Log in

'Rusteloosheid. Pleidooi voor een mateloos leven'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 91 tot 93

Rusteloosheid. Pleidooi voor een mateloos leven

Ignaas Devisch
De Bezige Bij, Amsterdam, 2016

We hebben het allemaal vreselijk druk, maar niets doen lukt ons niet. Ook in onze vrije tijd lopen we van hot naar her. We willen daar iets aan doen, door zowel op het werk als in de vrije tijd te verlangzamen. Ignaas Devisch vraagt zich af of dit klopt. Is de rusteloosheid die ons voortduwt wel een probleem? Zou rusteloosheid ook niet positief kunnen zijn, zelfs voorwaarde voor een interessant en creatief leven? Hij schreef er een boeiend boek over.

Rusteloosheid is niet nieuw. In een eerste deel schetst de auteur een korte geschiedenis van de rusteloosheid. Ik kan er maar een paar elementen van weergeven. Devisch voert ons mee naar de 14de eeuw, naar Francesco Datini, een koopman die nooit genoeg had, die een steeds grotere kookpot wilde. Hij werd er ziek van. Hij toont ook hoe Breugel een artificiële wereld creëert die ontsnapt aan het onrustige leven. En hij staat uitvoerig stil bij een aantal filosofen bij wie hij de fundamentele oorzaken vindt waarom we tot vandaag worstelen met rusteloosheid. Pascal en Hobbes zijn de belangrijkste.

In de Gedachten van wiskundige en natuurkundige Blaise Pascal (1623-1662) staat een beroemde analyse van de jacht. Je moet de jager geen haas aanbieden, zelfs niet gratis. Hij wil er achter aan, hij wil jagen, hij zoekt afleiding en activiteit. Rust staat gelijk aan verveling en is psychisch niet te verdragen. Pascal is ervan overtuigd dat mensen niet stil kunnen staan, omdat ze niet in het reine geraken met hun sterfelijkheid. Het geluk ligt in de buit, in de rust op het einde van de jacht, maar eigenlijk kunnen we die rust niet aan en herbeginnen we telkens opnieuw. Mensen zijn fundamenteel onbevredigbaar, ze zijn per definitie een tekort. Voor Pascal kon alleen God een reddingsboei gooien. Ook filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) waarschuwt dat een eeuwige gemoedsrust een illusie is. Het leven is per definitie beweging, maar omdat de mogelijkheden voor een mens oneindig zijn, is rusteloosheid onvermijdelijk. Vrijheid heeft mateloosheid in zich. Sinds de moderne tijden is er voor de mens geen vaste plaats meer en is de controle over het eigen leven weg. Het leven gaat steeds sneller, we kunnen altijd meer en hebben nooit voldoende gedaan.

In deel twee gaat Ignaas Devisch dieper in op de veranderingsprocessen die tot de paradox in de moderne samenleving gevoerd hebben: dromen van rust en onrust creëren. Hij ziet drie processen: versnelling, secularisatie en individualisering. De versnellingsprocessen die onrust aanwakkeren hebben te maken met een economie, die op jacht is naar steeds meer winst en voortdurend op kosten en tijd wil besparen en daardoor juist voor tijdsnood zorgt. Concurrentie zorgt voor een permanente staat van onzekerheid en beweeglijkheid. De keuzemogelijkheden nemen steeds maar toe, maar dit zorgt voor fragmentatie in het dagelijks leven en dus voor onrust.

Wie beseft dat hij een sterfelijk wezen is, heeft geen tijd meer te verliezen en probeert van zijn leven iets te maken. Sinds de zwarte pest in de 14de eeuw wordt dit nog verhevigd, want de dood loert altijd om de hoek. Je wilt het leven onder controle krijgen en meer doen in dezelfde tijd en zo de dood wat uitstellen. Waar Prometheus het vuur van de goden stal, steelt de moderne mens tijd. Maar hij kan dat gevecht niet winnen en heeft voortdurend tijd tekort. Onze wedloop met de tijd is een geseculariseerde manier om met de dood om te gaan.

Individualisering is het derde proces. Om dit uit te diepen laat Devisch zich door een hele plejade denkers leiden en inspireren. Belangrijk is dat individualisering niet ervaren wordt als een bevrijding, maar als een inspanning, als aanhoudende beweeglijkheid en rusteloosheid. We hebben steeds meer mogelijkheden om te kiezen, maar moeten daardoor juist steeds meer laten vallen. En daar is geen uitweg voor: je wilt alles uit je leven halen en dat zowel in je werksituatie als in je vrije tijd.

Maar dan vraagt Devisch: en dan? Waarom zou dat negatief zijn? Iets in ons stuwt ons vooruit en dat heeft te maken met verbeeldingskracht, verlangen, streven, passie en dat is gewoon wat we rusteloosheid noemen. En daar gaat het laatste deel van het boek over: de drukte is helemaal niet de bron van alle ellende. We willen zowel in het werk als in de vrije tijd onszelf ontplooien, maar daar is nu eenmaal geen bovengrens aan. Rusteloosheid en mateloosheid zijn positief, het zijn de drijfveren voor een interessant en creatief leven. Mochten we ons echt uit de rusteloosheid willen bevrijden, dan zou dat lukken. Maar eigenlijk willen we dat niet. Als er een probleem is, dan heeft het te maken met de mogelijkheden om onze dagen op een zinvolle manier in te richten. Niet de tijdsdruk, maar de zinvolheid van de activiteiten doen er toe. Rusteloosheid heeft te maken met doordrijven, gedrevenheid, leiden van een mateloos leven. Je hebt dat nodig om iets van je leven te maken. Maar in een zinvol leven moet iedereen zichzelf voortdurend uitvinden. Pascal zag in de jacht een doel op zich en precies dat soort doelen, die alleen omwille van zichzelf worden nagestreefd, kunnen best zingevend zijn. Het komt erop aan zich mateloos in te zetten voor dingen die in het leven de moeite waard zijn. Mensen verlangen vooruit te komen in het leven. Zelfs wie erover klaagt dat het te druk is wil eigenlijk niet stilzitten. Dat is de kern van de rusteloosheid.

Laat mij dit nog eens heel kort samenvatten, vooraleer me aan een appreciatie te wagen. Ignaas Devisch vraagt zich af hoe het mogelijk is dat mensen lijden onder de voortdurende tijdsnood en er niets aan doen. Misschien is die drukte niet het probleem, maar wel het feit dat mensen niet zinvol kunnen bezig zijn, vindt hij. Mensen willen vooruitgaan en dat mag best met enige vaart. Mateloos bezig zijn is toe te juichen, als het gaat om dingen die de moeite waard zijn. En dan noemt Devisch de jacht. Wie jaagt heeft geen ander doel dan het jagen. De buit is van geen tel, de jager wil die zeker niet op een andere manier verwerven dan door de activiteit van de jacht. En je kent ze wel, de mateloze jagers of vissers of wielertoeristen of welke fanatieke vrijetijdsbelevers dan ook. Gepassioneerd bezig zijn, daar gaat het kennelijk om.

Maar blijft dan toch niet de vraag waarom we daar ziek van worden? Francesco Datini wilde een steeds grotere kookpot en dat lukte hem ook. Hij was gepassioneerd bezig met geld verdienen, steeds meer geld. Dat was zijn doel: het verwerven, het oppotten, de jacht op geld. En hij werd er depressief van. Er klopt iets niet in de redenering van Devisch, hoe boeiend en leerrijk zijn boek ook is. Pascal wist heel goed waar het probleem zat: de jager ontvlucht zijn sterfelijkheid, is bang om te sterven. Wie zich overgeeft aan activiteiten zonder duidelijke doelgerichtheid wil geen keuzes maken. Natuurlijk kiest hij, maar het besef dat dan niet gekozen wordt voor een oneindigheid aan mogelijkheden vindt hij lastig. Heeft Devisch het over het mateloos bezig zijn met wat de moeite is of met het mateloos ontkennen dat het straks over is?

Pascal verwees in laatste instantie naar God. In een geseculariseerde samenleving wordt men met de neus op het tekort gedrukt. En nee het probleem is niet tijdsdruk, die mag al groot zijn vooraleer men daar ziek van wordt. Het probleem is dat het gepassioneerd bezig zijn de eindigheid toch niet kan opheffen. We hollen aan een stuk door, maar we bereiken ons doel niet. We zijn niet zinvol bezig als we ons doel niet bereiken, niet op ons werk en niet in onze vrije tijd. Devisch legt er zich bij neer dat we onze eindigheid ontvluchten, hij zoekt er zelfs de zin van het bestaan in. Ik denk persoonlijk dat het mogelijk is om in eindigheid te leven, zonder zoals Pascal in laatste instantie bij God beschutting te zoeken. Ik denk zelfs dat het aanvaarden van de eindigheid de enige mogelijkheid is om zinvol te leven en niet aan rusteloosheid ten onder te gaan. Verstrooiing, het woord is van Pascal, is inderdaad een geseculariseerde manier om met de dood om te gaan. Het blijft echter een gelovige manier.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 91 tot 93