Log in

'Ctrl+Alt+Del, deel 2' / 'Zonder links geen toekomst voor Europa'

Uitgelezen

Ctrl+Alt+Del, deel 2

John Crombez
[www.s-p-a.be](http://www.s-p-a.be)

Zonder links geen toekomst voor Europa

Jan Cornillie
[www.s-p-a.be](http://www.s-p-a.be)

De partijtop van sp.a zit intellectueel niet stil. Er wordt hard gewerkt aan nieuwe ideeën. Het is de plicht van de oppositie om continu kritiek te geven op de regering, maar sp.a wil het daar niet bij laten en ook alternatieven bieden voor de ‘asociale’ en ‘oneerlijke’ keuzes van de huidige meerderheden. Die ideeën moeten tonen dat er, in weerwil van wat de regeringen beweren, wel degelijk alternatieven mogelijk zijn. Ze moeten ook aangeven dat sp.a inhoudelijk gewapend is voor een nieuwe regeringsdeelname in 2019.

Onlangs verschenen er opnieuw twee boekjes, allebei gratis te bestellen via www.s-p-a.be, die het resultaat zijn van dit denkwerk. Ctrl+Alt+Del, deel 2 bouwt verder op het boek waar partijvoorzitter John Crombez begin 2016 mee naar buiten kwam. In zijn boek werkt Jan Cornillie, directeur van de studiedienst, een idee uit dat hij eerder op de pagina’s van dit tijdschrift had geponeerd: dat Europa geen toekomst heeft zonder links, en omgekeerd.

Hieronder zal ik eerst het boekje van Crombez en dan dat van Cornillie bespreken, en vervolgens eindigen met enkele overkoepelende beschouwingen.

In deel 1 van Ctrl+Alt+Del had Crombez op ambitieuze wijze krijtlijnen uitgezet over hoe de regels voor onze economie en sociale zekerheid moeten worden herschreven om een antwoord te bieden op de dromen, zorgen en noden van de 21ste eeuw. Dat boek was bedoeld als de aanzet voor maatschappelijke discussie over de ideeën die werden gelanceerd. In deel 2 laat hij een aantal (jonge en minder jonge) mensen reageren op zijn voorstellen. Met Liesbeth Driesen, Wouter Torfs, Riet Ory, Karel Vinck, Bleri Lleshi, Laura Slimani, André Bergen en Johan Bonny zijn het niet enkel gesprekspartners die uit klassieke sociaaldemocratische hoek komen. Ook al zijn hun bijdragen lezenswaardig, ik ga me hier beperken tot een korte bespreking van het uitgebreide laatste hoofdstuk, waarin John Crombez een ‘update’ maakt van de nieuwe software die hij in deel 1 had uitgewerkt.

Net als in het eerste deel is de boodschap dat onze economie eerlijker en eenvoudiger moet. Sterker dan in de vorige publicatie wordt het principe van eenvoud benadrukt. Eerlijker en eenvoudiger zijn principes die een groot publiek moeten aanspreken. Terwijl ‘eerlijk’ nog de connotatie van ‘gelijkheid’ en ‘herverdeling’ meedraagt, en zo toch een niet-links publiek zou kunnen afschrikken, geldt dit voor ‘eenvoud’ nog minder. Het is in mijn ogen ook een interessant principe om drie redenen. Het toont dat de voorstellen niet enkel voordelig kunnen zijn voor een beperkte groep. Een eenvoudiger belastingsysteem zou bijvoorbeeld ook kmo’s bevoordelen. Eenvoud heeft, ten tweede, het voordeel dat het tot meer steun voor herverdeling kan leiden. Als mensen begrijpen wat er met hun inspanningen gebeurt, dan zullen ze daar ook meer bereid toe zijn. Ten derde weten we dat ingewikkelde regels zowel aan inkomens- als uitgavenzijde Mattheüs-effecten vergroten. Eenvoudiger en eerlijker hangen dus vaak samen. In België wringt het schoentje nogal wat die eenvoud betreft, dus de nadruk is pertinent.

Concreet stelt Crombez zeven ‘updates’ voor, nieuwe voorstellen vanuit deze twee principes die de ideeën uit deel 1 aanvullen of uitwerken. Enkele daarvan haalden bij de lancering ook de media, zoals het voorstel om iedereen een volwaardig pensioen te geven na 42 jaar werken, of om de kosten bovenop uitstaande schulden die mensen moeten betalen aan de ‘schuldindustrie’ eenmalig kwijt te schelden. Daarmee werd bijval geoogst ook uit onverwachte hoek.

Over sommige voorstellen kan op links dan weer zeker gediscussieerd worden, zoals of het wenselijk is om een plafond af te spreken op het aandeel van onze welvaart dat aan sociale zekerheid wordt gespendeerd, en of de ideeën van Crombez om naar volledige werkgelegenheid te evolueren door vandaag onbetaald werk te verlonen niet kan neerkomen op ‘commodificatie’ van vrijwilligerswerk.

Het boekje van Jan Cornillie (ik gebruik het verkleinwoord omdat de kwantiteit van de tekst beperkt is, maar de kwaliteit is erg hoog) gaat over de vraag die de Europese sociaaldemocratie altijd al heeft bezig gehouden en die sterker dan ooit aan de oppervlakte kwam met de eurocrisis en de asociale aanpak ervan: hoe moet links zich tot de Europese integratie verhouden? Meer concreet: hoe zijn nationale welvaartsstaten enerzijds en de Europese vrije markt en monetaire unie anderzijds verzoenbaar? Het essay is geschreven vanuit een terechte sense of urgency. Een dubbele zelfs: zowel de welvaartsstaat als het Europese integratieproject staan vandaag onder stevige druk.

De centrale stelling van Cornillie is dat de Europese Unie geen toekomst heeft zonder links en links (of de welvaartsstaat, de voornaamste realisatie van sociaaldemocratisch links) geen toekomst heeft zonder de EU. Hij pleit daarom voor de structurele hervorming van de EU tot een ‘Unie van welvaartsstaten’, een nieuw concept dat onlangs werd gelanceerd door Frank Vandenbroucke, een compagnon de route van Cornillie. Volgens Vandenbroucke moeten we af van het concept ‘Sociaal Europa’, dat te vaag zou zijn en te veel de associatie met een volledig eengemaakte welvaartsstaat op supranationaal niveau zou oproepen.

Volgens Cornillie biedt een Unie van welvaartsstaten een alternatief voor drie andere visies over de toekomst van Europa (gelukkig geen ‘derde weg’ dus). De ‘eurorealisten’ willen geen verdieping van Europa, maar de EU net beperken tot een vrije markt, waarbinnen welvaartsstaten met elkaar moeten concurreren om investeerders te behouden of aan te trekken via lage belastingen en uitkeringen. Op die manier is de markt oppermachtig en vernietigend voor de welvaartsstaat, net zoals Friedrich Hayek het in zijn pleidooi voor een federaal Europa bedoeld had. De eurosceptici (ook op links) willen terug naar nationale staten en grenzen, omdat ze niet geloven in een goedaardige Unie. Maar dat zal nationale welvaartsstaatjes de speelbal van de gemondialiseerde economie maken, stelt Cornillie. De eurofederalisten à la Verhofstadt willen een sprong naar een echt supranationaal Europa. Dat is dan weer onhaalbaar (want er is geen politieke en maatschappelijke meerderheid voor) en onwenselijk (nationale bevolkingen hebben verschillende ideeën over hoe de welvaartsstaat er moet uitzien). Wellicht rekent Cornillie ‘Sociaal Europa’ ook tot die laatste visie, en daarom stelt hij voor het te vervangen door het nieuwe concept.

De ‘Unie van welvaartsstaten’ wil de Europese ‘macro-economische context maken waarin welvaartsstaten floreren’ (p. 13). Meer concreet: ‘de eurozone moet een schokdemper krijgen die beschermt tegen crisissen; het vrij verkeer moet vrij van dumping gemaakt worden; een Europese vennootschaps- en vermogensbelasting moet de fiscale concurrentie stoppen; sociale investeringen moeten zorgen voor sociale mobiliteit, in de EU én de nabuurlanden; de EU moet zijn handel beschermen tegen landen die zich niet houden aan sociale en ecologische afspraken’ (p. 13).

Na de korte inleiding van wat een ‘Unie van Welvaartsstaten’ voorstelt, wordt in een eerste deel de probleemstelling uitgewerkt. Cornillie argumenteert bijzonder helder, en met veelzeggende grafieken, hoe de welvaartsstaten er doorheen de eurozone op achteruit zijn gegaan. Vervolgens legt hij uit hoe de eurocrisis is ontstaan, hoe dit samenhangt met de crisis van Europese welvaartsstaten, en hoe ook sinds 2010 de crisis van de welvaartstaten en de eurocrisis elkaar versterken.

In een tweede deel worden de hervormingen die links aan de eurozone moet bepleiten verder uitgewerkt. Een Europese werkloosheidsverzekering zou een belangrijk onderdeel van de welvaartsstaten herverzekeren tegen economische schokken, zodat die welvaartsstaten niet, in een negatieve spiraal, uitgehold moeten worden om competitief te worden of te blijven. Landen die het goed doen moeten even krachtig gevraagd worden om te investeren (ook sociaal) om in Europa de vraag op peil te houden dan landen die het slecht doen gevraagd worden om te besparen. Een Europese vermogensbelasting zou niet alleen meer fiscale rechtvaardigheid brengen, maar er ook voor zorgen dat het monetair stimulusbeleid van de Europese Centrale Bank minder tot nieuwe bubbels leidt en meer ten goede komt van de reële economie. Ten slotte stelt Cornillie nog vier progressieve structurele hervormingen voor: aanpak van fiscale dumping, aanpak van sociale dumping, sociale convergentiesystemen waarbij welvaartsstaten niet exact gelijk worden maar zich wel binnen een bepaalde bandbreedte begeven (bijvoorbeeld op vlak van onderwijs), en ten slotte de verdere eenmaking van de interne markt.

Cornillie heeft ook nog een linkse visie op de vluchtelingenproblematiek en op de geopolitieke uitdagingen van de EU in zijn boekje geweven. Dat zijn uiteraard prangende kwesties vandaag, en ze zijn natuurlijk niet los te zien van de toekomst van de EU en de welvaartsstaat, maar ze wijken toch wat af van de verder strakke argumentatielijn van het essay. Toch raad ik iedereen aan dit boekje te lezen. Het kost je geen geld en maar een korte avond. Op een manier die nauwelijks beknopter kan biedt het een linkse analyse van de grimmige toestand waarin de welvaartsstaten en de Europese Unie zich vandaag bevinden, en bouwt het op die analyse ook een vrij concreet programma.

Deze boekjes van Crombez en Cornillie hebben absoluut de verdienste dat ze oefeningen zijn in het fundamenteel herdenken van de economie en sociale zekerheid op nationaal en Europees niveau, eerder dan aanpassingen in de marge. Zoals Crombez in zijn conclusie erkent is de volgende stap ‘die gedurfde - en ja, soms radicale - voorstellen geloofwaardig te maken’. Dat, inderdaad, maar ook een politieke strategie om deze radicale hervormingen doorgevoerd te krijgen. Hoe die strategie er uitziet, komen we niet te weten in de beide boekjes. Dat kan te verklaren zijn doordat men de strategie niet op straat wil gooien, of omdat men daar nog niet uit is.

Het lijkt er vaak op dat sp.a zich in 2019 wil profileren als hét alternatief voor kiezers die een ander, eerlijker socio-economisch beleid willen, maar zich verder wel kunnen vinden in het asiel-, migratie- en veiligheidsbeleid en -discours van deze regeringen. Daarom reppen deze boekjes opnieuw weinig over deze thema’s, net als over ecologie trouwens. Dat kan een slimme, impliciete taakverdeling met Groen inhouden. Maar de vraag is: als sp.a er inderdaad in slaagt om in 2019 opnieuw in de regering in te breken, in welke mate wil, kan en zal ze er dan in slagen om deze fundamentele hervormingen aan onze economie, sociale zekerheid en de Europese architectuur erboven door te voeren, of op zijn minst grondig die weg in te slaan? Welke van de shifts van Crombez zijn breekpunten bij de volgende regeringsvorming? Op welke manier wil sp.a werk maken van de hervorming van Europa, volgens Cornillie (terecht) een voorwaarde om onze economie en welvaartsstaat weer eerlijker te maken langs de lijnen die Crombez uitzet?

Uiteraard hebben goede ideeën en zoveel mogelijk mensen daarvan overtuigen prioriteit op postelectorale strategie. Beide boekjes hebben gemeen dat ze radicale ideeën verpakken in gematigde termen (‘eerlijker en eenvoudiger’ en ‘Unie van welvaartsstaten’). Daarmee probeert men een breed publiek te bereiken. Om de vergelijking met de Franse presidentsverkiezingen te maken, tracht men zo het schisma van de Franse PS te overstijgen door geen duidelijke keuze te maken tussen Benoît Hamon en Emmanuel Macron. Daar valt wat voor te zeggen. Als 2019 gaat over hoe eerlijk onze economie en welvaartsstaat is georganiseerd, en niet over onze identiteit en veiligheid, dan heeft sp.a zeker een groot potentieel.

Maar er loeren ook twee gevaren. De eerste is, vanzelfsprekend, dat de volgende moeder der verkiezingen niet over eerlijkheid en eenvoud maar wel over veiligheid en identiteit gaan. De tweede is dat de sp.a opnieuw in de regering terechtkomt maar er niet of nauwelijks in slaagt deze ambitieuze programma’s te realiseren. Aangezien het waarschijnlijk is dat als sp.a terug in de meerderheid komt, het opnieuw om centrumregeringen zal gaan, is dat gevaar reëel. De partijtop kan dus maar beter nadenken hoe men een scenario dat een nieuwe klap voor de geloofwaardigheid zou betekenen, zal vermijden. Als het tot nieuwe regeringsdeelname komt, betekent dat volgens mij op zijn minst uitleggen voor welke prioriteiten men heeft gekozen, hoe en waarom, tonen dat men voor de andere heeft gevochten, en ook vanuit de coalitie de eigen ideeën blijven verdedigen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 2 (februari), pagina 80 tot 84