Log in

'Ik kom in opstand, dus wij zijn. Nieuw licht op verzet'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 3 (maart), pagina 99 tot 101

Ik kom in opstand, dus wij zijn. Nieuw licht op verzet

Eva Rovers
Ambo/Anthos uitgevers, Amsterdam, 2017

Wat betekenen verzet en opstand in de 21ste eeuw? Hoe vallen sociale media en opstand te combineren? En op welke wijze gaan we om met de smartphonedemonstrant? Het zijn maar enkele van de vragen die de Nederlandse kunsthistorica Eva Rovers stelt in haar verhelderend essay Ik kom in opstand, dus wij zijn. Ze roept op om voorbij onderlinge verschillen te kijken. Ze legt hiervoor haar oor te luister bij Frans schrijver Albert Camus en diens geruchtmakende boek L’Homme volté. Reden te meer dus om Rovers’ essay van naderbij te bekijken.

Een actueel thema belichten aan de hand van klassiek geworden teksten; dat heeft de reeks ‘Nieuw licht’ voor ogen. Als uitgangspunt voor ieder pamflet wordt aan een hedendaags denker een vraag voorgelegd uit een klassiek geworden tekst. Eerder gingen Bas Heijne, Pieter Van den Blink en Ewald Engelen, Eva Rovers al voor. Het is zonder meer een boeiende insteek.

Na nieuw licht op ‘de beschaafde mens’ (Heijne), op ‘de journalistiek, media en kijkcijfers’ (Van den Blink) en ‘het feminisme’ (Engelen), is het nu tijd voor wat nieuwer licht op ‘verzet’. Dat doet Eva Rovers met verve. We kennen haar vooral van de veelgeprezen werken rond Boudewijn Büch en Helene Kröller-Müller.

In welke mate gaat ‘Ik kom in opstand, dus wij zijn’ nog op vandaag? En zijn we misschien vergeten wat opstand is? Ik bespreek het pamflet van Eva Rovers aan de hand van vier punten: sociale media, Albert Camus, de economie vandaag en het verzet morgen.

Punt 1: de smartphonedemonstrant. Rovers schrijft: ‘Dankzij sociale media kan massaliteit in een mum van tijd bereikt worden, maar er is veel meer tijd nodig om een groep individuen met al hun verschillende stemmen en voorkeuren te smeden tot een nauw verweven collectief waarbinnen overeenstemming bestaat over het gezamenlijke doel, de prioriteiten en het plan van aanpak’. (p. 24)

We zijn vandaag meer dan ooit verknocht aan onze draagbare schermpjes. Je merkt het op Facebook, op Whatsapp en op andere communicatiemedia. Een aantal jaren geleden zetten god en klein pierke alles op hun digitale tijdslijnen. Dat gebeurt vandaag minder. De nieuwigheid is er af. Zeker van Facebook. Er zijn immers andere communicatiekanalen bijgekomen, waardoor we het gebruik doseren. Ik tweet anders dan ik post, like andere dingen dan dat ik ze share.

Dat klinkt wat cryptisch, maar het is essentieel in hoe we sociale media - en bijgevolg de gebruikers ervan (de zogenaamde smartphonedemonstranten) - kunnen begrijpen. Sociale media zijn een onlosmakelijk deel geworden van ons dagelijks leven. Alle belangrijke gebeurtenissen, visies en meningen worden gedeeld. ‘Ik zag het op je Instagram; ik heb het gedeeld vanop je tijdlijn’ - hoe vaak hoor je die zinnetjes niet?

Eva Rovers denkt verder: hoe raken we verbonden met elkaar in een wereld waar alles vluchtig getweet, geliked, geshared en becommentarieerd wordt? Wel, door als opstandige smartphonedemonstrant even halt te houden en kritisch verder te denken/kijken. We lezen, zien en horen van alles op sociale media. Hoog tijd om het digitale kaf van het koren te scheiden. Om dit te verduidelijken roept ze de hulp in van een van Frankrijks bekendste schrijvers uit de 20ste eeuw: Albert Camus.

Punt 2: Albert Camus. De titel van Rovers’ essay is ontleend aan een bekend citaat uit l’Homme volté: je me revolte, donc nous sommes. Toegegeven: in het Frans klinkt deze ietwat vergezochte reminiscentie op het cartesiaans cogito ergo sum wat opzwepender.

Over Camus is al heel wat gezegd en geschreven, zeker over zijn fameuze ruzie met Sartre of over zijn turbulente liefdesleven. Hij wordt als schrijver vaak beschouwd als grondlegger van het absurdisme (met zijn werk Le mythe de Sysiphe), een denkwijze gerelateerd aan het existentialisme.

Volgens het absurdisme zijn mensen fundamenteel irrationeel en is het menselijk lijden het resultaat van vergeefse pogingen om rede of betekenis in een redeloos bestaan te vinden. Camus zag in opstandigheid het ultieme menselijke: het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is, schreef hij. En dit behelst enige solidariteit. Daarom: ik kom in opstand, dus wij zijn. Maar om te weten wat of wie we zijn, of tegen wie of wat we in opstand komen, horen we ook te weten waar we zijn. En dat is in een economisch bestel waar de sterksten het voor het zeggen hebben, schrijft Rovers.

Punt 3: de economie. Een groot stuk in het essay handelt over het neoliberalisme vandaag. Deze economische ideologie is op z’n zachtst gezegd niet onbesproken. De filosofische werken die daar de voorbije jaren over geschreven zijn (van Het Neoliberalisme van Jaap Kruithof tot Utopie van de vrije markt van Hans Achterhuis) tonen aan dat het neoliberalisme zich ontwikkelde tot een verdorven versie van zijn initiële ideaal.

Belastingvoordelen, fiscale achterpoortjes, deregulering, privatisering, vermarkting en afbouw van de sociale welvaartsstaat: de vrije markt regeert. ‘Het ingenieuze van de neoliberale ideologie is dat we denken dat er geen ideologie is, dat we zelf in alle vrijheid onze levens vormgeven,’ aldus Rovers. De Derde Weg-politiek maakte dat een breed spectrum - van centrumrechts tot centrumlinks - een beleid omarmde waarin heel wat domeinen niet aan marktwerking konden ontkomen (zoals gezondheidszorg). Ook voor Rovers blijkt dit kille neoliberalisme de grote boosdoener. De financieel-economische crisis van 2007-2008 bewees daarenboven dat de neoliberale recepten en het heilige geloof in de vrijemarkteconomie ontoereikend zijn.

Maar er is meer gaande. Robots nemen onze jobs over. De planeet wordt gefrituurd. Een kleine elite gaat met het grootste deel van de koek lopen. En onze politieke kaste vindt vandaag geen antwoorden, waardoor onverantwoordelijke onverlaten (Trump en andere populisten) vrij spel krijgen. En wat doen wij? In de luie zetel zitten, smartphone in de hand, hashtaggend over #temptationisland. De boer, die tweette rustig voort. Zoiets.
Punt 4: verzet.Hoog tijd voor verzet. We hoeven de dingen niet zomaar te accepteren, leert Rovers ons. Van Camus krijgen we een heuse levenskunst aangeleerd. Ik besef dat dit wat zwaarwichtig klinkt. Sommigen zitten nu op het puntje van hun stoel. Maar toch. Camus reikt ons a way of life aan: kritisch zijn. Nadenken. Niet zomaar alles accepteren. Zeggen waar de grens ligt. Hier en niet verder. Maar steeds op een beschaafde manier. Zoiets kan inderdaad vorm en inhoud geven aan ons leven.

Dat is vandaag ook nodig. De Arabische Lente, de Occupy-bezettingen, de EuroMaidan- en Gezi Park-protesten of over de verspreiding van ‘fake news’: sociale media kunnen in korte tijd massa’s op de been te brengen om veranderingen te bewerkstelligen. Internet beloofde emancipatie voor iedereen. Want we konden met z’n allen nu meepraten of meebeslissen. Toch lijkt er het een en ander te zijn fout gelopen: zelden is een nieuw medium zo kritiekloos verwelkomd.

Diepgaande verbondenheid, daar is het haar om te doen. Sociale media kunnen het engagement aanwakkeren. Het grote nadeel echter is hun vluchtigheid. Toch is Rovers stilletjes positief. We hebben volgens haar nood aan echte sociale interactie media: kanalen waar we samen van gedachten kunnen uitwisselen, banden smeden en de tijd nemen om verbindende waarden te zoeken. Dat klinkt voor niet-filosofen misschien wat zweverig en te idealistisch. Maar dat is, volgens mij, niet erg. Filosofen mogen dat zijn.

Dus, in de geest van Camus, laat ons constructief te zijn. We vliegen elkaar online in de haren. Of we zetten elkaar digitaal voor aap (#tettnvoor­theo was de laatste in het rijtje hashtags). Toch zouden sociale media écht sociaal kunnen zijn. Hier begint ons verzet, lijkt ze wel te zeggen. Ligt daar dan de sleutel in een beschaafder omgaan met elkaar op de Facebooks en Twitters van deze wereld? Volgens Rovers alvast wel. Maar voor we dat punt hebben bereikt, zal er toch heel wat digitale aarde zijn omgewoeld.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 3 (maart), pagina 99 tot 101