Log in

'Het seculiere experiment. Hoe we van God los gingen samenleven'

Uitgelezen

Het seculiere experiment. Hoe we van God los gingen samenleven

Hans Boutellier
Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2015

‘Als er niemand meer in God gelooft, dan wordt het een zooitje, jongen’. Die opmerking kreeg Hans Boutellier (1953) eind jaren 1960 vaak van zijn vader te horen. Een samenleving die van God los is, daar kon in de visie van senior vast niks goeds van komen. Zonder boven de mensen verheven goddelijk gezag zouden stelen, plunderen en verkrachten ons deel worden. Als het al tot die rampspoed beperkt zou blijven. Bijna vijftig jaar later ging de Nederlandse sociaalwetenschapper Boutellier op zoek naar de gevolgen van het relatief unieke seculiere experiment dat de voorbije halve eeuw in West-Europa heeft plaatsgevonden. En het bleek ook zonder God als maatstaf der dingen nog wel best mee te vallen met dat stelen, plunderen en verkrachten. Want anders dan vader Boutellier vreesde, stegen de criminaliteitscijfers niet spectaculair. Tussen 1970 en 1995 was er wel sprake van groeiende criminaliteit maar die stijging stopte nadien in een toch verder seculariserende omgeving. De West-Europese mens kon zijn leven ook zonder ‘God en gebod’ al bij al behoorlijk ordentelijk organiseren en slaagde er dus in zichzelf - en de anderen - min of meer te disciplineren.

Waar en wanneer het seculiere experiment precies is begonnen, is volgens de auteur moeilijk te duiden. Voor de enen is de secularisering een rechtstreeks gevolg van de Europese verlichting vanaf het midden van de 17de eeuw. Anderen situeren de kiem nog vroeger, in het christendom zelf. Wat er ook van zij, het proces van secularisering heeft zeker een lange voorgeschiedenis, maar versnelde ontegensprekelijk in de tweede helft van de vorige eeuw. ‘De jaren zestig vormden in die zin wel degelijk een breuk in de culturele geschiedenis in het Westen’, schrijft Boutellier. ‘Alsof er op een geheime synode werd besloten tot een massaal veldexperiment: ‘We gaan het voortaan zonder God doen - kijken wat er gebeurt!’ Wat betekende dit radicale afscheid van een organiserend geloof voor de politieke moraal, en wat zijn de gevolgen daarvan voor hedendaags samenleven?’

De formulering van het centrale uitgangspunt verraadt meteen de toegankelijke schrijfstijl van de directeur van het Verwey-Jonker Instituut en bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Boutellier is bij ons vooral bekend van zijn boek De veiligheidsutopie uit 2006. In Het seculiere experiment blijft hij dicht bij zijn eigen deskundigheid en maakt hij gebruik van eerdere studies over criminaliteit, veiligheid, seksualiteit, integratie en sociale wetenschappen. ‘Nieuw is het overkoepelende perspectief van religie en secularisering.’

‘Ik constateer op basis van de veldstudies dat de wereld totaal, maar dan ook totaal veranderd is’, schrijft Boutellier aan het eind van zijn boek. Die ingrijpende verandering van de voorbije halve eeuw is uiteraard niet alleen het gevolg van de secularisering of de seksuele revolutie - de vraag is bovendien of die seksuele bevrijding precies dankzij de seculiere context plaatsvond of dat ze zelf net het kerkelijke juk hielp afwerpen? Er is uiteraard ook de technologische revolutie, de globalisering van de wereldeconomie, de toegenomen mobiliteit, … ‘Het seculiere experiment is als het ware opgelost in een proces van - lelijk woord - complexisering.’ Daarmee is het geloof op zich niet verdwenen. Maar de sociaal regulerende functie ervan is wel sterk afgenomen. ‘Er wordt van alles geloofd, maar het normatieve belang daarvan voor de samenleving is veranderd.’ Dat seculariseringsproces slaat met uitbreiding overigens op alle vormen van geloof. Het ‘heeft zich doorgezet naar elke vorm van gemeenschappelijk geloof - ook naar het socialisme. Van geen enkel groot verhaal geloven we nog in de waarheid.’

De analyses en bevindingen van Boutellier zijn op alle door hem strikt afgebakende terreinen zonder meer boeiend. Toch is het zinvol bij twee belangrijke conclusies stil te staan, namelijk die over de rol van veiligheid als een soort nieuwe godsdienst in onze samenleving en die over integratie. Met de komst van grote groepen moslims is het nuttig om even terug te kijken naar de positie van de opnieuw oplevende maatschappelijk betekenis van religie. Voor die vraag zijn er in een wereld zonder grote bezielende verhalen twee samenhangende redenen. ‘De eerste is een vrij algemeen gevoel van richtingloosheid: waar staat het Westen nu eigenlijk voor? Of, populairder, waar gáán we voor? We lijken vooral hyperconsumenten te zijn in een neoliberale economie zonder al te veel bezieling. De tweede reden is de komst van nieuwe religies naar het Westen, na het tot de privé gereduceerde geloof van katholieken, protestanten en joden’, schrijft Boutellier. ‘Met name de islam leidt tot morele verlegenheid. Wat is de diepe westerse twijfel waard ten opzichte van waarheidsaanspraken? Het seculiere Westen heeft moeite met de eigen positiebepaling in een veranderende context van geloofsopvattingen.’

Om alvast met dat laatste te beginnen. De omslag naar een seculiere samenleving ging gepaard met een gestage instroom van migranten. Die migratie leidde tot superdiverse steden met een meerderheid aan minderheden. En tot de komst van de islam, weliswaar als godsdienst met vele kamers, maar zoals wel vaker het geval is ook met veel aanspraak op het grote gelijk. Boutellier staat uitvoerig stil bij wat hij als de drie pijlers van een degelijk integratiebeleid beschouwt: acceptatie, participatie en vrijheid.
‘Acceptatie wordt verwacht ten aanzien van de rechtsstaat en rechtsorde. In de liberale democratie wordt het pluriforme karakter van de samenleving beschermd. (…) Naast de rechtsstaat en de rechtsorde is er een tweede domein, van onderwijs en economie. Het sleutelbegrip is hier participatie. Het algemeen belang - de continuïteit van de samenleving is dat iedereen naar eigen vermogen meedoet.’ Deelname aan onderwijs en economie zijn voor Boutellier dus cruciaal, maar de overheid moet meer doen. ‘Actieve bestrijding van discriminatie is een minimumvoorwaarde voor integratiebeleid. (..) Tenslotte is er het recht op eigen cultuur en identiteit. (..) De eigen identiteit is vrij, onder de voorwaarde dat men de rechtsstaat accepteert en naar kunnen bijdraagt aan de economie.’

De door vader Boutellier geuite angst dat zonder God het verderf om de hoek loerde, is niet bewaarheid. Maar de angst voor onveiligheid en chaos is de voorbije decennia niet afgenomen, wel integendeel. Ze is op haar beurt uitgegroeid tot een nieuw soort godsdienst en geëindigd als het favoriete speeltje van populisten. De aanslagen van 9/11 en wat daarop is gevolgd aan oorlogen en terrorisme, hebben die angst alleen nog aangewakkerd. Mensen eisen volgens Boutellier voortaan een door de overheid gegarandeerde veiligheid die hen in staat stelt zelf risico’s te nemen. ‘De veiligheidsbehoefte doet zich voor binnen een context van grenzeloosheid, zowel geografisch als normatief’, schrijft Boutellier. Mensen nemen graag risico’s - als ondernemer, bungeespringer, chauffeur, … Maar ongevraagde onveiligheid moet met inzet van zware middelen door de overheid worden bestreden. Het mag dan iets meer zijn.

‘Populistische partijen speculeren nadrukkelijk op het ondermijnende potentieel van het verlangen naar familiariteit, geborgenheid en veiligheid. Andere politici staan algauw in hun hemd als zij geen overtuigend antwoord hebben op het fantasmatisch uitvergrote immigratie- en criminaliteitsprobleem’, aldus Boutellier. ’Dat kan door populistische partijen handig worden uitgespeeld, daarbij een handje geholpen door de media. Dat leidt overigens tot de eigenaardige tegenstelling dat het populistische denken zowel tegen de overheid is als voor een streng optreden daarvan. Deze inherente spanning leidt onherroepelijk tot een autoritaire tendens in het overheidsbeleid. Het zal immers nooit goed genoeg zijn.’

Zet Hans Boutellier hiermee zonder het te beseffen de grote Vlaamse politieke leider en burgemeester van Antwerpen in het kamp der populisten? Als dat maar goed afloopt!

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 10 (december), pagina 99 tot 101