Abonneer Log in

'De supersamenwerker'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 10 (december), pagina 91 tot 93

De supersamenwerker

Dirk Van Duppen en Johan Hoebeke
epo, Berchem, 2016

Homo homini lupus’ [De mens is een wolf voor zijn medemens], de uitspraak is bekend. Dirk Van Duppen en Johan Hoebeke onderschrijven haar alvast niet. Zij brachten zo veel mogelijk wetenschappelijk materiaal bijeen dat juist bewijst dat de mens ‘supersociaal’ is en dat samenwerken helemaal niet in tegenstelling is met de opvattingen van Darwin. In een tweede deel schrijven ze de geschiedenis van het denken over evolutie. Ze schetsen de historische context waarin dat denken ontstaan is en staan stil bij sociaal darwinisme, eugenetica, maar ook het neoliberalisme dat voor hen gewoon een directe erfgenaam is van het sociaal darwinisme.
Een overzicht van de wetenschappelijke literatuur die aantoont dat de mensen een aangeboren neiging hebben tot empathie, altruïsme en samenwerking is natuurlijk heel ambitieus. Er moeten immers heel wat specialismen bekeken worden. Ze worden samengevat onder de noemers: neurowetenschappen, evolutionaire experimentele psychologie en paleoantropologie. Ik raak ze kort even aan.

De neurowetenschap kon profiteren van de MRI- en fMRI-scan om neurobiologische bouwstenen van het prosociaal gedrag bloot te leggen. Ze vindt die overigens niet alleen bij mensen. Bij sommige dieren vind je in elk geval de aanzet van emoties, moraal en cultuur. Maar de mens realiseerde op dat vlak een kwalitatieve sprong, die vooral tot uiting komt in zijn vermogen tot samenwerken. En er is wel degelijk een biologisch platform, dat toestaat te spreken van een fundamenteel empathische soort. Spiegelneuronen zijn een belangrijk gegeven in dat verhaal, maar ook oxytocine, een stof die onder ander verantwoordelijk is voor zorggedrag en zeker een belangrijke rol speelt bij empathie. De auteurs voeren de lezer ook mee in de wereld van de hersenwetenschap en concluderen daaruit dat er zoiets bestaat als een altruïstisch brein. Ze spreken zelfs van een ingebakken morele standaard, een neurocellulair mechanisme waardoor we het beeld van iemand anders in onze hersenen herkennen als een deel van onszelf. Er is dus effectief een neurologisch mechanisme dat ons ertoe aanzet anderen te behandelen zoals we zelf behandeld willen worden. Zelfs het zich goed voelen bij goed doen is op scans af te lezen.

De evolutionaire experimentele psychologie toont evenzeer dat de mens een ultrasociaal dier is. Talrijke experimenten bevestigen dat sociale vaardigheden universeel voorkomen bij kinderen. Die worden echter opgenomen in een culturele context die deze vaardigheden in de loop van de evolutie laat toenemen. Helpgedrag en deelgedrag zijn biologisch verankerd. Experimenten in speltheorie tonen aan dat mensen inherent altruïstisch zijn. Zo blijkt dat iets weggeven gelukkig maakt.

De paleoantropologie concentreert zich niet op de biologische evolutie, maar heeft ook oog voor de culturele evolutie, die door opvoeding en onderwijs een cumulatief effect heeft. Door die factor cultuur gaat evolutie enorm snel, zeker in vergelijking met de biologische evolutie die een agenda van vele eeuwen heeft. Vooral taal heeft hierin een enorme rol gespeeld. Mensen zijn natuurwezens, maar geen slaven van de natuur. Wat de mens echt onderscheidt van het dier is zijn zelfbewustzijn. Karl Marx heeft het al aangegeven toen hij de vraag stelde waarin de mens verschilt van een spin, die toch een zeer vernuftig net weeft. Een architect zou er jaloers van worden. Maar zelfs de slechtste architect bouwt zijn werk eerst in zijn hoofd en dat maakt van hem een mens. Daarin zit zijn vrijheid, ook al kan hij finaal de wetten van de natuur niet overstijgen. Intelligentie is overigens vooral sociaal. De paleoantropologie kan nog veel meer leren, maar dat zou ons hier te ver leiden. Belangrijk is nog op te merken dat jagersculturen zeer egalitair zijn. Dat is slechts doorbroken op het moment dat landbouw en vooral steden ontstaan zijn.

In dit deel vind je nog interessante beschouwingen over ‘commons’ en het verband tussen ongelijkheid en zowat alle maatschappelijke problemen. Voor diegenen die er zouden aan twijfelen neem ik slechts een voorbeeld dat van Wilkinson en Pickett komt: hoe groter de syndicalisatiegraad, hoe kleiner de ongelijkheid.

Tot daar deel 1, dat heel veel interessante informatie en stellingen bevat. Deel 2 schetst de geschiedenis van het denken over samenwerking. Ik ga er niet op in, omdat daar weinig in staat wat een gemiddelde lezer niet zal weten. Zeker na de aandacht die Darwin kreeg, wordt iedereen met een beetje belangstelling verondersteld te weten hoe deze aan zijn opvattingen gekomen is, inclusief zijn reis met de Beagle. Sociaal darwinisme, eugenetica, holocaust en neoliberalisme zijn zeer ernstige thema’s, maar bij Van Duppen en Hoebeke is het een beetje opgewarmde kost. Daarvoor hoef je hun boek niet te lezen.

Wel belangrijk is dat de auteurs zich afzetten tegen een reductionisme dat alles tot biologie herleidt. Ook Darwin deed dat niet. In een laatste hoofdstuk houden de auteurs een pleidooi voor een warme en solidaire samenleving. Zij vinden in de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens een antigif tegen het sociaal darwinisme. Ze pleiten voor duurzaam samenleven, op basis van generositeit, optimisme en mildheid. Het gaat niet om gelijkheid, wel om gelijkwaardigheid. Sociale grondrechten mogen niet overgelaten worden aan de markt.

De supersamenwerker is globaal een interessant boek. Verschillende wetenschappelijke disciplines tonen aan dat mensen niet spontaan elkaar de kop willen inslaan. Ze hebben wel degelijk biologisch ingebakken neigingen om samen te werken. Maar ze hebben kennelijk ook de marge, noem het maar vrijheid, om daar niet aan toe te geven. Cultuur heeft ook andere neigingen toegestaan en/of ontwikkeld. Hoeveel vrijheid hebben wij over? De auteurs verwerpen een doorgedreven reductionisme, maar geven zij niet tegelijk te veel vertrouwen aan de rede? Ze waarschuwen er wel voor dat de natuurwetten niet genegeerd kunnen worden, maar tegelijk zien ze iedere beslissing als een resultaat van een heel rationeel proces: definiëren van een probleem, creatief vinden van oplossingen, afwegen van de keuzes, kiezen van de optimale weg en uitvoeren van een actieplan. Ze hebben eigenaardig genoeg zelf meerdere auteurs geciteerd die hier vragen bij stellen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 10 (december), pagina 91 tot 93