Log in

'Material Matters. Het alternatief voor onze roofbouwmaatschappij'

Uitgelezen

Material Matters. Het alternatief voor onze roofbouwmaatschappij

Thomas Rau en Sabine Oberhuber
Uitgeverij Bertram + de Leeuw, Haarlem, 2016

Het architectenkoppel, Thomas Rau en Sabine Oberhuber, komt op voor een andere economie. Nu wordt de economie aangedreven door winstberekening. Het is een lineaire economie: grondstoffen worden opgedolven, gebruikt en weggegooid. Omdat het een gesloten en eindig systeem is, zal dat onvermijdelijk nefast eindigen. Het zal niet helpen om kleine verbeteringen in te voeren. In deze roofbouwmaatschappij moet het roer fundamenteel omgegooid worden. En dat kan alleen door de verantwoordelijkheid te leggen waar die hoort: bij de eigenaar. De eigenaar moet consequent instaan voor wat er met een product gebeurt. Wie de macht heeft moet ook verantwoordelijk gesteld worden voor de gevolgen.

Dit vrij eenvoudige uitgangspunt wordt heel concreet geïllustreerd in wat de auteurs voor het eerst gedaan hebben bij de bouw van hun eigen kantoor. Ze hadden verlichting nodig en vroegen aan Philips geen lampen of armaturen, maar licht. Het duurde even voor het doordrong tot de man die daar moest voor zorgen, maar uiteindelijk is het dit wat gebeurd is. Philips zorgde voor lampen en armaturen, maar die blijven hun eigendom. De architecten betalen enkel voor het gebruik. Philips heeft veel minder lampen geïnstalleerd dan in een verkoopsovereenkomst hadden gestaan. Maar de firma blijft vooral verantwoordelijk voor de lampen en armaturen. Wanneer ze niet meer gebruikt worden, moeten ze teruggenomen en hergebruikt worden. Dat is iets anders dan alleen maar recycleren. Hierbij is er altijd en soms verhoudingsgewijs heel veel restafval. In de optiek van wat de auteurs ‘materials as a service’ noemen, mag niets verloren gaan.

Materialen als een dienstverlening is iets anders dan leasing, waarbij iemand het gebruik van bijvoorbeeld een wagen betaalt. De wagen blijft eigendom van een bank of een leasingmaatschappij. Dat is voor Rau en Oberhuber een foute toewijzing van verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid moet bij de producent van de wagen liggen. Enkel dan kan men eisen dat na gebruik alles volledig hergebruikt wordt. Het begon met het kopen van licht, waarbij Philips ook instaat voor de betaling aan de elektriciteitsmaatschappij. Ondertussen hebben de architecten ook vloerbedekking, meubels en zowat alles wat een kantoor nodig heeft op diezelfde manier gehuurd: ze werden geen eigenaar, maar gebruikers van vloerbedekking, meubels, enzovoort.

Dat is alvast anders dan in het huidige consumptiesysteem. De auteurs geven het voorbeeld van gloeilampen, die in principe oneindig kunnen meegaan. Alleen wordt de markt dan heel vlug verzadigd. Wie iets maakt zorgt ervoor dat het na een zekere tijd stuk gaat, maar zorgt er ook voor dat dit product in handen blijft van wie het gekocht heeft. Deze moet een oplossing vinden om er zich vanaf te maken en werpt het dan meestal gewoon weg. Vaak wordt zelfs niet gewacht tot iets stuk gaat. Als de producent altijd opnieuw zorgt voor kleine wijzigingen zal de consument geneigd zijn om zijn oude spullen voor nieuwe te ruilen, ook al zijn ze nog helemaal niet aan hun levenseinde. Dat is ondertussen een cruciale strategie in een consumptiemaatschappij: nieuw is wat nog net niet uit de mode is. En iedereen wil zich onderscheiden door steeds het allernieuwste snufje te kopen, ook al kopen we dan toch weer allemaal hetzelfde. De kosten voor het milieu zijn dan wel aanzienlijk.

Het is daarom ontzettend belangrijk om de verantwoordelijkheid juist te leggen. Wanneer die te veel verspreid wordt - bijvoorbeeld over alle consumenten - riskeer je dat niemand zich nog verantwoordelijk voelt. Het is zoals wanneer iemand in het publiek aangevallen wordt en er veel toeschouwers op kijken. Iedereen gaat er maar vanuit dat de ander wel zal tussenkomen en niemand doet iets. Vandaag is de productieketen zo georganiseerd dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor de gevolgen. De verantwoordelijkheid wordt steeds opnieuw doorgegeven en komt uiteindelijk bij de consument terecht, die dan alleen maar kan besluiten om afval te maken van wat hij niet meer nodig heeft. Een lineaire economie kan inderdaad alleen maar afval produceren.

Door van een product een dienst te maken kan je dat veranderen. Het betekent wel dat je dan overstapt van een lineaire naar een circulaire economie. In zo’n economie gaat men ervan uit dat alles een effect heeft op alles, waardoor alles ook even belangrijk wordt en er met alles even zorgvuldig omgesprongen wordt. We moeten ook goed beseffen dat effecten van wat we doen gevolgen hebben op heel lange termijn. En niet alleen moeten we daar proberen rekening mee te houden, we moeten ervoor zorgen dat van alle materialen die we gebruiken goed bijgehouden wordt wat we ermee gedaan hebben. Vastgoed zou eigenlijk niet mogen bestaan. Er is alleen ‘losgoed’. Ook al kunnen sommige gebouwen heel lang bestaan, meestal komt er ooit een eind aan. Je moet daar rekening mee houden op het moment dat je bouwt. En heel belangrijk is dat je ook een inventaris maakt van de materialen die je gebruikt, een soort paspoort aflevert. Zo kun je de gevolgen van wat je doet onder controle houden en van een roofbouwmaatschappij in een ‘oogstmaatschappij’ stappen.

Een lineaire economie gedijt op een lineaire cultuur. De wereld wordt opgevat als een machine, die instaat voor de maakbaarheid van alles. Het is een wereld waar kwantiteit primeert. De auteurs denken eerder aan een wereld die een organisme is en waar alles samenhangt. Economie is niet langer een doel, maar een hulpmiddel. Roofbouw wordt vervangen door oogsten.

Binnen dit model van een product als een dienst doet de producent een investering voor de toekomst. Hij heeft er belang bij om een goed product te maken, dat zo lang mogelijk meegaat. Binnen dit verdienmodel worden groei en welvaart losgekoppeld van het gebruik van grondstoffen. Het is een manier om grip te krijgen op grondstoffen. Bij recyclage worden ze eigenlijk alleen maar gecremeerd. Als je een inventaris hebt van wat in een gebouw steekt, verliest een gebouw geen waarde. Je schrijft het niet langer af, maar je schrijft het op.
Hoe gaat dat in de praktijk? Gewoon, wanneer een contract afloopt gaat het product naar de producent en die zorgt voor volledig hergebruik. Materialen die opgenomen zijn in een inventaris krijgen plots rechten. Rau en Oberhuber willen zelfs tot een soort universele verklaring van de rechten van de materialen komen. Als je dat goed doet worden materialen opgenomen in een eeuwigdurende kringloop. En je kunt dat alleen goed doen als ook de overheid een rol toebedeeld krijgt. De staat moet als een soort rentmeester concessies toekennen.

Thomas Rau en Sabine Oberhuber hebben een meer dan interessant boek geschreven. Of zij een toverformule gevonden hebben, weet ik niet. Maar ze zetten een idee in praktijk dat de economie volgens een totaal ander mechanisme wil laten draaien. En dat is minstens het onderzoeken waard. We leven in een tijd waar links zich een beetje wegsteekt. Progressief is dikwijls al goed genoeg. Persoonlijk denk ik dat het ontzettend belangrijk is om een onderscheid aan te houden. Progressief is ok, is misschien zelfs vanzelfsprekend. Maar links is iets anders. Links begint bij het inzicht dat de economie gebaseerd is op een fout mechanisme en zich onvermijdelijk vastrijdt. Geen idee of de twee architecten een politieke connotatie geven aan hun inzichten, daar hebben ze het niet over. Maar voor mij is hun verhaal een verhaal dat links moet inspireren. Wat ik wel vrees is dat een consequentie van hun opvattingen een enorme bureaucratie kan worden. Misschien stel ik mij dit fout voor, maar de grondstoffeninventaris waar zij het over hebben zal geen sinecure zijn. Als je al weet wat voor inspanningen het kost om een simpel adressenbestand up-to-date te houden, dan vrees ik dat zo’n inventaris echt wel een enorme opgave zou zijn. Maar de idee dat de producent en niet de consument verantwoordelijk is voor de materialen lijkt me zeer waardevol. Het impliceert een fundamenteel andere opvatting over eigendom. Wordt dit ‘Turntoo’-model iets? Het is zoals met al het ander ‘klein verzet’ (Tine Hens): het is een belangrijke oefening, laat ons er goed naar kijken.

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 3 (maart), pagina 102 tot 104