beleid van de regering-Michel. Ze zijn tegen de afbraakpolitiek en voor het behoud van verworven rechten.

Deze regering is niet goed bezig. Ze ontneemt zuurstof, ze verstikt, ze breekt af, ze ontneemt hoop,… Maar de antwoorden die op straat komen, bieden evenmin veel hoop of perspectief. Enkel de tegen-boodschap blijft hangen, een positieve boodschap van verandering hoor je nauwelijks.

Dit is morgen biedt dan het juiste tegengif. Heel toepasselijk beginnen de auteurs met te situeren wat historisch altijd de sterkte was van de socialisten. Niet het behoud van rechten maar nieuwe dromen om voor te vechten. Niet een hete herfst, maar een nieuwe lente. Niet krampachtig reageren, maar ‘sterft gij oude vormen en gedachten.’

Het blijft een vreemde paradox van deze tijd. Toenemende ongelijkheid, nieuwe vormen van apartheid en een ecologische catastrofe van jewelste. Nog nooit toonde de werkelijkheid zo duidelijk dat we op een andere manier moeten gaan produceren, distribueren en consumeren. En toch - aldus de auteurs - hadden we er nog nooit zo weinig vertrouwen in dat we dit ook kunnen, dat een andere economische organisatie wel degelijk mogelijk is.

Hoopvol aan dit boek is dat niet gestopt wordt bij deze analyse, maar dat kiemen worden gelegd voor een nieuw emancipatorisch toekomstproject, waarbij meer rechten, meer vrijheid, meer gelijkheid, een betere verdeling van de rijkdom en een ecologisch bewustzijn centraal staan.

Utopisch? Misschien, bijwijlen, maar de auteurs slagen er wonderwel in om een aantal tegenkantingen meteen te doorprikken en hun ideeën historisch te verankeren. Hierdoor lijkt de haalbaarheid misschien nog veraf maar niet onbereikbaar. Hierdoor krijg je goesting, hierdoor krijg je hoop. Uiteraard blijven er losse flodders, uiteraard zijn er ‘ja maar’ bemerkingen te maken, maar de grote verdienste van dit boek is dat het perspectief biedt.

De auteurs doen dit aan de hand van een zestal actuele thema’s, gaande van gemeenschappelijk goed, arbeidsduurvermindering, basisinkomen, open grenzen tot ‘wie zal dat betalen?’ en ‘wie zal dit realiseren en hoe?’.

Laat ons bouwen aan een wereld waarin eigendom en geld opnieuw minder belangrijk worden, en waarbij gemeenschappelijk - zowel materieel als immaterieel - goed weer geherwaardeerd wordt, klinkt het. Een wereld waarin het algemeen belang en de gebruikswaarde primeren op het individueel belang en de ruilwaarde. Dit wordt gekaderd in een mooie historische benadering van de ‘commons’ en hedendaags vertaald in allerhande lokale initiatieven maar ook in een groter verhaal waarbij onze informatie-economie en een vervagende grens tussen producent en consument (denk aan de komst van de 3D-printers) een belangrijke rol toegewezen krijgen.

Laat ons dromen en vechten voor een collectieve arbeidsduurvermindering, zodat weer meer tijd vrijkomt voor wat écht belangrijk is, voor wat ons echt interesseert. Onmogelijk? Neen. In een eeuw tijd is de arbeidstijd gehalveerd. Nu lijken we ons collectief te hebben neergelegd bij de vijfdagenweek. We kunnen vandaag in een werkuur van 16 uur produceren wat we in 1970 in 40 uur produceerden. Volgens Poliargus kan de 30-urige werkweek gerealiseerd worden in een tijdspanne van 15 tot 20 jaar zonder economisch verlies. Wordt het dus geen tijd om onze toegenomen efficiëntie om te zetten in meer vrije tijd? Wordt het dus geen tijd om een nieuw evenwicht te zoeken tussen zij die te veel werk hebben en zij die te weinig werk hebben? Wordt het dus geen tijd een arbeidsmarkt en economie te bouwen die ecologisch duurzaam is? Dit hoofdstuk inspireert, alhoewel de auteurs een wel heel negatief beeld van werk ophangen en weinig aandacht besteden aan andere invalshoeken zoals werkbaar werk. Dit hoofdstuk overtuigt, alhoewel er onbeantwoorde vragen blijven, zoals: kunnen de kennisjobs wel in de 30-urige werkweek? Wil iedereen wel minder werken om vervolgens meer in zijn eigen tuin te oogsten, zijn huis ecologisch te renoveren of mantelzorg op te nemen? Wat met de ‘nieuwe’ jobs (denk maar aan AirBnB, Uber,…): wordt dat het nieuwe zwartwerk?

Laat ons nadenken over een nieuwe invulling van sociale zekerheid, waarin rechten meer losgekoppeld worden van werk (in een samenleving waar werk een andere betekenis krijgt) en waarin het onvoorwaardelijk karakter terug ingang vindt. Jawel, laat ons een duidelijke linkse invulling geven aan het basisinkomen. De auteurs geven zelfs een aantal cruciale randvoorwaarden mee om de rechtse valkuilen te vermijden: het basisinkomen moet hoog genoeg zijn om de onderhandelingspositie van werknemers te versterken; het mag geen excuus vormen om de sociale zekerheid af te schaffen en het moet worden gefinancierd op een manier die de ongelijkheid niet doet toenemen.

Laat ons onbevangen gaan voor open grenzen. Het blijft een eeuwig moeilijk links debat, en ook de auteurs worstelen ermee. Het is het hoofdstuk dat het minst overtuigt met gerichte argumenten, en het meest beroep moet doen op voorafnames, dogma’s of een groot theoretisch discours over racisme.

Wie zal dat betalen? Decreus en Callewaert zijn zich ervan bewust dat alles staat of valt met die vraag. Ze hebben hun antwoord klaar, maar die is gekend en met weinig nieuwe argumenten onderbouwd. Laat ons resoluut gaan voor een rechtvaardige belastingpolitiek. Stop de belastingparadijzen, voer een mondiaal financieel kadaster in en denk na over een maximuminkomen en maximale loonkloof.

Meer inspirerend is het laatste hoofdstuk: macht. Hoe bouw je macht op om deze utopie te realiseren? Via politiek, is toch het laatste woord. Politiek waarbij niet het ultieme compromis maar de overwinning de doelstelling moet zijn. Maar daarvoor is het uiteraard cruciaal dat we weten waar we tegen zijn, wat we precies willen overwinnen en hoe we dat zullen doen. En bovenal - en een werk van lange adem -: je moet de mensen overtuigen van de noodzaak van de ideeën waar je voor staat. Door een gezamenlijk project te creëren. Met lange termijn, duidelijke keuzes en een utopische horizon. Dit is morgen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 79 tot 81