Log in

'Wat wij kunnen leren van economen die (bijna) niemand meer leest'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 108 tot 112

Wat wij kunnen leren van economen die (bijna) niemand meer leest

Irene Van Staveren
Uitgeverij Boom,Amsterdam, 2016

Irene van Staveren is hoogleraar pluralistische ontwikkelingseconomie aan het Instituut voor Sociale Studies van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit boek is een afgeleide van het leerboek Economics after the crisis (2015) dat ze schreef uit frustratie over de eenzijdigheid van lesboeken voor studenten. ‘Ik had gehoopt dat de financiële crisis van 2008 het economieonderwijs zou gaan verbreden. Juist omdat de beperkte denkbeelden in de dominante economische theorie over risico, rente, geld, incentives en de economische gevolgen van ongelijkheid mede oorzaak zijn geweest van die crisis’ (p. 7). Het schrijven van dat leerboek bracht haar op het idee om voor een breder publiek een ander boek te schrijven. Ze gaat hiervoor te rade bij een aantal economen die niet tot de mainstream (de neoklassieke economische theorie) behoren - ‘allemaal eigenzinnige economen die belangrijke inzichten over de werking van de economie geleverd hebben’.

Van Staveren wijdt achtereenvolgens een hoofdstuk aan Karl Marx, Hyman Minsky, John Maynard Keynes, Frank Knight, Barbara Bergmann, Thorstein Veblen, Amartya Sen (de enige nog levende econoom in het rijtje), Gunnar Myrdal, Adam Smith (die je niet zou verwachten), en ten slotte grande dame Joan Robinson die aan het rijtje toegevoegd wordt ter wille van Van Staverens hoofdbedoeling: wijzen op ‘het gevaar van de dominantie van één theorie’ en op de noodzaak om het economieonderwijs te verbreden. Ook na de crisis krijgen studenten nog steeds ‘hetzelfde beperkte pakket aan verplichte vakken. Geen economische geschiedenis of geschiedenis van het economisch denken. Geen ethiek van de economie of economische sociologie. Wel veel wiskunde, modellen en de modernste statistische technieken, verpakt als vakken over theorie en methodes’ (p. 223).

De mainstream verkondigt stuk voor stuk twijfelachtige voorstellingen: dat de mens een hedonistisch wezen is dat constant baten en lasten van alle mogelijke opties tegen elkaar afweegt om het eigen nut te maximaliseren; dat de markt altijd in evenwicht is omdat er geen onzekerheid bestaat, maar slechts risico; dat de prijzen altijd werkelijke waarden reflecteren; dat de optelsom van alle risico’s in de markt nul is waardoor systeemrisico niet bestaat; dat de overheid de markt verstoort en daarmee alleen maar inefficiëntie veroorzaakt; dat publieke diensten daarom maar beter geprivatiseerd kunnen worden; dat je de negatieve externaliteiten niet moet verbieden maar er een markt voor moet maken; dat werknemers alleen gemotiveerd worden door geld of door de dreiging van ontslag als ze hun doelen niet halen; en ten slotte, dat inkomen de beste maatstaf voor welvaart is.

De besproken denkers gaan elk voor zich op een van die waanbeelden in. Ik beperk me noodgedwongen tot een pertinente idee per hoofdstuk. Op het Marxhoofdstuk (over de ‘bijna-implosie van het kapitalisme’ in 2008) ga ik wel wat dieper in.
In hoofdstuk 2 en 3 komen John Maynard Keynes en Hyman Minsky aan bod. Hyman Minsky (1919-1996) is een (post-)keynesiaan die wil terugkeren naar de ‘authentieke’ Keynes, de Keynes van de onzekerheid en de animal spirits, in reactie op een (neo)keynesianisme dat in de handboeken is terechtgekomen, dat een evenwichtige ontwikkeling van de economie ziet zitten. Zijn idee is dat financiële markten inherent onstabiel zijn.

In hoofdstuk 4 (Frank Knight, ‘De fatale verwarring van onzekerheid met risico’) lezen we over het belangrijke onderscheid tussen ‘risico’ en ‘onzekerheid’ . ‘Risico’ betreft kennis over toekomstige situaties die mogelijk kunnen ontstaan en de waarschijnlijkheid van elk van deze situaties. Terwijl ‘onzekerheid’ de situatie is waarin je van tevoren geen idee hebt wat zich kan voordoen - risico voor brand (waarvoor brandstatistieken bestaan) bijvoorbeeld versus een niet te voorziene aardbeving. Dat men in de economie ‘onzekerheid’ met ‘risico’ is gaan verwarren, heeft voor Irene Van Staveren (pp. 90-91) met twee factoren te maken: dat de toezichters veelal zelf uit de bankwereld afkomstig zijn, en dus bevooroordeeld en partijdig, maar misschien vooral dat het heilige geloof heerst dat markten zelfregulerend zijn en efficiënt functioneren in het gemeenschappelijk belang waardoor er eigenlijk nooit iets kan mislopen.

Hoofdstuk 5 (‘Het testoste-ron­­effect’) steunt op werk van Barbara Bergmann. Daarin leren we dat vrouwen een andere houding hebben tegenover ‘risico’ en ‘onzekerheid’ dan mannen (mannelijke fondsmanagers in de VS verloren in 2008 tweemaal zo veel geld als hun vrouwelijke collega’s), dat vrouwen minder de overdreven zucht naar risico en de hevige onderlinge concurrentie hebben dan vele mannen in de businesswereld, dat hun manier om leiding te geven anders is, dat hun stijl veelzijdiger is, en dat de bedrijven met meer vrouwen aan de top betere financiële resultaten boeken.

In hoofdstuk 6 (‘De illusie dat de rijken voor de welvaart zorgen’) komt de stelling aan bod dat ongelijkheid een rem is op de economie. De economie moet kansen bieden en rechtvaardig zijn. Een economie die geen gelijke kansen biedt, berooft zichzelf van menselijk kapitaal, ondernemerschap en productiviteit. Een economie die door velen als onrechtvaardig ervaren wordt, omdat de rijken hun positie beschermen (bijvoorbeeld via politieke invloed), roept conflicten en stakingen op. Irene Van Staveren verwijst naar het bekende boek van Richard Wilkinson en Kate Pickett, The Spirit Level (2009), waarin deze laten zien dat landen met meer ongelijkheid een lager welzijn kennen. Zij pleit voor het stellen van ‘grenzen aan veelverdieners’.

In hoofdstuk 7 komt de opvatting van Amartya Sen over rationaliteit aan bod. De context is de relatie tussen bankiers en klanten als het gaat over het maken van keuzes en het nemen van beslissingen over investeringen, leningen, enzovoort. Rationaliteit is voor Sen ‘consistentie in keuzes in relatie tot iemands doelen. Zulk consistent gedrag vormt mede iemands identiteit. Dit is dus een heel andere definitie dan die van een kosten-batenanalyse maken’ (p. 168). Irene Van Staveren bespreekt ook bondig Sens capability-theorie (capabilities zijn talenten, vaardigheden en kansen in relatie tot wat iemand zelf waardevol vindt in het leven), die zich nogmaals richt tegen een utilitaristische nutsethiek.

Hoofdstuk 8 - met Gunnar Myrdal als inspiratiebron - heeft het over allerlei vormen van discriminatie, over mensen die uit de boot vallen.

Wat komt Adam Smith doen in hoofdstuk 10 over milieuvervuiling? Omdat volgens Adam Smith - die hierin niet ‘neoliberaal’ denkt - markten ingebed zijn in samenleving en staat. Er is staat, markt en samenleving, met elk hun eigen waarden, justice, liberty en benevolence. De markt doet het vaak niet vanzelf. Er is een rol weggelegd voor de overheid.

Hadden we verrast moeten zijn, vraagt Irene Van Staveren, bij het uitbreken van de crisis? Helemaal niet, want crisissen horen bij een kapitalistische markt. Dat had men kunnen leren van Marx (hoofdstuk 1). De economische cyclus van groei en recessie, van zeepbel en crash is inherent aan het kapitalistische systeem. Denk aan Marx’ accumulatieprincipe. Het betekent dat - anders dan in voorkapitalistische tijden - een circulatie van goederen dominant wordt. Daarbij wordt geld (g) in een waar (w) omgezet en wordt vervolgens die waar omgezet in een (grotere) som geld via de verkoop. Niet-kapitalistische circulatie daarentegen betekent iets anders: de boer bijvoorbeeld heeft een varken surplus, gaat ermee naar de markt, ‘zet’ het varken ‘om’ in een som geld, zet vervolgens die som geld om in een voor hem nuttig object, zeg, een kast. De circulatie stopt. Of juister: er is geen doorlopende ruil, anders dan in de circulatievorm g-w-g waarbij men het oog gericht heeft op de groei van de geldmassa. Het gaat hierbij om de winst, om de toename van iets volkomen abstract: geld. Daarom kan deze circulatie eindeloos doorgaan. Het kapitaal neemt eindeloos toe, of althans dat zit in de logica van deze ruil. Men ziet het g-w-g-w-g-... niet aan dat die circulatie anders werkt dan w-g-w. Het is ‘accumuleer, accumuleer, dat is Mozes en de profeten’. Het is wat Marx ook verrijkingsdrang, Bereicherungstrieb, noemt; zij het ook dat hij daar niet de klemtoon oplegt, want Marx ziet wezenlijk een objectief mechanisme werkzaam. Maar misschien is het fundamenteel beide tegelijk, subjectief en objectief. Het is - wat Van Staveren wel niet aangeeft - produceren om te produceren, productie ter wille van de productie, een (in de mate waarin dit systematisch gebeurt) nefaste doel-middelverdraaiing. Van Staveren zegt dat voor een kapitalist het verzamelen van geld en het herinvesteren doel op zich geworden is, ongeacht met welk soort productie, handel of belegging winst wordt gemaakt. Ze wijst vooral op dit laatste, op het ‘beleggingsgedrag’ dat zich uit in de steeds snellere omloopsnelheid van aandelen en andere waardepapieren sinds de afgelopen decennia. Het gaat er om welke aandelen in de keten g-w-g-w-g-... het snelst het meeste geld opleveren. Dat is dus Marx’ principe van het accumuleren: geld maken met geld, waarbij de productie van goederen en diensten een middel is en risico’s steeds meer afgewenteld worden. Het lijkt alsof Van Staveren het doorgedraaide winstbejag tot de beleggings- of aandelenwereld beperkt houdt en als een eerder recente ontwikkeling opvat. Dat is eenzijdig, want het gaat hier om een met het kapitalisme als dusdanig meegegeven doel-middelverdraaiing die misschien vooral het probleem betreft wat en hoe in dit systeem al of niet geproduceerd wordt - denk onder meer aan wat het opvallends is: milieuvervuilende productie. De omkering concreet (waaruit blijkt dat de kapitalist zelf goed beseft wat hij doet): Henry Ford I verklaarde dat in feite in zijn fabrieken geen auto’s gemaakt worden maar winst. En Henry Ford II ‘voegde toe’ dat kleine auto’s kleine winsten betekenen. En dat blijft actueel. Michael Parenti haalt de staalmagnaat David Roderick aan die ooit zei dat zijn bedrijf ‘niet actief was in de staalsector, maar in de winstsector’.

Het kan zijn dat de uitspraken van de genoemde heren puur cynisch zijn. Het kan ook zijn dat ze er hun geloof in het economische mechanisme mee tot uitdrukking brengen: dat winstbejag of productie ter wille van de productie de beste manier is om de maatschappij vooruit te helpen. Per slot van rekening produceren ze toch auto’s en staal - die geacht worden rechtstreeks of onrechtstreeks nuttig te zijn. En inderdaad, er wordt geproduceerd, en men is uit op onophoudelijke groei van de productie, en wat geproduceerd wordt, moet aan de man gebracht worden. Het voorziet voor een deel in de ‘behoeftebevrediging’. De kapitalistische economie ontwikkelt een enorme productiecapaciteit en onbetwistbaar is dat ze voor een belangrijk stuk dienstbaar gemaakt wordt aan het ‘goede leven’. Men zweert bij groei; en dat begrip staat voor een vooruitgang die blindelings aanvaard wordt. Maar tegen welke prijs? Het feit alleen al dat het mechanisme onophoudelijk crisissen voortbrengt, met pakken ellende tot gevolg, is voldoende om bij het systeem ernstige vragen te stellen.

Het is merkwaardig dat Irene Van Staveren voorbijziet aan deze problematiek van de groei (van het bbp). Het moet gezegd dat ze ook nauwelijks bij een of andere econoom aansluiting had kunnen vinden (de aandacht van zowel postkeynesianen als de Franse regulationisten, van zowel Joan Robinson als van Michael Kalecki of Nicholas Kaldor, gaat bijna exclusief naar de dynamiek van de economie, met - vandaar - grote aandacht voor het crisiskarakter van het kapitalisme). Nochtans had ze kunnen aanknopen bij Amartya Sen als een van de samenstellers (naast Joseph E. Stiglitz en Jean-Paul Fitoussi) van het ‘Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress’. Dat is een commissie, bijeengeroepen door voormalig Franse president Sarkozy, om na te denken over de grenzen van het bbp als indicator van economische activiteit en sociale vooruitgang.

Het wekt eveneens verwondering dat Van Staveren maar weinig belangstelling heeft voor de milieuproblematiek. Ze pakt die aan in het aan Adam Smith gewijde hoofdstuk. Het is haar vooral te doen om de vermarkting van de milieuvervuiling via het EU-emissiehandelssysteem als contraproductief onder (weliswaar terechte) kritiek te brengen. Had ze er niet op moeten wijzen - en alles wat ze zegt ondersteunt dat - dat er een intrinsiek verband bestaat tussen het accumuleren om te accumuleren en milieuvervuiling? Als men het kapitalisme vrij zijn gang laat gaan, kan men weinig anders dan toenemende milieuvervuiling verwachten. Irene Van Staveren had John Stuart Mill ter hulp kunnen roepen, voor wie de idee van een uiteindelijke steady state, het einde van de groei van de economie in een maatschappij in volle bloei tot de mogelijkheden hoort.

Irene Van Staveren heeft vooral een overzicht willen aanbieden en niet willen overtuigen. Laat dat zo zijn! Ze is er in ieder geval in geslaagd haar bedoeling waar te maken. ‘Het gaat mij er om met dit boek duidelijk te maken dat er wel degelijk weloverwogen alternatieve inzichten zijn voor het begrip van de economie in relatie tot maatschappij en milieu, en voor de inrichting van de economie als zodanig’ (p. 8).

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 108 tot 112