Abonneer Log in

'Taxing the Rich. A History of Fiscal Fairness in the US and Europe'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 10 (december), pagina 106 tot 108

Taxing the Rich. A History of Fiscal Fairness in the US and Europe

Kenneth Scheve en David Stasavage
Princeton University Press, Princeton, 2016

Wat is rechtvaardige fiscaliteit? Een brandend actuele vraag, die tegelijk eeuwen oud blijkt. In het stevig gedocumenteerde Taxing the Rich leren we onder meer dat in het 16de eeuwse Firenze reeds hevige debatten werden gevoerd over het al dan niet invoeren van progressieve belastingschijven. In dit boek spreken de Amerikaanse politicologen Kenneth Scheve en David Stasavage zich niet zozeer uit over de vraag hoe een rechtvaardig fiscaal systeem er volgens hen zou moeten uitzien, dan wel over wanneer en vooral waarom overheden in het verleden beslisten om belastingen op het rijkste deel van hun bevolking in te voeren of te verhogen. Daartoe verzamelden ze een indrukwekkende dataset van de geldende belastingtarieven in de personen- en erfbelasting in twintig geïndustrialiseerde landen van 1800 tot vandaag. Hun belangrijkste conclusie is de enigszins ontnuchterende vaststelling dat overheden vooral overgaan tot het belasten van ‘de rijken’ in tijden van oorlog met algemene mobilisatie.

Om deze stelling kracht bij te zetten, gaan Scheve en Stasavage bijzonder methodisch te werk. Onder ‘rijk’ verstaan zij het 1 procent of zelfs 0,1 procent rijkste deel van de bevolking. Voor hun onderzoek definiëren ze rechtvaardigheid voorts als de gelijke behandeling van burgers door de overheid. Volgens hen geeft zelfs deze enge invulling van rechtvaardigheid op basis van het niet-discriminatiebeginsel aanleiding tot drie zeer verschillende benaderingen van het concept rechtvaardige fiscaliteit.

Een eerste soort pleidooien categoriseren Scheve en Stasavage onder de noemer ‘gelijke behandeling’ (equal treatment). Vanuit deze benadering zijn net progressieve belastingstelsels onrechtvaardig en zou van elke burger een even groot percentage belasting moeten worden gevraagd. Hieronder vallen dus de pleidooien voor een vlaktaks of in de meest extreme variant zelfs hoofdgeld (een vast bedrag per hoofd ongeacht het inkomen). Tegenover deze eerste groep definiëren de auteurs een tweede groep die pleit voor het principe van ‘draagkracht’ (ability to pay) als maatstaf voor rechtvaardige fiscaliteit. Hieronder vallen volgens Scheve en Stasavage de pleidooien voor een progressief stelsel gebaseerd op de vaststelling dat 100 euro belasting meer pijn doet voor iemand met een inkomen van 1.000 euro, dan 1.000 euro belasting voor een persoon met een inkomen van 10.000 euro en dat het daarom dus rechtvaardig is om een hoger belastingpercentage te vragen aan meer vermogenden. Volgens de auteurs zijn voorstanders van progressieve belastingschijven er in het verleden nooit in geslaagd om hun slag thuis te halen op basis van argumenten die enkel steunden op het draagkrachtprincipe, maar hadden ze daar andere argumenten voor nodig die thuishoren in een derde ‘compensatoire’ (compensatory) categorie. Deze argumenten zouden vooral steunen op het feit dat rijken hoger belast zouden moeten worden, omdat ze op andere gebieden door de overheid bevoordeeld worden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn omdat de andere overheidsinkomsten een regressief karakter hebben (wie minder verdient/bezit, betaalt verhoudingsgewijs meer belasting). Volgens Scheve en Stasavage is veruit het krachtigste compensatoire argument van de afgelopen tweehonderd jaar de algemene mobilisatie in oorlogstijd geweest. Hetgeen zich in een aantal landen heeft vertaald in tarieven van 80 tot 90% in de personenbelasting na de Tweede Wereldoorlog. Daaraan koppelen ze de stelling dat - gelet op de vervanging van kanonnenvlees door hoogtechnologisch wapentuig in de moderne oorlogsvoering - er weinig kans bestaat dat overheden gauw zullen teruggrijpen naar dergelijke naoorlogse tarieven voor de hoogste belastingschijven.

De grote verdienste van Taxing the Rich is ongetwijfeld de nauwgezetheid waarmee de auteurs hun stelling trachten te onderbouwen. Doorheen het boek besteden ze aandacht aan de precieze formulering van hun onderzoeksvragen en wordt uitgebreid stilgestaan bij wat de data wel of niet aangeven. Het boek kan daarom ook gelezen worden als een soort inleiding tot kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethodologie.

Een aantal van de interessantste bevindingen in het boek zijn die waarbij de auteurs een aantal vaak gehoorde stellingen met betrekking tot het belasten van vermogenden kritisch tegen het licht houden. Zo blijkt er zeker geen automatische link te bestaan tussen de invoering van het algemeen stemrecht en het verhogen van de hoogte tarieven in de personen- of erfbelasting. Noch kan er een verband worden gevonden tussen stijgende ongelijkheid en de eventuele latere verhoging van deze tarieven. Waar er wel een duidelijk verband tussen bestaat, is tussen de verhoging van de tarieven van deze belastingen en een lagere ongelijkheid nadien.

Scheve en Stasavage proberen ook een antwoord te formuleren op de meeste tegenwerpingen die de lezer bij hun verhaal zou kunnen maken. Zo verwerpen ze de hypothese dat de opkomst van het communisme in het Oosten ook in het Westen heeft geleid tot hogere tarieven voor vermogenden, met het argument dat er na de Eerste Wereldoorlog een duidelijk verschil merkbaar was tussen de hoogste tarieven van landen die hadden meegevochten of gemobiliseerd en landen die neutraal gebleven waren. Dit terwijl beide groepen landen vlak na de oorlog geconfronteerd werden met een gelijkaardige mate aan sociale onrust geïnspireerd door de Oktoberrevolutie. Ook de politieke doorbraak van linkse en socialistische partijen na de Eerste Wereldoorlog heeft volgens de auteurs een minder grote invloed gehad op de hoogste tarieven dan de factor algemene mobilisatie, hoewel er natuurlijk wel een duidelijke link aanwezig is.

Ondanks bovenvermelde sterktes slaagt het boek er toch niet in te overtuigen. Niemand zal de waarde van de door de auteurs bestudeerde en verzamelde dataset in twijfel trekken. Toch blijft het riskant om algemene conclusies te trekken op basis van een vergelijking tussen een handvol elementen (hoogste tarieven inkomsten- en erfbelasting) uit de belastingsystemen van twintig verschillende landen. Nog riskanter is het om op basis daarvan voorspellingen over de toekomst te maken.

Niet alleen is de centrale boodschap dat het rijkste segment van de samenleving enkel tot een grotere bijdrage kan worden gebracht als daar aanzienlijke offers van de brede bevolking tegenover staan ontzettend fatalistisch, ook moeten de auteurs een flink aantal bochten afsnijden om tot deze conclusie te komen. De auteurs bouwen hun hele verhaal namelijk op rond een vergelijkend onderzoek naar de hoogste tarieven in de inkomsten- en erfbelasting. Twee belastingen waarvan het cliché wil dat de meest vermogenden ze niet eens betalen. Op zich is hun conclusie dat we niet snel opnieuw naar toptarieven van 80% of meer in de personenbelasting zullen gaan ook weinig relevant voor de huidige discussies over rechtvaardige fiscaliteit. Er zijn in België of andere ontwikkelde economieën amper nog stemmen die voor dergelijke tarieven pleiten, ook niet aan de linkerzijde. Als we ons tot Vlaanderen beperken, zien we bijvoorbeeld dat noch sp.a, noch Groen (maar ook niet PVDA) de invoering van dergelijke hoge tarieven bepleiten. Ook het ABVV bijvoorbeeld spreekt in haar congresteksten over het verhogen van de progressiviteit, maar niet over tarieven van die grootteorde. Wanneer links het vandaag heeft over een rechtvaardige fiscaliteit waar ook de sterkste schouders aan bijdragen, dan gaat het over het globaliseren van de inkomsten, het fiscaal transparant maken van personenvennootschappen en het belasten van meerwaarden of vermogens.

Ook de eenzijdige nadruk die door de auteurs wordt gelegd op het soort argumenten dat in fiscale discussies wordt gebruikt, zonder de krachtsverhoudingen tussen verschillende maatschappelijke groepen in rekening te brengen, komt eerder naïef over. Ook bij de indeling van de argumenten in de verschillende categorieën zelf kunnen vragen gesteld worden. Moet links echt op zoek naar nieuwe compensatoire argumenten of eerder gewoon naar nieuwe overtuigende argumenten? Het is daarbij trouwens opvallend hoe weinig aandacht de auteurs geven aan een argument voor progressiviteit dat in België zeer sterk meespeelt, namelijk het verminderen door herverdeling van de ongelijkheid op basis van marktfactoren.

In Taxing the Rich bieden Scheve en Stasavage de lezer dus een interessant overzicht van enkele honderden jaren discussie over rechtvaardige fiscaliteit, maar het laatste woord hierover is met dit boek zeker nog niet gezegd.

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 10 (december), pagina 106 tot 108