Log in

'De circulaire economie: waarom productie, consumptie en groei fundamenteel anders moeten'

Uitgelezen

De circulaire economie: waarom productie, consumptie en groei fundamenteel anders moeten

Socrates Schouten
Leesmagazijn, Amersfoort, 2016

Circulaire economie is in. Eind vorig jaar lanceerde de Europese Commissie haar nieuw pakket voor de circulaire economie dat, naast wetgevingsvoorstellen voor de herziening van de Europese afvalwetgeving, ook een heel actieplan omvatte met aangekondigde maatregelen gericht op die andere helft van de cirkel: die van ontwerp en productie. Alvast binnen Europa leeft het debat volop. Beleid en bedrijfsleven hebben het als nieuw leitmotiv omarmd.

Het boek dat de Nederlandse milieuwetenschapper Socrates Schouten schreef in samenwerking met Bureau De Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks, vormt een ideale introductie. In Schoutens boek vormt de circulaire economie de kapstok waar nieuwe technologische en maatschappelijke, milieu verbeterende innovaties aan worden opgehangen. ‘Duurzaamheid’ als kaderstellend concept heeft plaats gemaakt voor ‘circulariteit’. We krijgen een overzicht van het circulaire denken van de jaren 1970 - toen de ‘kringloopeconomie’ in de plaats moest komen van de verspillingseconomie - over de ‘ladder van Lansink’ die het begrip in het afvalbeleid introduceerde, tot de nieuwe concepten van leasemodellen, cradle-to-cradle, ruil- en deelsystemen, coproductie, prosumentisme, enzovoort.

Schouten probeert ook achter het hoeraverhaal te kijken. Wie wint en wie verliest er aan zeggenschap bij de nieuwe verdienmodellen die het kringloopmodel schragen? Is er sprake van nieuwe machtsconcentraties en economische afhankelijkheden? Wat is de rol van de overheid bij de circulaire economie? Creëert de circulaire economie geen illusie van overvloed en houdt zij de biofysiche grenzen waartegen we aanbotsen niet buiten beeld? Doet het de noodzakelijke kritiek op het economisch groeimodel niet verstommen terwijl systeemkritiek juist meer dan ooit aan de orde is?

Het boek geeft waardevolle inzichten in de verschillende schaarsteconcepten en hoe we daarmee moeten omgaan. Inderdaad schaarste aan grondstoffen is deels een relatief en niet eenduidig begrip. Naarmate grondstofvoorraden uitputten, past de industrie vaak al nieuwe vervangende grondstoffen of concepten toe. Terecht merkt Schouten op dat niet zozeer de geologische of geopolitieke schaarste ons grondstoffenbeleid moet sturen, dan wel de gevolgen voor mens en milieu. Als mens (sociale rechtvaardigheid, verdeling) en milieu (klimaat, vervuiling) zwaarder worden gewogen, zou de winning van veel soorten grondstoffen al veel eerder moeten stoppen dan technisch mogelijk is. ‘Van de nu bekende voorraden olie, gas en kolen zou niet meer dan een kwart verstookt mogen worden om de opwarming van de aarde niet verder te laten oplopen dan twee graden Celsius’, geeft Schouten mee.

Tegenover het ‘modernistisch’ model van circulaire economie, waarin innovatieve circulaire technologieën, logistieke concepten en business-modellen een oplossing bieden om een hoge mate van consumptie vol te houden, plaatst Schouten een meer ‘ingetogen model’.

In dat ingetogen model worden de circulaire principes verbonden met de ‘peer-to-peer’ samenlevingsmodellen zoals die worden bepleit door de Belg Michel Bauwens, Belgische cyberfilosoof en oprichter van de P2P Foundation (voluit de Foundation for Peer-to-Peer Alternatives), die tevens de inleiding bij dit boek heeft geschreven. Bij ‘peer-productie’ (van het Engelse ‘peer’, gelijke) gaan burgers grotendeels onbezoldigd bijdragen aan vrij toegankelijk gemeengoed van kennis, programmatuur, design, deeldiensten en productie. Dat gecoproduceerd gemeengoed - vallend tussen markt en staat - wordt voorgesteld als een eigentijdse variant op de ‘meent’, de ‘commons’, publiek toegankelijke en publiek beheerde en geproduceerde maatschappelijke ‘hulpbronnen’. Waar het ‘modernistisch model’ kiest voor recyclage en voor lease- en uitleensystemen die winstgedreven zijn en waarbij controle over nieuwe netwerken, eigendom en kennis in handen blijven van grote (multinationale) bedrijven, draait het ‘ingetogen model’ op individuen en gemeenschappen die goederen en diensten zelf (her)produceren en daartoe de middelen in eigendom hebben. In deze variant staat het ‘einde van bezit’ niet als een huis. Integendeel, ‘het in eigen beheer hebben van spullen zorg voor een zorgvuldiger omgang ermee en vermindert de rol van geld als spaar- en smeermiddel’. Deelsystemen maken een eind aan de onderbenutting van materialen en apparaten.

Het modernistisch, economisch ‘circulaire model’ kan top-down worden aangejaagd met ‘extrinsieke prikkels’: prijsstijgingen door grondstofschaarste, een vergroende fiscaliteit en regulering. De ‘ingetogen variant’ moet het vooral hebben van ‘intrinsieke drijfveren’: de ‘bottom-up’ initiatieven op vlak van stadslandbouw, herstelwinkels, lokale 3D-ateliers en deelsystemen, waarbij de ‘subjectieve en zintuiglijke kwaliteit [van producten] en de beleving centraal staan’. Dergelijke initiatieven moeten (experimenteer)ruimte krijgen waarbij ook het idee van een basisinkomen om de hoek komt kijken.

Hoewel Schouten stelt dat elke beweging in de richting van een meer circulaire economie in beide varianten politieke steun en aanmoediging verdienen, voorspelt hij dat voorbij een bepaald punt de ideologische scheidslijnen en strijdigheden scherper in beeld zullen komen.

In het ‘modernistisch’ model van de circulaire economie, zo stelt Schouten, koopt men wat tijd maar laat men oude centralistische, op het financieel systeem gestoelde machtsstructuren grotendeels ongemoeid, terwijl de confrontatie met de eindigheid van de planeet wordt uitgesteld. Het is een systeem dat blijft geloven in economische groei die volgens Schouten onverzoenbaar is met een wereld die gekenmerkt wordt door begrensd natuurlijk kapitaal. Hij heeft het over een ‘blinde vlek’ bij sociaaldemocraten, progressief liberalen en bij een ‘productivistische’ Piketty die de ‘thermodynamica van de economie nog geheel niet onderkend hebben’.

In navolging van Tim Jackson in het Verenigd Koninkrijk (Welvaart zonder groei) en Anneleen Kenis en Matthias Lievens bij ons (De mythe van de groene economie) gaat Schouten ervan uit dat groei steeds neerkomt op een ‘stijging van de entropie van de op aarde aanwezige materie’, een toenemende wanorde die onvermijdelijk botst met de biofysische grenzen van onze planeet. Deze redenering wordt weinig overtuigend gebracht. In het boek wordt nergens aannemelijk gemaakt dat een absolute ontkoppeling (dalende milieudruk bij groeiende economie) per definitie onmogelijk is. Investeringen in energiebesparing of recyclage waarvan de afschrijfkosten lager zijn dan de uitgespaarde energie- of grondstofkosten zorgen nochtans wel degelijk tegelijk voor groei én milieuverbetering. Zolang de ecoproductiviteit van de economie sterker stijgt dan de economische output, gaat economische groei samen met een absolute daling van de milieu-impact.

Dat is geen evidentie, maar ook niet per definitie onmogelijk. Kijk maar naar de absolute daling van de milieuvervuiling en broeikasgasuitstoot in de Europese Unie. De laatste decennia is de uitstoot van de belangrijkste polluenten met zo’n 20 tot 75% verminderd, terwijl de economie binnen de EU in diezelfde periode met 50% toenam. Sinds 1990 nam de broeikasgasuitstoot in de EU met een kwart af. Zelfs als het zo zou zijn dat deze daling wordt tenietgedaan door de vervuiling die elders plaatsvindt voor de productie van goederen die wij binnen Europa importeren, dan nog mogen we niet wanhopen. Want ook in China - de fabriek van de wereld en de grootste uitstoter van broeikasgassen - is de CO2-uitstoot in 2014 gaan pieken zodat ook hier de uitstoot in absolute termen begint te dalen. Mede daardoor nam in 2014 de CO2-uitstoot wereldwijd af, zonder dat dit het gevolg was van een of andere economische crisis. Economische groei en milieudegradatie zijn dus niet zo onlosmakelijk met elkaar verbonden als Schouten doet uitschijnen.

Schouten gaat er ook nogal gemakkelijk van uit dat zijn alternatief model van een bottom-up circulaire peer-to-peer samenleving ‘de nieuwe norm [zou] kunnen worden in plaats van het ondergeschoven kindje dat het nu is’. Deze stelling mist de nodige overtuigingskracht. Zonder afbreuk te willen doen aan al die hobbyisten die als programmeur, kok, ontwerper, hersteller of kweker belangeloos het beste van zichzelf geven, is het toch moeilijk voor te stellen hoe dergelijke productie de niche gaat ontgroeien en de mainstream productie gaat overnemen. Daartoe worden jammer genoeg in het boek geen instrumenten of routeplan ontwikkeld. De ‘ecologische variant’ in het boek overstijgt dan ook zelden het beeld van ‘goedbedoeld breigoed’.

Het is ook jammer dat nergens concreet wordt aangegeven hoe de circulaire economie in zijn economische variant meer slagkracht kan krijgen. Ja, er wordt gewezen op het belang van ecofiscaliteit maar zonder de beperkingen daarvan aan te geven en te ondervangen (een EU waarin fiscale maatregelen enkel bij unanimiteit kunnen worden genomen, natiestaten die geen eenzijdige maatregelen nemen om internationaal investeringskapitaal niet weg te jagen). Ja, er wordt gewezen op de beperkingen in het huidige afvalbeleid (zoals de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die zijn doel voorbij schiet doordat alle producten gezamenlijk worden ingezameld en verwerkt waardoor individuele prikkels voor producenten tot het ontwerpen van betere herstelbare, herbruikbare of recycleerbare producten wegvallen).

Maar ook hier lezen we nergens hoe deze beperkingen gepareerd kunnen worden. Nieuwe instrumenten zoals ecodesign, verruimde productgarantieregelingen, productnormering zoals ‘recycled content targets’, ... blijven grotendeels onderbelicht. Hetzelfde kan worden gezegd van de meer internationale hinderpalen voor een circulaire economie zoals de handelsverdragen die handelsbelemmerende maatregelen ter bescherming van bepaalde circulaire productieprocessen- en methoden niet toestaan of die de ecodumping van zogenaamde tweedehands einde-leven wagens, schepen of toestellen in derde wereld landen niet kunnen tegengaan.

Kortom, De circulaire economie is eerder een filosofisch-beschouwend boek in plaats van een instrumentalistisch beleidshandboek. Het brengt een aantal spraakmakende denkers zoals Jeremy Rifkin, Michel Bauwens, McDonough en Braungart in één onderhoudend werkstuk samen, maar laat beleidsmakers en -beïnvloeders toch grotendeels op hun honger zitten. Zij gaan na het lezen van dit boek niet weten op welke knopjes ze nu moeten drukken om de circulaire gedachte (in welke variant ook) gemeengoed te laten worden. ‘Waarom productie, consumptie en groei fundamenteel anders moeten’ staat op de cover van het boek. Een vraag die slechts gedeeltelijk een antwoord krijgt. De nog grotere vraag echter blijft: hoe?

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 8 (oktober), pagina 85 tot 88