Log in

'De macht van de megaonderneming'

Uitgelezen

De macht van de megaonderneming

Joost Smiers, Pieter Pekelharing en John Huige
Uitgeverij Van Gennep, Amsterdam, 2016

Er broedt iets in Nederland. Nadat Rutger Bregmans Gratis geld voor iedereen (2014)eerder pleitte voor een radicale omslag in hoe we inkomen verdelen, wil de De macht van de megaonderneming de wereldhandel diepgaand hervormen. Joost Smiers, Pieter Pekelharing en John Huige doen dat op basis van oerliberale principes, zoals vrije markt en concurrentie, waarvan ze vinden dat die net door de (neo)liberalisering van de wereldhandel onder druk zijn komen staan.

De eerste twee delen van het boek leggen de vinger op de wonde. In het eerste stuk beschrijven de auteurs hoe een kleine groep transnationale ondernemingen hun marktmacht steeds vergroot. Deze, onderling verweven, groep is er volgens de auteurs in geslaagd oligopolistische en semimonopolistische posities te verwerven in de markt waar ze opereren. Door sleutelposities in productienetwerken te verwerven, het constant opkopen, fuseren en terug afstoten van entiteiten; en oneerlijke concurrentie via belastingontwijking kunnen ze nieuwkomers toegang tot de markt ontzeggen. Dit alles zorgt ervoor dat de theoretische onzichtbare hand niet langer werkt in onze transnationale economie.

Het tweede gedeelte, het interessantste van het boek, gaat over intellectuele eigendom. Hier maken de auteurs een betoog over hoe het toe-eigenen van intellectueel eigendomsrecht transnationale ondernemingen helpt om hun concurrentiepositie te bestendigen. Hun analyse is tweeledig. Eerst maken ze komaf met de mythe van een eureka-moment bij uitvindingen. De realiteit is dat uitvindingen een stapjesmatig proces zijn dat steeds voortbouwt op eerder werk en waar ideaal gezien ook op voortgebouwd kan worden. Het patenteren en toe-eigenen van exploitatierechten voor bepaalde tijd op een bepaald stapje van dat proces negeert die realiteit, argumenteren de auteurs, en is een fenomeen dat is ontstaan gelijktijdig met het kapitalisme. Daarbovenop argumenteren ze dat veel patenten voortbouwen op staatsgesponsord onderzoek (beschreven in het uitstekende boek De ondernemende staat van Mariana Mazzucato) en dus een transfer van publiek naar privé zijn. Een iPhone bijvoorbeeld bestaat hoofdzakelijk uit technologie ontwikkeld door de staat in een mooie verpakking.

Daarna beschrijven ze de negatieve effecten van patenten op de markteconomie. Ten eerste stoppen ze het theoretische proces van creatieve destructie waarbij door constante innovatie oude technologieën worden vervangen door nieuwe en verbeterde varianten door concurrentie. Eén van de hoekstenen van een echte vrijemarkteconomie. Door het toekennen van patenten wordt dit proces onderbroken voor de duur van het patent (meestal 30 jaar) en wordt innovatie gestopt. De auteurs geven voorbeelden van medicijnen en groenere motoren waar betere varianten tegenhouden worden doordat een bedrijf een patent verwierf.
Een ander negatief effect is dat er een ganse industrie is ontstaan in het verwerven van patenten die nooit gebruikt worden, behalve om rechtszaken aan te spannen tegen anderen die de technologie van het patent zouden gebruiken of om te verhandelen voor hetzelfde doel. Opnieuw stopt dit innovatie en eerlijke concurrentie. Iedereen die met een nieuw product op de markt komt, riskeert aangeklaagd te worden over een van die patenten die in een schuif liggen.

Vooral ontwikkelingseconomieën zijn enorm benadeeld door deze wildgroei. Vroeger konden ze die in hun eigen jurisdictie naast zich neerleggen, maar sinds de Wereldhandelsorganisatie het TRIPS-verdrag goedkeurde, zijn alle leden gebonden om van eigendomsrecht. Dit betekent dat ze nu dure technologie van westerse bedrijven dienen te licenciëren, terwijl westerse landen tijdens hun economische ontwikkeling zelf nooit aan deze voorwaarden hoefden te voldoen en gretig van andere landen kopieerden.

Na een bondig historisch overzicht van hoe het internationaal handelssysteem sinds de Tweede Wereldoorlog zo scheef is kunnen groeien, beschrijven de drie auteurs hun oplossingen voor een rechtvaardigere economie. Sommige daarvan zijn al deel van het publieke debat, zoals het afschaffen van arbitragerechtbanken (zie het CETA-debacle). Anderen worden al in beleid omgezet, zoals werk maken van een meer sluitende vennootschapsbelasting in het OESO-project Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) en de Europese Commissie met hun vrij vergaande voorstel voor een geconsolideerde gemeenschappelijke belastingbasis (CCCTB). Hun voorstellen delen ze op in drie polen: het tegengaan van dominante ondernemingen, het afschaffen van het intellectueel eigendom; en het scheiden van onderzoek en fabricage waarbij onderzoek vanuit de overheid moet komen en waarvan de resultaten voor iedereen vrij beschikbaar moeten zijn.

Hier loopt het boek zichzelf bij momenten wat voorbij. In hoog tempo en, nou ja, zeer Nederlandse stijl worden voorstellen op de lezer afgevuurd, wat van het boek soms een zeer vermoeiende rit maakt. Bovendien sluipen door deze snelle stijl onnauwkeurigheden in het verhaal en worden soms wel heel verstrekkende assumpties gemaakt.

Zo verwarren de auteurs ergens ten onrechte de term BEPS met het transparantievoorstel voor country-by-country reporting, waarbij transnationale ondernemingen hun winst land per land zouden moeten rapporteren. Een ander idee voor het afschaffen van het eigendomsrecht heeft zeker merite, maar berust wel op de veronderstelling dat uitvinders of artiesten ook zonder een exclusief recht op intellectuele exploitatie met eenzelfde enthousiasme zullen blijven uitvinden of ontwerpen. Nu is intrinsieke verloning zeker van belang bij intellectueel werk en sommigen doen dit nu al zonder materiële verloning, maar om dit zomaar door te trekken naar iedereen die met een idee zou kunnen bijdragen aan de samenleving schept een even romantisch beeld van het creatief proces als het eureka-moment dat de schrijvers terecht bekritiseren.

Ook beargumenteren de schrijvers voor het opheffen van beperkte aansprakelijkheid. Nu zijn een aantal van de voordelen die beschreven worden zeker het overwegen waard. Het feit dat dit aandeelhouders en bedrijfsleiders zou dwingen op langere termijn te denken of dat schade aan bijvoorbeeld het milieu rechtstreeks aan de aandeelhouders zou kunnen worden doorgerekend. Alleen is een van de belangrijkste punten van het hele boek dat dominantie van grote bedrijven moet worden stopgezet. Nergens wordt een zeer waarschijnlijk regressief effect van die maatregel besproken, namelijk dat het vooral nieuwkomers op markten zijn die het effect van dit voorstel voelen. Grote gevestigde bedrijven kunnen de kosten van die toegenomen risico’s internaliseren, maar een startende ondernemer? Iemand die twijfelt om in bijberoep een verpakkingsloze winkel te openen en zo concreet het ecologisch denken vooruithelpt? Voor hen wordt ondernemen dan een stuk moeilijker als hun privévermogen niet afgeschermd is. Zo dreig je markttoegang net opnieuw te blokkeren. Ook over vzw’s of non-profits wordt met geen woord gerept. Dan riskeer je ofwel te bekomen dat mensen zich persoonlijk verantwoordelijk moeten stellen bij het inzetten voor goede doelen, ofwel dat bedrijven zich zullen vermommen als non-profits (zoals Ikea nu al doet voor belastingredenen).

De macht van de megaonderneming heeft de verdienste enkele evidenties in ons handelssysteem treffend uit te dagen. Bovendien hanteren ze in hun kritiek een strategie die ook de eerder vernoemde Rutger Bregman met succes toepast, en waar meer progressieven zich van zouden moeten bedienen: beat them at their own game. Daag het neoliberaal denken uit op zijn eigen economische assumpties en toon aan dat het tekortschiet. ‘Vrije markt? Akkoord, kunnen we het dan even hebben over hoe grote bedrijven concurrentie volledig uitschakelen en wat we daaraan gaan doen? Adam Smith was daar trouwens ook voor.’ ‘Kostenefficiëntie in de sociale zekerheid? Helemaal voor, kunnen we het dan even hebben over al die dure activeringsprogramma’s voor werklozen waarvan geen enkele studie al heeft aangetoond dat die werkt? Een basisinkomen zou weleens de goedkoopste manier kunnen zijn om onze sociale zekerheid te organiseren, en het moedigt ondernemerschap aan. U, als liberaal, moet daar toch zeker eens naar kijken?’ ‘Overheidsschuld afbouwen? Super, elke euro die we in onderwijs investeren brengt er drie op. Elke euro in de belastingdienst tien. Als we zo verstandig investeren, daalt onze schuld toch?’

Net zoals over het basisinkomen, is er op de oplossingen die in het boek voorkomen veel kritiek te geven en moet er nog veel gedebatteerd worden, maar het boek heeft wel potentieel bij te dragen aan een progressief perspectief dat het neoliberaal denken werkelijk uitdaagt. In een Nederland waarin PvdA’er Jeroen Dijsselbloem het gezicht is van de neoliberale disciplinering in Europa is dat alvast een verademing.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 10 (december), pagina 102 tot 105