Log in

Fedasil bouwt! Maar hoe?

'Wil u terugkeren naar uw land? Vrijwillige terugkeer kan u daarbij helpen!' Het is een veelvuldig uitgehangen poster die meteen in het oog springt bij mijn bezoeken aan Belgische asielzoekerscentra. De idee dat het een plausibele optie is voor vluchtelingen om plots terug te keren naar het land dat ze net ontvlucht zijn, is het soort politiek gedachtegoed dat grotendeels verantwoordelijk kan worden gesteld voor het gebrek aan een architecturale visie van Fedasil. Een doordacht ontwerp van asielzoekerscentra zou nochtans een win-winsituatie opleveren: het zou niet enkel het welzijn van nieuwkomers, maar ook de verdere positieve ontwikkeling van onze superdiverse samenleving in grote mate ten goede komen.

DE CRISIS ONTWERPT

Sinds er voor de eerste keer een institutionele collectieve opvanginfrastructuur voor asielzoekers werd voorzien in 1986, kreeg België te kampen met de ene na de andere vluchtelingencrisis. Hoewel het CGVS (Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen) continu de politi­­eke situaties in kritieke landen opvolgde, ging de overheid telkens pas over tot een plan voor de huisvesting van asielzoekers wanneer de groep gevluchte mensen al stond aan te schuiven voor de Dienst Vreemdelingenzaken in Brussel. Het gevolg is dat er telkens aan recordtempo opvangplaatsen moesten worden voorzien, wat leidde tot ondoordacht, snel en ad-hochandelen. En sterker nog: zo'n oplossingen blijven vervolgens vaak voortbestaan, ook in periodes zonder crisis.

Een voorbeeld hiervan is het Klein Kasteeltje, een leegstaande kazerne die als snelle noodoplossing in 1986 de deuren opende. Bob Pleysier, voormalig directeur-generaal van Fedasil (het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers) en van het Klein Kasteeltje, sprak hier jaren geleden al zijn ongenoegen over uit. Volgens hem zijn kazernes te log en kosten ze daardoor veel tijd, geld en energie om te openen. Ook institutionaliseert dit soort gebouw mensen en neemt het hen zelfstandigheid af.1 Het Klein Kasteeltje bleef niet alleen tot op vandaag bestaan, maar was tevens de katalysator tot het herbestemmen van kazernes tot asielzoekerscentra over heel België.

­­Door het voortbestaan van ongunstige noodoplossingen zoals deze, culmineerde het opvangnetwerk vandaag tot een waaier aan gebouwen die snel en zonder kwalitatieve architecturale visie in gebruik werden genomen. Het gaat over zeer verschillende architecturale typologieën (ziekenhuis, klooster, gevangenis, school, kazerne), uiteenlopende schalen (van 30 tot 900 mensen), gesitueerd in de meest diverse omgevingen (hartje Brussel tot afgelegen platteland). Ondanks de nadrukkelijke specificiteit van elk gebouw, wordt er contextloos gewerkt, alsof het gebouw geen geschiedenis of omgeving heeft, met als enige bekommernis dat het rigide programma in de beschikbare ruimtes past. Een duurzame visie voor een kwalitatief opvangnetwerk is tot op heden afwezig.

AANTREKKINGSPOOL

De mogelijkheid tot het ontwikkelen van zo'n visie hangt in grote mate samen met het politieke klimaat rond asiel en migratie. In 2000 werd Fedasil opgericht en werden voor het eerst normen uitgeschreven. Hoewel deze normen betrekking hadden op kleinschalige lokale opvanginitiatieven, geeft dit document wel de eerste opvatting weer van wat een opvanginfrastructuur moest zijn: 'Het is evident dat mensen die het statuut van vluchteling aanvragen op een degelijke en menswaardige manier moeten worden opgevangen voor de duur van de procedure. Men moet echter ook vermijden dat het onthaal- en opvangbeleid op zich een voorname aantrekkingspool wordt om in België asiel aan te vragen'.2 De terugkeerposters in de centra vandaag zetten die gedachtegang nog steeds kracht bij. Tussen de zinnen door pleit men bewust voor een visie die net een gebrek aan kwalitatieve architectuur vertegenwoordigt. Dit terwijl niet alleen nieuwkomers, maar ook het personeel van de centra, de buurtbewoners en bij uitbreiding de Belgische samenleving alle baat heeft bij het inzetten van opvangcentra als integratietool in plaats van als afschrikmiddel. Velen weten niet dat een verblijf van jaren in zo'n centrum geen uitzondering vormt. Ennet deze eerste jaren in het gastland zijn cruciaal voor het al dan niet toekomstig succes van de nieuwkomer.3

BRANDVEILIGE MATRASSEN

Tijdens de laatste crisis (2015) ging de overheid steeds meer beroep doen op privépartners door middel van openbare aanbestedingen. Dit creëerde een momentum tot het in detail uitschrijven van normen voor collectieve opvangcentra. Een uitgelezen kans om thema's op de kaart te plaatsen als het verzekeren van privacy, rust, veiligheid,... De mensen die in deze centra worden gehuisvest, zijn immers net hun land van herkomst ontvlucht door oorlog of vervolging, zijn familie en vrienden verloren, hebben een fysiek en mentaal loodzware tocht van duizenden kilometers achter de rug en komen afgepeigerd en kwetsbaar aan in een vreemd land. Desondanks hanteert Fedasil een exclusief pragmatische aanpak bij de conversie van gebouwen tot asielcentra: ze moeten snel, kostenefficiënt en gecontroleerd in werking treden. In tegenstelling tot de noodzakelijke grotere thematische ontwerpvragen, handelen de normen louter over droge gegevens als vierkante meters, bekabelingen en brandveilige matrassen. Uiteraard zijn zo'n gegevens noodzakelijk om mee te nemen in het ontwerp, maar het probleem is dat de ontwerpfase hier onbestaand is. De normen zijn geen relatieve richtlijn, maar een absoluut oordeel: wanneer ze voldoen, wordt het centrum als instapklaar beschouwd.

België scoort momenteel zeer slecht op vlak van integratie.4 Wat zou er gebeuren als we de aanpak van de huidige opvangcentra omgooien van koude, geïsoleerde instituties naar een architecturaal ontwerp dat net wel de ambitie heeft om kwalitatief te zijn? Om de vorming van zo'n architecturale visie te kunnen mogelijk maken, zijn op zijn minst twee grote verschuivingen nodig in de huidige aanpak. Op niveau van de inplanting is een omgevingsanalyse en een focus op structureel ingebedde interactie met de buurt cruciaal. In het gebouw zelf dient vooral ingezet te worden op het creëren van een kwalitatieve woonomgeving, geschikt voor langdurig verblijf.

ONS EIGEN KLEINE DORPJE

Een gevolg van de werkwijze die men vandaag hanteert is de complete isolatie van de centra. Een personeelslid stelde tijdens een rondleiding: 'We noemen dit ons eigen kleine dorpje, we bieden zelfs jobs aan!' Waarom de centra vandaag inderdaad zo aanvoelen, is aan verschillende zaken te wijten. De normen lijsten een verplicht programma op zoals fitness, tv-ruimte, een wasserette, een speeltuig voor kinderen,… Vaak is er zelfs een shop, een apotheek, een dokter en meer. Door alle mogelijke faciliteiten te organiseren binnen de muren van het centrum, hebben de bewoners amper reden om naar buiten te gaan. Bijgevolg worden informele contacten met de buurt ontmoedigd. Daarenboven impliceert een verplicht programma in elk centrum dat er geen rekening wordt gehouden met de omgeving. Waarom een gebrekkige fitness voorzien terwijl het opvangcentrum zich in hartje Brussel bevindt? Waarom een geïsoleerd speeltuig binnen de hoge muren van het centrum plaatsen terwijl er een veel kwalitatievere speeltuin in de buurt is?

Naast de geslotenheid te wijten aan de rigide programmavoorschriften, brengt ook de gebruikte architectuur isolement met zich mee. Kazernes bijvoorbeeld, werden net geconcipieerd als afgezonderd. Gezien er amper structurele aanpassingen doorgevoerd worden bij de herbestemming tot een opvangcentrum, blijft deze eigenschap intrinsiek aanwezig. Daartegenover probeert men na ingebruikname van zo'n gesloten typologie interactie te organiseren, gezien de architectuur allesbehalve spontane contacten faciliteert. Ondanks goede intenties brengen punctuele evenementen nog geen duurzame contacten tot stand. Bij het organiseren van een buurtfeest in een centrum bijvoorbeeld, vermengen buurt, vrijwilligers, personeel en bewoners zich voor een namiddag. Daarna gaat de poort weer dicht en blijft er vaak zelfs geen visuele relatie met de omgeving meer over, door een metershoge omheining en/of ellenlange oprit. Ook de aanwezigheid van camera's en het verplicht aan- en afmelden telkens men binnen of buiten gaat, creëert extra drempels voor een passant. Bijkomend wordt, door al deze zichtbare controlemechanismen, een beeld gecultiveerd van 'de asielzoeker' die niet alleen niet gelijkwaardig is aan de autochtone bevolking maar er zelfs een dreiging voor vormt. In de strijd tegen toenemende polarisatie, kan het grondig herdenken van de huisvesting voor asielzoekers zeker bijdragen.

Een groot potentieel tot permanente interactie met de buurt is het inspelen op de kwaliteiten van de bewoners. Er is een enorme diversiteit aan kennis, vaardigheden en talenten aanwezig, maar daar wordt in de normen geen ruimte voor gelaten. Het personeel van de centra is hierin wel een grote facilitator. In de Reno in Gent bijvoorbeeld ontstond door de technische knowhow van bewoners en de organiserende rol van het personeel een fietsatelier. In zo'n programma huist potentieel tot permanente informele contacten met buurtbewoners, in dit geval door het samen herstellen van een fiets. Momenteel zijn kwaliteitsvolle programmatorische invullingen die continue uitwisseling zouden kunnen bewerkstelligen echter nog zeer fragiel. Vaak verdwijnt bij vertrek van het faciliterende personeelslid immers ook de kwalitatieve invulling. Er is dus nood aan een diepgaand architecturaal ontwerp dat zo'n programma's permanent inbedt en mogelijk maakt, waardoor informele interactie vanzelfsprekend wordt. Zo ontstaan er momenten van contact waarin beide partijen een gelijkwaardige rol aannemen, in tegenstelling tot de 'educatieve groepsrondleidingen' die vandaag in de centra plaatsvinden.

EEN INSTITUTIONELE THUIS

De gebouwen die gebruikt worden om om te vormen tot asielzoekerscentra zijn veelal leegstaande institutionele gebouwen, die niet ontworpen zijn om gedurende lange tijd in te wonen, en al zeker niet met gezinnen en kinderen. Men zou dus logischerwijze denken dat er grondige structurele aanpassingen nodig zijn alvorens zo'n gebouwen geschikt zijn dergelijke invulling op te nemen, maar die komen er niet. Na te analyseren hoe de normen zich materialiseerden in de te bewonen ruimtes en de ruimtelijke kwaliteiten te bevragen bij de bewoners, kwamen er een heleboel bekommernissen naar boven. Onderzoek wees dan ook uit dat asielzoekers die in collectieve opvangcentra terechtkomen toch vaak homelessness ervaren, hoewel ze een dak boven hun hoofd hebben.5

Een vaak aangehaalde problematiek is privacy. In geen enkele ruimte kan men zich volledig visueel en akoestisch afsluiten. Maximum 6 of maximum 10 alleenstaanden krijgen samen een kamer toegewezen in respectievelijk reguliere en noodopvangcentra. Vaak getraumatiseerde mensen met verschillende culturen, gewoonten, religies en talen komen samen op de kamer terecht. Levensritmes verschillen, waardoor er zelden sprake is van rust in de kamer. Bovendien verandert de bezetting regelmatig, door uitspraken over de asielprocedure of transfers naar een ander centrum (een fenomeen dat tevens wordt ingezet als straf bij wangedrag). Dit alles creëert allesbehalve een staat van rust.

Ook veiligheid wordt niet besproken in de normen, althans niet vanuit het perspectief van de bewoners. Fedasils publicatie Een opvangcentrum in uw gemeente (2015) bekrachtigt deze interpretatie van 'veiligheid', waarbij samenwerking met de politie wordt verzekerd, info wordt gegeven over identificatie van asielzoekers, mogelijkheden tot interventies in de centra, enzovoort. Dit stuurt nogmaals het beeld naar de buitenwereld van asielzoekers als dreiging voor de samenleving. Ironisch genoeg voelen bewoners zich vaak zelf niet veilig. In het Klein Kasteeltje, bijvoorbeeld, kunnen chambrettes op de slaapzalen enkel met een gordijn worden afgesloten. Een personeelslid vertelde mij dat bewoners 's nachts een locker voor hun deuropening schuiven, om toch een fysische barrière te hebben. In grootschalige centra durven vrouwen enkel in groep het gemeenschappelijk sanitair in de gang te gebruiken. In de normen worden wel exacte aantallen wasbakken en douches voorzien, maar over het ruimtelijk ontwerp ervan, rekening houdende met zulke thematieken, wordt geen uitspraak gedaan.

Naast privacy en veiligheid, is ook zelfstandigheid een vaak terugkerend thema. Veel nieuwkomers hebben al een heel leven achter de rug in het land van herkomst. Niet alleen komen ze aan in een koude, controlerende institutionele architectuur, ook worden ze plots onderworpen aan een hele set regels en afspraken die hen - als volwassene – plots compleet afhankelijk maken. Als men iets wil ondernemen, moet men eerst een sleutel gaan vragen, een naam op een lijst schrijven, enzovoort. In geval van catering is men gebonden aan vaste etensuren en heeft men geen keuze in wat men eet. Men moet in de rij aanschuiven voor zakgeld, medicatie, badkamerspullen, kledij, enzovoort. Niet alleen is dit nefast voor het zelfstandigheid en het zelfbeeld van de bewoners, ook naar de buitenwereld toe wordt opnieuw een beeld uitgedragen van asielzoekers als een groep mensen die alles in de schoot geworpen krijgt.

Ten slotte is het ook opmerkelijk op welke manieren bewoners zich proberen een thuis te vormen in de onpersoonlijke omgeving. Het is menselijk om zich te willen identificeren met een ruimte waar men lange tijd zal verblijven, des te meer wanneer men zich tevens al in een in-between-fase bevindt. Men behoort niet meer tot het land van herkomst en nog niet tot het land van aankomst. Omwille van brandveiligheid wordt opsmuk met behulp van stoffen in principe echter niet toegestaan. Maar iets als een tapijt is in veel culturen net een uitermate belangrijk cultureel gegeven. Er wordt op gegeten, geslapen, thee gedronken en muziek gemaakt. De nood tot toe-eigening is zo hoog dat sommige bewoners toch allerhande zaken toevoegen, deze vlak voor kamercontroles tijdelijk verwijderen en erna terugplaatsen.

EEN ARCHITECTURALE VISIE

Er schuilt een groot potentieel in de architectuur van asielzoekerscentra, dat positieve effecten zou kunnen uitoefenen op zowel nieuwkomers als de autochtone bevolking. Vandaag wordt dit echter nog niet benut, aangezien een visie tot kwalitatieve architectuur van bouwheer Fedasil ontbreekt. Een doordacht ontwerp zou er nochtans voor kunnen zorgen dat asielzoekers bij een positieve asielbeslissing tot rust zijn gekomen, geïntegreerd en structureel bezig geweest, en ze bij een negatieve asielbeslissing geen jaren van hun leven hebben verloren met het passief wachten in een institutionele omgeving.

Vandaar de volgende concrete beleidsaanbevelingen: 6

  1. Grijp periodes tussen crisismomenten aan tot de ontwikkeling van een duurzame architecturale visie.
  2. Ontwikkel een gebouw specifieke architectuurgevoeligheid:
    • De bestaande architectuur respecteren: gevoeligheid voor materiaal, schaal en logica van het gebouw.
    • Rekening houden met akoestiek, esthetiek, privacy, veiligheid... en improvisatie ter plekke vermijden.
  3. Moedig de relatie aan met het gebouw en uiting van identiteit:
    • Door flexibel ontwerp, waarin reorganisatie van de ruimte aangemoedigd wordt (bijvoorbeeld voor culturen die op de grond slapen, eten, leven).
    • Focus hierbij op de slaapkamer (aangezien deze veel meer betekent dan een ruimte waarin men slaapt).
  4. Zet in op (ervaren) personeel vanaf het ontwerpproces en maak van het personeel een mediator:
    • Laat personeel veelvoorkomende problemen aanhalen (laagdrempeligheid voor vrouwen, privacy, veiligheid).
    • Laat personeel veelvoorkomende vragen naar specifieke invullingen van de bewoners aanbrengen (gebedsruimte, vrouwenkamer, naaiatelier).
  5. Zorg voor minder sterke grenzen, minder drempels:
    • Ontwerp van een open, verwelkomend onthaal dat de link legt met de straat.
    • Ontwerp van plaatsen van continue interactie tussen buurt en centrum.
  6. Zorg voor minder institutie, meer thuis:
    • Pak de oorzaken aan die het vormen van een thuis bemoeilijken én zorg ervoor dat tenminste de vier kritische elementen van een thuis (Young) aanwezig zijn: persoonlijke veiligheid, zelfstandigheid, privacy en het veilig kunnen bewaren van persoonlijke spullen.
    • Moedig toe-eigening aan (zie 3).
  7. Stem het programma af op omgevingsanalyse:
    • Ruimtes waarin overbodige functies georganiseerd zijn, vrijmaken en kwalitatiever invullen.
    • Bewoners meer reden geven om naar buiten te gaan.

Noten
1. Pleysier, Bob. '25 jaarasielopvang', Samenleving&Politiek, januari 2011, 4-12. Geraadpleegd op 18 november 2016. http://sampol.be/2011/01/25-jaar-asielopvang.
2. Fragmentuitdebasisfilosofievandevroegstuitgeschrevennormenvoordeopvangvanasielzoekers (voorLOI), doordeCelTweedelijnsopvang (MinisterievanSocialeZaken) in 2000.
3. Ghorashi, H. 'Agentsofchangeorpassivevictims: theimpactofwelfarestates (thecaseoftheNetherlands) onrefugees.' Journalofrefugeestudies 18, no. 2 (2005): pp. 181-98.
4. M. Verbergt. 'Dediepebarst.' DeStandaard, 3 februari 2018. Geraadpleegd op 10 februari 2018. http://www.standaard.be/cnt/dmf20180202_03336726
5. O'Mahony, LornaFoxenJamesA. Sweeney. 'Theexclusionof (failed) asylumseekersfromhousingandhome: towardsanoppositionaldiscourse.' Journaloflawandsociety 37, no. 2 (2010): pp. 285-314.
6. VandenHoute, E. 'Fedasilbouwt – onderzoek naar de non-architectuur van Fedasil zoals ontstaan in periodes van vluchtelingencrisis', Masterthesis UGent, 2016-2017, promotoren: prof. dr. ir.-arch. Maarten Delbeke, dr. ir.-arch. Luce Beeckmans, begeleider: Nele De Raedt.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 3 (maart), pagina 28 tot 33