Log in

Links is een verhaal van liefde, niet van onverschilligheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 3 (maart), pagina 80 tot 85

In het februarinummer van Samenleving & Politiek is empathie het hoofdthema. Ignaas Devisch herhaalt er zijn stelling: er is niets tegen empathie maar daar bouw je geen samenleving, en al zeker geen sociale zekerheid, mee uit. Wel een liberaal model van liefdadigheid waar miserie aan jezelf te wijten is. Volgens de Gentse ethicus berust een rechtvaardige sociale zekerheid op onpersoonlijke regels, op werkbare onverschilligheid. Maar is een links verhaal wel mogelijk zonder empathie, of zelfs liefde?

Ignaas Devisch bracht in 2016 Rusteloosheid. Pleidooi voor een mateloos leven uit.1 Hij deed wat een filosoof eigenlijk per definitie doet: hij stelde een vanzelfsprekendheid in vraag en opende daarmee een nieuw perspectief. Waar ongeveer iedereen jammert dat het te druk is, vraagt Devisch zich af of die rusteloosheid niet juist van levensbelang is. Mensen klagen dat ze geen tijd hebben, maar eigenlijk slaat hun klacht op iets anders. Ze vinden in wat ze doen geen of te weinig zin. Alleen vraagt een zinvol leven ook een passionele en zelfs mateloze inzet. Rusteloosheid is gewoon niet te vermijden en zelfs noodzakelijk.

De 17e eeuwse geleerde, Blaise Pascal, had dat volgens Devisch goed begrepen. Een jager wil zijn prooi achtervolgen. De activiteit van de jacht is veel belangrijker dan de buit. Het is een zaak van verstrooiing, een uitweg voor verveling. Maar het is ook een vlucht voor sterfelijkheid, want rust confronteert met de dood. Zonder religieus kader is dat vandaag nog meer het geval.

WERKZAME ONVERSCHILLIGHEID

Een jaar later is er een nieuw boek, Het empathisch teveel. Op naar een werkbare onverschilligheid.2 En het is weer van dat: overdrijf niet met empathie, er moet ook onverschilligheid zijn. Devisch verzet zich tegen een verheerlijking van empathie, ook al wil hij geen eenzijdig pleidooi voor rationaliteit. Met empathie en betrokkenheid alleen krijg je geen harmonieuze samenleving, maar blijven macht en strijd bepalend. Je moet abstractie maken van je emoties om bijvoorbeeld een rechtvaardige sociale zekerheid te kunnen uitbouwen. In een samenleving moet je onverschilligheid structureel inbakken. We zijn gewoon met te veel om elkaar te kennen en te helpen. We hoeven niet solidair te zijn, willen we liefdadigheid overstijgen. Sociale zekerheid veronderstelt een onpersoonlijke rechtvaardigheid en geen individuele morele eisen.

Met empathie bereik je geen rechtvaardigheid. Die heeft faire, transparante en bediscussieerbare criteria nodig. Ze maakt ook uitermate kwetsbaar voor misleiding en manipulatie. Wie zich sterk in iets of iemand inleeft heeft de neiging te overdrijven en reageert soms zelfs gewelddadig. Dat is gewoon de donkere kant van de morele onderbuik. Een liberaal liefdadigheidsmodel dat op empathie gebaseerd is, werkt niet. Rechten moeten onvoorwaardelijk zijn, terwijl empathie alleen selectief werkt. Er zijn grenzen aan ons inlevingsvermogen, er kan zelfs sprake zijn van een empathische overbelasting. Onpersoonlijke rechtvaardigheid en solidariteit zijn veel beter. 3

Echte solidariteit ontstaat vanuit het besef dat je in de toekomst wel eens zelf hulp kunt nodig hebben. Die solidariteit is niet warm: je geeft aan een onbekende die je nooit persoonlijk kunt bedanken, je bent solidair met een abstracte groep. Dat werkt alleen met instellingen die formele regels ontwikkelen. Institutionele solidariteit is gebaseerd op onverschilligheid. Je weet dat een stuk van je loon afgehouden wordt voor het geval je zelf zorg nodig hebt. Door die werkbare onverschilligheid wordt een individueel moreel systeem ontlast en kan iedereen op zorg rekenen. Empathie komt hier niet bij kijken. Universele naastenliefde is geen goed idee. Verontwaardiging als uitgangspunt is gevaarlijk. Mensen zijn niet uitsluitend op het goede gericht, ze zijn niet moreel zuiver. Het is de overheid die voor de solidariteit en rechtvaardigheid instaat. Koude solidariteit is onvoorwaardelijk: het maakt niet uit wie je bent, als je maar aan de criteria beantwoordt. Wie in nood is moet kunnen rekenen op een faire behandeling, die met zijn persoonlijke verdiensten geen uitstaan heeft. Door (koude) solidariteit en rechtvaardigheid wordt solidariteit werkbaar. Empathie is zeker wenselijk, maar niet als basis voor verdeelmechanismen.

DE REVOLUTIE VAN DE LIEFDE

Ignaas Devisch stelt koude dus tegenover warme solidariteit. De ene is gebaseerd op rede en heldere principes, de andere op emotie en het hier en nu. Koude solidariteit is algemeen geldend, warme solidariteit is selectief. Empathie is betrokkenheid, maar ook macht en strijd. Koude solidariteit valt te rijmen met egoïsme en maakt een harmonieuze samenleving mogelijk. Het is het verschil tussen liefdadigheid en sociale zekerheid.

Op het eerste zicht is dit een coherent verhaal. Het lijkt ook een links verhaal. Maar klopt het ook? Moeten we bang zijn van een teveel aan empathie of is er juist een groot tekort aan? Als een samenleving gebaseerd hoort te zijn op abstracte en rationele principes, waarom is er dan zo weinig harmonie? Omdat er te weinig rede of te weinig betrokkenheid is? En vooral: is betrokkenheid echt wel bijziend of zelfs blind? Sluit empathie mensen op in het hier en nu of is ze juist een voorwaarde tot samenleven in een wereld met ontzettend veel mensen die we nooit zullen kennen? En ten slotte: verleidt een pleidooi voor warme solidariteit automatisch in een liberaal liefdadigheidsverhaal?

Luc Ferry is een Frans filosoof, die ooit een uitvoerend mandaat in de politiek had.4 Hij heeft een omvangrijk oeuvre bij elkaar geschreven. Ik verwijs hierna naar La révolution de l'amour _5, het populariserende gespreksboek _De l'amour 6 en Le Homme-Dieu ou le Sens de la vie.7 Ferry heeft het wel niet over empathie, maar inderdaad over liefde. Doordat mensen ergens vanaf de 17e eeuw niet meer trouwden om hun bezittingen veilig te stellen maar uit liefde, is de samenleving fundamenteel anders en beter geworden. Je mag het humanisme dat uit de verlichting geboren is niet meer opgeven, maar je moet er juist voor zorgen dat haar principes, die abstract en universeel zijn, een warme aanvulling krijgen. Het is ook de manier waarop vandaag aan het leven zin wordt gegeven. Hierbij wordt de traditionele scheiding tussen privé en politiek, die ook Devisch dierbaar lijkt, opgeheven. Om het maar meteen in de woorden van Ferry zelf uit te drukken: 'Als de politiek het historisch belang van de geboorte van de moderne liefde blijft onderschatten, zal ze nooit begrijpen wat het buitengewoon potentieel belang is van de solidariteit, van de sympathie die in het privéleven steekt. Zolang ze daar niet op steunt, zal niets enthousiasme aansteken' (p. 225).

Het gaat Ferry niet zomaar om een gevoel, hij vindt dat liefde een nieuw zingevings- en organisatieprincipe is. Het is het antwoord op de vraag naar het goede leven. Vanaf de 17e-18e eeuw trouwden mensen inderdaad met elkaar omdat ze elkaar graag zagen; en na de Tweede Wereldoorlog werd dat min of meer algemeen. Ook kinderen werden in die liefde betrokken, want moederliefde is bij manier van spreken een recente uitvinding. Kinderen stierven te vlug om er zich aan te kunnen/willen hechten. Ze werden ook gemakkelijk aan hun lot overgelaten, uitbesteed of zelfs gedood. De bevrijding uit de grote plattelandsfamilies en vooral een eigen salaris, hoe karig ook, maakte het mogelijk om zelf een partner te kiezen.8

Wanneer vroeger de vraag gesteld werd waarvoor je wil sterven, was het antwoord: God, het Vaderland of de Revolutie. Drie keer met een hoofdletter, want heilige principes. Vandaag is het antwoord: voor onze geliefden. We blijven dicht in de buurt van het woord heilig. We willen niet meer sterven voor abstracte principes, wel voor mensen. Onze kinderen in de eerste plaats, maar eigenlijk onze naasten: in praktijk hebben we die niet altijd echt lief, maar we voelen verontwaardiging als er iets misgaat, we zijn te mobiliseren. En wellicht niet echt tot de dood, maar dat was altijd al de uitzondering. Het gaat om het beeld in ons hoofd. Liefde wil helemaal niet zeggen dat we ons op onszelf terugplooien. Nooit was de zorg voor de ander zo groot als vandaag. De revolutie van de liefde is niet simpel op zichzelf terugplooien, het is een andere verhouding tussen privé en publiek.

Maar het was inderdaad niet het definitieve einde van het heilige, integendeel. In plaats van de absolute God, Natie en Revolutie is iets anders gekomen, het heilige met een menselijk gelaat.9 Dit loopt gelijk met de opkomst van de zorg voor toekomstige generaties. De enige nieuwe politieke vraag van de laatste twee eeuwen is volgens Ferry juist: welke wereld willen we overlaten aan onze kinderen? En die vraag gaat terug op het huwelijk uit liefde. De ruimte tussen privé en publiek wordt gemeenschappelijk: de wereld die we aan onze kinderen overlaten vermengt zich met de wereld die we aan alle mensen willen overlaten. Verder maken we publieke keuzes die we de beste keuzes vinden voor onze kinderen, maar we maken die finaal voor iedereen. Ecologie is de enige nieuwe beweging sinds de Franse Revolutie: zij kijkt naar de lange termijn en wil juist voor hen die we graag zien de kans openhouden om het goede leven te vinden.

Het eerste humanisme – dat van recht en rede – maakt plaats voor een nieuw humanisme dat zich volledig opent naar het anders zijn, de diversiteit. Dit is een niet metafysisch humanisme. Er is wel degelijk een transcendentie, alleen niet naar een God, maar naar de ander die me buiten mezelf laat komen. Het is een immanente transcendentie, een spirituele dimensie zonder God. Het eerste humanisme is abstract en komt op voor een universele emancipatie. Het heeft echter de revolutionaire terreur, slavernij en kolonisatie opgeleverd. Het moet worden aangevuld met een liefdesdimensie, die vertrekt van de eigen familie, maar via sympathie en broederlijkheid uitkomt bij een nieuw gevoel voor een verre ander. Ferry pleit voor niets minder dan een politiek van de liefde en stelt een nieuwe categorische imperatief voor: handel zodat je acties toegepast kunnen worden op wie je het liefst ziet.

Valt dit alles niet in het niets met de dood van een geliefde? Is een politiek van de liefde niet gewoon belachelijk tegenover de harde sociale realiteit? Het leven als zodanig heeft geen zin. Dat kan alleen met een goddelijke dimensie. Maar dat belet niet dat er zin kan zijn 'in' het leven van mensen. Het is niet omdat iets ophoudt dat het zinloos wordt (een boek, een muziekstuk, … het leven van een kind). Het leven heeft zeker geen zin als zodanig, maar het is wel vol zin. Natuurlijk kan een verlies ontzettend erg zijn en alle zin in vraag stellen. Maar dat maakt de liefde niet minder waard om beleefd te worden. Alles heeft gewoon een einde, maar zal je een boek niet lezen of een muziekstuk niet beluisteren omdat er ooit een eind aan komt? Zolang er nog iemand is om lief te hebben, blijft er zin over.

EMPATHIE ≠ LIEFDE

Empathie en liefde zijn niet hetzelfde. Men kan zich voorstellen dat we rekening proberen te houden met de gevoelens van een ander, zonder dat er van liefde sprake is. Maar begint liefde er niet mee dat we ons inleven in en meevoelen met de belevingswereld van de ander? Ignaas Devisch verbindt in elk geval empathie met liefdadigheid. En eigenlijk zet hij niet empathie en onverschilligheid tegenover elkaar, maar emotie en rede. Je kunt een maatschappij niet op emoties opbouwen, vindt hij. Je hebt abstracte en heldere principes nodig, die het hier en nu overstijgen. Empathie en betrokkenheid blijven steken in macht en strijd.

Luc Ferry van zijn kant denkt dat die abstracte principes niet voldoende zijn. Hij houdt eraan, ze zijn een waardevolle erfenis van de verlichting. Maar recht en rede ontaarden heel vlug als er geen liefde is. We horen het niet zo graag, maar er is echt ook een rechtstreekse lijn van de verlichting naar onvoorstelbare verschrikkingen.10 Liefde blijft, volgens Ferry, helemaal niet steken in het hier en nu, maar overstijgt per definitie zichzelf en zijn onmiddellijke omgeving. Je kunt niet alleen maar je kinderen liefhebben, je moet zorgen dat de wereld waarin ze leven blijft draaien. En dat kan alleen als je er ook rede en rechtvaardige principes zijn. Maar het vertrekt bij jezelf.

Als je zo samenvat klinkt het een beetje naïef, ik weet het. Je ontkomt er echter niet gemakkelijk aan. Ik ben vertrokken van het boek Rusteloosheid. Ignaas Devisch vindt dat we rusteloosheid en zelfs mateloosheid nodig hebben. Mensen worden daar helemaal niet ziek van, zoals zo vaak gedacht wordt. Ze worden ziek als ze geen zin meer vinden in wat ze doen. Dat is aannemelijk, maar dan komt het: het maakt voor Devisch niet zoveel uit wat je doet, als je maar bezig bent. Een jager wil jagen, met passie. Actie omwille van de actie. Is dat niet per definitie doelloosheid? Hoe kun je daar zin in vinden? Of gaat het om iets anders? Blaise Pascal zocht een oplossing voor het tekort, voor de dood. Actie omwille van de actie is vlucht voor de dood, waar we in de rust, in de verveling, mee geconfronteerd worden. Het is helemaal geen zaak van zingeving, maar een angstige reactie op sterfelijkheid. Finaal moest Pascal zich op God beroepen.11

De benadering van Ferry biedt meer, denk ik: je wilt leven voor wie je lief hebt, je vindt zin in je kinderen en van daaruit in je naasten. Je hebt er geen God voor nodig, alleen mensen. Zij laten je buiten jezelf uitstijgen. Waarom zou dat per definitie ontaarden in machtsstrijd? Het is geen vlucht, want zonder God is er geen toevluchtsoord. Je aanvaardt de kwetsbaarheid van jezelf en je omgeving. Jouw leven wordt niet zinloos omdat er misschien iets met hen gebeurt. Jouw leven wordt zelfs niet zinloos als zich een tragedie voordoet en een geliefde sterft. Zolang er iemand overblijft om lief te hebben blijft het mogelijk zin te geven. Niet vluchten, maar aanvaarden. Let op: dit is geen zaak van christelijke naastenliefde, die universele aanspraken maakt door zich op God te richten. Het is onder de mensen, dan toch een sacralisering zonder God.

En aan liefdadigheid doen? Is empathie het ideale liberale voorwendsel? Natuurlijk niet. Want het gaat er niet om de sociale zekerheid af te bouwen, maar ze bij manier van spreken warm te houden. Een koude sociale zekerheid veronderstelt een bureaucratische organisatie en afstandelijke, want objectieve, dienstverleners. Een warme sociale zekerheid heeft betrokken dienstverleners, die ook erbarmen kennen. En weet je waar het verschil echt zit? Een koude sociale zekerheid gaat ervan uit dat iedereen profiteur is en maakt zijn regels in functie van alle mogelijke en onmogelijke inbreuken. Een koude sociale zekerheid steekt bezwerend het vingertje in de lucht. Een warme sociale zekerheid wil natuurlijk geen misbruik, maar maakt zijn regels in functie van de allergrootste meerderheid die wel te vertrouwen is. Een warme sociale zekerheid sluit wie het moeilijk heeft in de armen. Wie zich afvraagt of wat hij doet ook toegepast kan worden op zijn naaste omgeving, zal volgens Ferry alvast werklozen en vluchtelingen anders behandelen dan wanneer hij zijn geliefden niet voor ogen heeft.

Weer naïef zeker? En toch is dat, volgens mij dan, het verschil tussen links en rechts. Wie op de vlucht gaat voor verveling en dood in activiteiten die hun doel in zichzelf vinden, speelt mee in een economisch model dat zich niet op de eerste plaats concentreert op wat nodig is en dat zich ook niet bekommert om negatieve gevolgen voor de omgeving en de grondstoffen. Het is een model waarin mensen alleen maar consumeren en in dat consumeren vruchteloos de zin van hun bestaan zoeken. En het is ook een model waarin onverschilligheid primeert op betrokkenheid. In zijn Rusteloosheid raakt Devisch verstrikt in een pleidooi voor doelloosheid, in zijn nieuwe boek Het empathisch teveel geraakt hij daar niet voorbij. Je kunt geen zin geven als je niet vertrekt van de emoties die betrekking hebben op wat je onmiddellijke omgeving nodig heeft.

Bij het begin van deze bijdrage merkte ik op dat Ignaas Devisch doet wat een filosoof hoort te doen: hij stelde een vanzelfsprekendheid in vraag en opende daarmee een nieuw perspectief. Aan het eind moet ik daar aan toevoegen dat zijn perspectief, zijn invalshoek, eerder een extreme verkorting oplevert. Hij wil dat het leven zin heeft en dat hoort zo. Een mens heeft niet alleen materiële behoeften, hij heeft ook een zeer fundamentele behoefte aan zin. In sommige omstandigheden is die zelfs sterker dan de behoefte om verder te leven. Maar met de Gentse filosoof Rudolf Boehm12, denk ik dat die zin te maken heeft met het verlangen om voor iets of iemand nodig, goed of nuttig te zijn. Je hebt er de ander voor nodig. Devisch denkt die zin te vinden in de wereld van recht en rede, een wereld waar emoties tussen haakjes worden geplaatst. Zin kun je alleen geven vanuit emoties, ook al moet je jezelf overstijgen. Op onverschilligheid, ook als die werkbaar is, kun je geen menselijke samenleving bouwen.

Noten
1. I. Devisch, 'Rusteloosheid. Pleidooi voor een mateloos leven', De Bezige Bij, Amsterdam, 2016.
2. I. Devisch, 'Het empathisch teveel. Op naar een werkbare onverschilligheid', De Bezige Bij, Amsterdam, 2017.
3. Ignaas Devisch maakt een onderscheid tussen onpersoonlijke, abstracte of institutionele solidariteit en spontane solidariteit. Die laatste noemt hij echter liever gewoon empathie. Echte solidariteit is onpersoonlijk en koud.
4. Ik voer Ferry hier op in een links verhaal, maar daarmee wil ik geen uitspraak doen over zijn politieke opvattingen. Hij was geen minister van Onderwijs in een linkse regering; en hij noemt zichzelf niet ondubbelzinnig links. Ik pas gewoon zijn ideeën in mijn eigen verhaal.
5. L. Ferry, 'La révolution de l' amour. Pour une spiritualité laïque', Plon, Paris, 2010.
6. L. Ferry, 'De l' amour. Une philosophie pour le XXI° sciècle', O. Jacob, Paris, 2012.
7. L. Ferry, 'L' homme-Dieu ou le Sens de la vie', Grasset, Paris, 1996.
8. Belangrijke inspiratiebronnen voor Ferry zijn: E. Shorter, 'Naissance de la famille moderne', Seuil, Paris, 1977 (N. York 1975); PH. Ariès, 'L'enfant et la vie familiale sous l'ancien régime', Seuil, Paris, 1973.
9. In 'Op de vlucht voor de eindigheid' heeft Willy Coolsaet een hoofdstuk 'Luc Ferry en de (on)eindigheid' opgenomen. Hij interpreteert wat Ferry schrijft over het heilige als een absoluut begrip. Ik denk dat Ferry wel degelijk denkt vanuit menselijke beperktheid, getuige bijvoorbeeld zijn interpretatie van het Odysseusverhaal. Odysseus weigerde expliciet de jeugdige onsterfelijkheid die hem werd aangeboden omdat hij de voorkeur gaf aan een zinvol bestaan op deze eindige wereld. Ik probeer niettemin heel zuinig te zijn met het woord heilig. Ferry heeft het herhaaldelijk over het Odysseusverhaal, ook in 'La révolution de l'amour'.
W. Coolsaet, 'Op de vlucht voor de eindigheid. De ziekte van de moderniteit', Garant Antwerpen, 2006.
10. P. Mishra, 'Age of Anger. A History of the Present', Allen Lane, London, 2017.
11. R. Boehm, 'Kritiek der grondslagen van onze tijd', Het Wereldvenster, Baarn, 1977 (1974) (paragraaf 18: Pascal ontmaskert de uitwerking van de antieke oorsprong der grondslagen van onze tijd in het fenomeen van de vlucht voor de dood in het divertissement). Zie ook: W. Coolsaet, 'Pascaliaanse rusteloosheid', in 'De Uil van Minerva', 2016, 4.
12. R. Boehm, 'Topik', Kluwer Academic Publishers, Dordrecht, 2002 (derde hoofdstuk).

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 3 (maart), pagina 80 tot 85