Abonneer Log in

Naar een échte scheiding van kerk en staat

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 2 (februari), pagina 31 tot 38

In België worden de erkende levensbeschouwingen door de overheid gesubsidieerd. Dit systeem is echter niet meer aangepast aan de hedendaagse samenleving en is daarom aan een grondige herziening toe. In deze bijdrage wordt aangegeven waarom de klassieke argumenten voor het huidige financieringsbeleid niet meer volstaan. Als alternatief wordt gepleit voor een kerk-staat systeem dat is afgestemd op maat van de burger en dat niet langer grondwettelijk verankerd is.

Vorig jaar werd het startschot gegeven voor een reeks hoorzittingen in de Kamer, georganiseerd door de Commissie Grondwet. Directe aanleiding van deze hoorzittingen was het voorstel van Patrick Dewael (Open Vld) en Laurette Onkelinx (PS) om de Grondwet te herzien en om in het bijzonder aandacht te besteden aan het seculiere karakter van de staat en de fundamentele waarden van de samenleving. Om de discussie te concretiseren stelde Patrick Dewael een ‘proeve van preambule’ en een ‘Voorstel van resolutie over de plaats van de fundamentele waarden in de Grondwet’1 op, waarin hij zijn pijlen onder meer richt op een aantal grondwetsartikels die verduidelijking en/of aanpassing behoeven.

Vreemd genoeg wordt artikel 181, waarin de overheidsfinanciering voor wedden en pensioenen van bedienaars en afgevaardigden van de erkende levensbeschouwingen wordt vastgelegd, in deze teksten niet vermeld. Onder meer door de toegenomen levensbeschouwelijke diversiteit en secularisering staat dit artikel nochtans al langer ter discussie: zo werden er de laatste jaren verschillende wetsvoorstellen ingediend (onder meer door Open Vld, Ecolo en Groen)2 om het systeem af te schaffen of te optimaliseren, werden er twee werkgroepen opgericht om het systeem in kaart te brengen en waar nodig te optimaliseren (Mortier et al. 2005-06; Magits et al. 2011), en ook in academische kringen krijgt het financieringssysteem van levensbeschouwingen de laatste jaren zowel aan Nederlandstalige als aan Franstalige zijde steeds meer aandacht (cf. Delbeke 2011; Sauvillier 2013; Schreiber 2014; Saygin 2015 ; Wattier 2016; Franken 2017).

Het is vreemd dat Dewael over dit thema helemaal niets zegt. In deze bijdrage wil ik ingaan op deze lacune. Hiertoe sta ik, na een korte schets van het financieringssysteem van levensbeschouwingen in België, stil bij de gangbare legitimatie ervan en toon ik aan waarom deze niet langer volstaat. Daarna geef ik een alternatieve legitimering om levensbeschouwingen te subsidiëren en zien we welke gevolgen dit heeft voor het Belgische kerk-staat model en voor de Grondwet.

SCHETS VAN HET FINANCIERINGSSYSTEEM

In artikel 181 van de Belgische Grondwet wordt vastgelegd dat de overheid jaarlijks een budget vrijmaakt voor de lonen en pensioenen van bedienaren van de erkende erediensten en van de afgevaardigden van de erkende niet-confessionele organisaties.3 Op dit moment zijn er in België zeven levensbeschouwingen erkend: zes confessionele levensbeschouwingen (Rooms-Katholieke Kerk; Protestantisme; Orthodox Christendom; Anglicanisme; Jodendom en Islam) en één niet-confessionele levensbeschouwing (vrijzinnig humanisme). Ook het boeddhisme, een aantal hindoe-groeperingen en de Syrisch-Orthodoxe kerk dienden een aanvraag voor erkenning in, maar op dit moment zijn deze levensbeschouwingen officieel nog niet erkend.

Om als levensbeschouwing erkend te worden moeten er een aantal criteria vervuld zijn. Zo moet de betreffende levensbeschouwing een groot aantal (‘verschillende tienduizenden’) aanhangers vertegenwoordigen; gestructureerd zijn in een representatief orgaan dat als bemiddelaar tussen de geloofsgemeenschap en de overheid fungeert; enige tijd (‘verschillende decennia’) in het land gevestigd zijn; een maatschappelijk belang vertegenwoordigen; en niet tegen de maatschappelijke orde indruisen. Wanneer een levensbeschouwelijke groepering een aanvraag tot erkenning heeft ingediend, gaat het ministerie van Justitie na of deze criteria vervuld zijn. Bij een positief advies beslist uiteindelijk het Parlement over erkenning.

Levensbeschouwingen die in België officieel erkend zijn, genieten tal van voordelen waaronder de grondwettelijk vastgelegde uitbetaling van salarissen en pensioenen van bedienaars van de erkende erediensten en van afgevaardigden van de erkende niet-confessionele levensbeschouwingen.4 In 2008 berekende de Waalse socioloog Jean-François Husson (2010) het totale overheidsbudget voor de erkende levensbeschouwingen op zo’n 320 miljoen euro per jaar. Van dit budget gaan de meeste middelen naar lonen en pensioenen. Vooral de katholieke Kerk krijgt, met ruim 85% van alle middelen, een aanzienlijk deel van de koek. Daarnaast kregen de vrijzinnigen 8% van het totale budget, de moslims 2,1% en de protestanten 2,5%. De orthodoxe, israëlitische en anglicaanse erediensten kregen respectievelijk 0,8%, 0,4% en 0,2% van het totale budget.

DE KLASSIEKE LEGITIMATIE

Vier argumenten voor subsidiëring

Voor de financiering van levensbeschouwingen in België zijn er een aantal gangbare argumenten die door voorstanders van het systeem nog steeds worden aangehaald. Zo zijn er vooreerst de historische wortels van het systeem: onder meer als compensatieregel voor het inkomstenverlies ten gevolge van de confiscatie van de kerkelijke goederen kort na de Franse Revolutie, werd in de Belgische Grondwet (1831) vastgelegd dat bedienaars van de erkende erediensten (en in 1993 werden daar afgevaardigden van de niet-confessionele levensbeschouwing aan toegevoegd) door de overheid bezoldigd worden.

Daarnaast zouden levensbeschouwingen voor stabiliteit en cohesie in de samenleving zorgen en zouden ze een maatschappelijk en ethisch belang hebben. Zo lezen we in het rapport-Magits:

‘Meer in het algemeen vormen de ethisch-levensbeschouwelijke behoeften in Europa een permanent punt van algemeen belang, net als andere vormen van maatschappelijk kapitaal. De uitdagingen die zij betekenen gelet op de huidige sociologische ontwikkelingen (toename van het aantal zelfmoorden, isolering van kwetsbare bevolkingsgroepen, versterking van gewelddadige radicaliseringen…) versterken de noodzaak na te denken over de verantwoordelijkheid van de overheid.’ (Magits et al. 2011, 17)

Verder zou het Belgische erkennings- en financieringsbeleid ook een pragmatisch voordeel bieden: door als overheid bepaalde eisen voor erkenning op te leggen, kan de overheid immers een zekere controle uitoefenen op de betreffende levensbeschouwelijke organisaties (cf. Mortier et al. 2005-06, 101), waardoor onder meer radicalisering zou kunnen worden ingedijkt en/of tegengegaan. Dit argument wordt vooral de laatste jaren naar voor geschoven.

Tot slot is er het principe van de positieve godsdienstvrijheid: zo zorgt het financieringssysteem van levensbeschouwingen ervoor dat de vrijheid van godsdienst (de vrijheid om het geloof aan te hangen én te praktiseren) niet enkel de jure (formele vrijheid), maar ook de facto (reële vrijheid) gegarandeerd wordt.5 Omdat ‘elke eredienst en elke niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschap om erkenning kan vragen’ (Husson 2009, 102) komt de Belgische overheid tegemoet aan de positieve godsdienstvrijheid van diverse levensbeschouwelijke groeperingen in de samenleving.

Weerlegging van de klassieke argumentatie

Hoewel de vier genoemde argumenten nog steeds worden aangehaald om het Belgische kerk-staat model te legitimeren, kunnen er vandaag een aantal vraagtekens bij worden geplaatst.

Zo stelt zich, allereerst, de vraag of de genoemde compensatieregel vandaag nog wel zin heeft. Moet de Belgische overheid, meer dan tweehonderd jaar na het Franse antiklerikale bewind, nog opdraaien voor de gebeurtenissen van toen? Bovendien geldt deze compensatieregel enkel voor de katholieke Kerk, terwijl ook verschillende andere levensbeschouwingen in België gesubsidieerd worden. De subsidiëring van deze levensbeschouwingen kan dus niet gelegitimeerd worden op basis van het compensatieargument.

Overigens is het interessant om weten dat ook de Nederlandse staat jarenlang compensatie betaalde voor de onteigeningen tijdens de Franse Revolutie. Na verloop van tijd werd deze subsidiëring stelselmatig afgebouwd (waardoor levensbeschouwingen in de praktijk vaak zelf voor hun financiering moesten zorgen). In 1983 betaalde de overheid een eenmalige afkoopsom aan de betreffende kerkgenootschappen.6 Sindsdien is er in Nederland geen directe overheidsfinanciering meer voor levensbeschouwelijke groeperingen of hun bedienaars.7

Verder kunnen we ons ook bij de maatschappelijke rol van religie de nodige vragen stellen. Zo tonen een aantal ontwikkelingen zoals secularisering, (mentale) ontzuiling, detraditionalisering en individualisme, maar ook religieuze intolerantie, religieus fundamentalisme en religieus geïnspireerd terrorisme, aan dat religie niet noodzakelijk leidt tot maatschappelijke cohesie en een gedeeld normenbesef. Vaak zorgt religieuze diversiteit zelfs voor conflict en wrijvingen, en niet voor cohesie en een gedeelde moraal, waardoor ook dit argument niet langer overtuigt.

Ook het argument van de staatscontrole verdient de nodige nuance. Zo zijn er in Vlaanderen, naast de 28 moskeeën die op dit moment erkend zijn, ongeveer 130 niet-erkende (en dus niet-gesubsidieerde) moskeegemeenschappen die aan zo goed als elke vorm van overheidscontrole ontsnappen en hierdoor een makkelijke voedingsbodem voor extremisme kunnen zijn. Zelfs bij een erkenningssysteem van levensbeschouwingen blijven er dus steeds groeperingen bestaan die op eigen houtje werken en door de mazen van het net glippen.

Maar zelfs als een moskeegemeenschap erkend is, blijkt overheidscontrole geen sinecure. Onder meer door de scheiding tussen kerk en staat is het immers niet zo evident om, eenmaal zo een geloofsgemeenschap erkend is, er als overheid controle over uit te oefenen. Zo vertrok er vorig jaar nog een Antwerpse imam, die actief was in een door de overheid erkende moskee, naar Syrië om er als jihadist te strijden.

Tot slot roept ook het argument van de godsdienstvrijheid vragen op. Zoals het voorbeeld van Nederland aantoont, kan deze vrijheid immers ook zonder directe overheidssteun gegarandeerd worden en kan private financiering voor levensbeschouwingen in principe volstaan. Het feit dat de overheid op financieel gebied een hands-off beleid voert, hoeft dus geenszins te betekenen dat levensbeschouwingen hierdoor benadeeld en/of gemarginaliseerd zouden worden, of dat de godsdienstvrijheid zou worden ingeperkt. Volgens sommigen is een hands-off beleid trouwens veel ‘gezonder’ voor kerk en staat omdat het de vrije beleving van godsdienst (zonder enige staatsinmenging) ten goede komt en religie meer vanuit de basis wordt beleefd.

Zo is er in de Verenigde Staten een ‘wall of separation’ tussen kerk en staat. De levensbeschouwingen worden er niet financieel ondersteund door de overheid. De ‘vrije religieuze economie’ doet haar werk en dat volstaat.8 In tegenstelling tot wat tegenstanders van zo een hands-off beleid beweren, leidt dit systeem niet noodzakelijk tot een inperking van de godsdienstvrijheid. Integendeel: de Amerikaanse samenleving lijkt, met de aanwezigheid van ongeveer tweeduizend denominaties, zelfs veel religieuzer dan de Europese, en dit terwijl kerk en staat er veel strikter gescheiden zijn dan in de meeste Europese landen. Het feit dat de overheid op financieel gebied een hands-off beleid voert, hoeft dus geenszins te betekenen dat levensbeschouwingen hierdoor benadeeld of gemarginaliseerd zouden worden, of dat de godsdienstvrijheid zou worden ingeperkt.

Dit alles betekent echter niet dat overheidssteun voor levensbeschouwingen binnen een liberale democratie niet mogelijk zou zijn. Meer zelfs, met het oog op de vrijheid (van godsdienst) voor iedereen kan het, in bepaalde omstandigheden en onder een aantal voorwaarden, legitiem zijn om als overheid levensbeschouwingen te subsidiëren. Het is echter niet legitiem om dit soort steun op voorhand, bijvoorbeeld in de grondwet, vast te leggen. Het is onder meer op dit punt dat het Belgische schoentje wringt.

FINANCIERING EN INDIVIDUELE KEUZEVRIJHEID

In een liberale democratie moeten burgers steeds gelijke kansen en mogelijkheden hebben ‘om het leven van binnenuit te leven, in overeenstemming met [hun] overtuigingen over wat het leven waardevol maakt’ (Kymlicka 2002, 216), op voorwaarde dat de vrijheid van medeburgers hierdoor niet wordt ingeperkt. Om burgers hiertoe niet enkel formeel, maar ook reëel de kans te geven, moet de overheid onder meer (de toegang tot) een aantal primaire goederen garanderen.Voorbeelden zijn onderwijs, gezondheidszorg en openbare veiligheid. Omdat deze zaken ‘in het algemene belang’ (Rawls 1971, 97, 267)zijn, mag de overheid van iedere burger een financiële bijdrage vragen.

Daarnaast zijn er ook heel wat zaken die niet noodzakelijk zijn om iedereen gelijke kansen te geven, maar die sommige burgers wel waardevol kunnen vinden. Dit zijn de zogenaamde secundaire goederen. Hoewel deze zaken niet in het algemene belang zijn, worden ze in de meeste landen, waaronder ook België, gesubsidieerd. Denk maar aan subsidies voor sport, recreatie, kunst, cultuur en religies/levensbeschouwingen. Maar waarom zou een overheid deze secundaire goederen subsidiëren met collectief belastinggeld?

Een antwoord hierop vinden we onder meer terug in het filosofische werk van Joseph Raz, Will Kymlicka en Ben Colburn. Zij stellen terecht dat de mogelijkheid om het leven ‘van binnenuit’ te leiden pas reëel wordt wanneer er voor iedereen voldoende ‘waardevolle opties’ zijn waaruit men kan kiezen: wie enkel kan kiezen tussen ‘twee identieke kersen in een fruitschaal’ (Raz 1986, 398) heeft immers geen echte keuze. In theorie zou de vrijemarkteconomie (hands-off model) kunnen volstaan om deze ‘waardevolle opties’ voor iedereen te garanderen, maar in de praktijk blijkt, onder meer door aanhoudende socio-economische ongelijkheid, dat dit niet altijd zo is. Daarom kan de overheid, in bepaalde omstandigheden en onder een aantal voorwaarden, ‘waardevolle opties’ of ‘secundaire goederen’ met collectief belastinggeld subsidiëren.

Vanuit dit perspectief kunnen bijvoorbeeld de aanleg en subsidiëring van (dieren)parken; de bouw en subsidiëring van muziekscholen, theaterzalen en sportclubs; maar ook de financiering van één of meerdere levensbeschouwingen, gelegitimeerd worden. Als blijkt dat deze zaken voor een aantal burgers waardevol zijn, maar zonder overheidssteun voor (een deel van) deze burgers ontoegankelijk zouden zijn, wordt de individuele vrijheid van deze burgers mogelijks ingeperkt. Om dit te vermijden is overheidssteun toegelaten. Belangrijk is hierbij dat overheidssteun niet dient om (dieren)parken, muziekscholen, theaterzalen, sportclubs en levensbeschouwingen te promoten, maar om gelijke kansen voor iedereen te garanderen. Wanneer levensbeschouwingen omwille van deze keuzevrijheid gefinancierd worden, is het beleid van de overheid neutraal en wordt de scheiding tussen kerk en staat gerespecteerd: niet alleen levensbeschouwingen, maar ook andere secundaire goederen of ‘waardevolle opties’ worden immers gesubsidieerd om ‘gelijke toegang tot autonomie’ (Colburn 2010, 84-96) te garanderen - en niet omdat ze volgens de overheid waardevol zouden zijn.9

OVERHEIDSFINANCIERING EN DE GRONDWET

De voorgaande redenering brengt ons tot de belangrijke vraag: welke opties zijn (niet) ‘waardevol’ en wie beslist hierover?

Wat het tweede luik van deze vraag betreft is het, met het oog op de individuele keuzevrijheid, aan burgers, en niet aan de overheid, om te beslissen wat waardevol is en wat niet. De financiering van levensbeschouwingen moet bijgevolg, net zoals de financiering van andere secundaire goederen, steeds het resultaat zijn van een democratisch debat en daaraan gekoppelde democratische besluitvorming: wanneer blijkt dat een levensbeschouwing voor een aantal burgers ‘waardevol’ is, maar wanneer eveneens blijkt dat deze levensbeschouwing niet voor iedereen toegankelijk is en er hierdoor niet voor iedereen voldoende keuzemogelijkheden zijn, kan de overheid onder een aantal voorwaarden (cf. Franken 2015, 79-82; 2016, 79-84) overgaan tot subsidiëring.

Er is echter geen enkele reden om overheidssteun voor levensbeschouwingen op voorhand (i.e. in een grondwet of een gelijkgestelde wet) vast te leggen, maar ook het op voorhand verbieden van overheidssubsidies voor levensbeschouwingen (zoals bijvoorbeeld in de Franse wet van 1905)10 kan principieel niet door de liberaal-democratische beugel. Een overheid die a priori vastlegt dat levensbeschouwingen ondersteuning moeten krijgen, is immers (net zoals een overheid die grondwettelijk zou vastleggen dat kunst, sport en/of recreatie gesubsidieerd moeten worden) niet neutraal. Ze lijkt er niet alleen verkeerdelijk vanuit te gaan dat overheidssteun noodzakelijk is om de vrijheid van godsdienst te garanderen; ze lijkt er daarnaast ook vanuit te gaan dat levensbeschouwingen primaire goederen zijn. Dat is een foutieve en niet-neutrale veronderstelling.11

NAAR EEN GRONDIGE EN DUS GRONDWETTELIJKE HERVORMING

In België is heel wat regelgeving inzake levensbeschouwing grondwettelijk vastgelegd. Met het oog op de vrijheid en gelijkheid van iedereen is dit echter problematisch. Omdat (georganiseerde) levensbeschouwingen geen primaire goederen zijn, is het binnen een liberaal-democratisch kader niet legitiem om overheidssubsidies hiervoor a priori (bij grondwet) vast te leggen. Zo een ondersteuningsbeleid zou steeds gebaseerd moeten zijn op het democratische besluitvormingsproces: als er voldoende draagvlak is, kunnen (sommige) levensbeschouwingen, onder een aantal voorwaarden en met het oog op gelijke toegang tot autonomie, door de overheid worden gesubsidieerd. Wanneer er geen of onvoldoende draagvlak is, of wanneer er niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, is dergelijke steun echter niet nodig en, vanuit een democratisch standpunt, niet legitiem.

Vanuit dit perspectief is het bijzonder jammer dat er in het voorstel van Resolutie van Patrick Dewael, maar ook in de hoorzittingen die daarop volgden, nauwelijks aandacht was voor artikel 181 van de Belgische Grondwet. Als we de godsdienstvrijheid en de daarmee samenhangende overheidsneutraliteit ernstig nemen, is een kritische reflectie op dit artikel nochtans noodzakelijk en moeten we durven inzien dat een grondwetswijziging in België zich vroeg of laat opdringt. Enkel dan kunnen we spreken van een ware democratie. Enkel dan kunnen we spreken van een échte scheiding tussen kerk en staat.

Leni Franken
Onderzoeker Centrum Pieter Gillis / Centrum voor Ethiek, Universiteit Antwerpen

Noten
1/ Deze zijn te vinden op http://www.openvld.be/?type=nieuws&id=1&pageid=86984.
2/ Wetsvoorstel tot vaststelling van een objectief criterium voor de verdeling van de begroting waarmee de erediensten en de vrijzinnigheid worden gefinancierd, 11-02-2011; Wetsvoorstel tot regeling van de financiering van de wedden van de bedienaren van de erkende erediensten en de afgevaardigden van de door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, 22-09-201; Voorstel van verklaring tot herziening van artikel 181 van de Grondwet wat de afschaffing betreft van de overheidsfinanciering van erediensten, 26-04-2011.
3/ Het volledige artikel 181 luidt als volgt:
§ 1. De wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken.
§ 2. De wedden en pensioenen van de afgevaardigden van de door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken.
4/ Daarnaast hebben erkende levensbeschouwingen ook het grondwettelijk vastgelegde recht op hun eigen levensbeschouwelijk vak in het officieel onderwijs. Artikel 24 (§1) van de Belgische grondwet bepaalt immers dat ‘de scholen ingericht door openbare besturen, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan[bieden] tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.’
5/ Dit argument wordt onder meer door Wattier (2016) verder uitgewerkt.
6/ Wet beëindiging financiële verhouding tussen Staat en Kerk (07-12-1983; in werking vanaf 01-01-1984, met uitzondering van artikel 4, dat in werking treedt met ingang van 01-01-1994).
7/ Met uitzondering van geestelijke verzorgers in gevangenissen, ziekenhuizen en het leger.
8/ Zie voor deze rational choice theory van religie onder meer Finke & Stark, 1988, 1998.
9/ Voor een grondige bespreking van dit argument, zie Franken 2016, hoofdstuk 8; 2017, hoofdstuk 2.
10/ In artikel 2, §1 van deze wet lezen we het volgende: La République ne reconnaît, ne salarie ni ne subventionne aucun culte. En conséquence, à partir du 1er janvier qui suivra la promulgation de la présente loi, seront supprimées des budgets de l’Etat, des départements et des communes, toutes dépenses relatives à l’exercice des cultes. […]
11/ Omwille van gelijkaardige redenen is ook artikel 24 van de Belgische Grondwet, waarin de organisatie en financiering van levensbeschouwelijke vakken wordt vastgelegd, problematisch: de organisatie van de levensbeschouwelijke vakken hoort, net zoals de organisatie van andere vakken, niet thuis in een Grondwet. Onderwijscurricula moeten steeds op de noden van de samenleving afgestemd zijn en men moet daarom steeds op basis van onafhankelijke expertise (en niet op basis van vastgeroeste levensbeschouwelijke en/of verzuilde belangen) kunnen bepalen hoe het curriculum er moet uitzien.

Referenties
- Colburn Ben. Autonomy and Liberalism (Routledge Studies in Contemporary Philosophy). New York: Routledge, 2010.
- Delbeke Geert. Het geld van de kerk. Leuven: Davidsfonds, 2011.
- Finke Roger & Stark Rodney. ‘Religious Economies and Sacred Canopies: Religious Mobilization in American Cities, 1906.’ American Sociological Review 53(1) (1988): 41-49.
- Finke Roger & Stark Rodney. ‘Religious Choice and Competition - Reply to Olson.’ American Sociological Review 63(5) (1998): 761-766.
- Franken Leni. ‘Overheidssteun voor religie: antiperfectionisme of perfectionisme?’. Netherlands Journal of Legal Philosophy 44(1) (2015): 62-82.
- Franken Leni. Liberal Neutrality and State Support for Religion. Zürich: Springer, 2016.
- Franken Leni. Geld voor je god? Brussel: UPA, 2017 (in druk).
- Husson,Jean-François. Le financement des cultes reconnus et des organisations laïques en Belgique Le financement des cultes reconnus et des organisations laïques en Belgique.’ In The Financing of Religious Communities in the European Union, edited by. Brigitte Basdevant-Gaudemet & Salvatore Berlingo, 97-109. Leuven: Peeters, 2009.
- Husson Jean-François. ‘Les montants affectés aux cultes et à la laïcité’ In Le financement public des religions et de la laïcité en Belgique, edited by Caroline Sägesser & Jean-Philippe Schreiber, 43-69. Antwerpen: Bruylant, 2010.
- Kymlicka Will. Contemporary Political Philosophy. An Introduction, New York: Oxford University Press, 2002.
- Magits Michel et al., Hervorming van de wetgeving met betrekking tot de erediensten en de niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties. Verslag van de Werkgroep ingesteld door het Koninklijk Besluit van 13 mei 2009. Brussel: Ministerie van Justitie, 2011.
- Mortier Freddy & Rigaux Marie-Françoise. De federale financiering van de bedienaren der erediensten en de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige raad. Verslag van de Commissie der Wijzen. Brussel: Ministerie van Justitie, 2005-06.
- Rawls John. A Theory of Justice. Harvard: Harvard University Press, 1971.
- Raz Joseph. The Morality of Freedom. Oxford: Oxford University Press, 1986.
- Sauvillier Raf. Het geld van de kerk. Leuven: Vanhalewijck, 2013.
- Saygin Mehmet Alparslan. La Laïcité dans l’ordre constitutionel Belge. Brussel: Academia, 2015.
- Schreiber Jean-Philippe. La Belgique, Etat laïque… ou presque. Du principe à la réalité. Brussel: Espace de libertés, 2014.
- Wattier Stéphanie. Le financement public des cultes et des organisations philosophiques non confessionnelles. Brussel, Bruylant 2016.

levensbeschouwing - kerk en staat - grondwet

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 2 (februari), pagina 31 tot 38