Log in

Approaching Equality

Approaching Equality

Roger A. McCain
Edward Elgar Publishing, Cheltenham, 2017

'Nogal taai boek precies'. Zo stond het op het briefje met instructies dat ik kreeg van de hoofdredacteur van dit blad. Nu is het zéér uitzonderlijk, maar in dit geval kan ik niet anders dan de hoofdredacteur 100% gelijk geven. Al is 'nogal taai' nog een understatement. Approaching equality is een academisch boek, en dan nog van een econoom. Wie kickt op appendices met veel formules, op economisch jargon, of op overbodige stukken tekst zoals een 'uitweiding over Utopia' of 'een kort postscriptum', die is bij dit boek alvast aan het juiste adres.

Maar laten we het, voor u gedesillusioneerd afhaakt, beste lezer, het over de inhoud van het boek hebben. Zoals de ondertitel 'What Can Be Done About Wealth Inequality?' impliceert, gaat het boek over vermogensongelijkheid. Het boek begint met een quote van Sir Tony Atkinson, de ongelijkheidsspecialist die stierf in 2017: 'When measuring inequality, we are concerned not just with the consumption of the rich – important though this may be – but also with the power that wealth can convey.'

Daar ligt meteen de belangrijkste reden om het over vermogensongelijkheid te hebben volgens de auteur van het boek: vermogensongelijkheid leidt onvermijdelijk tot de concentratie van politieke macht, en gaat zo rechtstreeks in tegen de politieke democratie. Aangezien in 2015 al een opiniestuk op het toenmalige deredactie.be verscheen van ondergetekende met als titel 'Rijkdom en macht van de 1%' met precies datzelfde argument, zal het u niet verbazen dat ik het volledig eens ben met de focus van het boek, en ik dus met een lichte opwinding aan de rest van het boek begon.

De bedoeling van het boek is dan ook om 'op zoek te gaan naar beleidsmaatregelen die vermogensongelijkheid kunnen aanpakken en potentieel tegengaan, maatregelen die op zijn minst effectieve precedenten kennen in moderne kapitalistische samenlevingen'.

Verder in het boek schetst de auteur wat een grote uitdaging dat zal zijn. Ten eerste lijkt de bezittende klasse er weinig baat bij te hebben om de vermogensongelijkheid te verminderen. Zoals McCain schrijft: 'In a political as well as an economic sense, we again face the issues that capitalist societies faced before and around 1900: at that time, the dominant capitalist class faced the choice of concession and repression of the working class, and chose concession as the cheaper alternative. But the difference is that there seems to be little possibility of a violent revolution.'

Ten tweede beseft McCain dat binnen het kapitalisme alle overwinningen van de arbeidersklasse slechts tijdelijke verbeteringen zijn die altijd kunnen worden teruggedraaid, 'tenzij de regering permanente instituties installeert die de accumulatie van grootschalige kapitalistische rijkdom omkeert.'

Daarom stelt McCain dat de 'billionaire class' gedeconstrueerd moet worden, en vroeg of laat zal dat volgens hem sowieso gebeuren – ofwel door instabiliteit en sociale onrust, ofwel door weloverwogen beleid. Die laatste optie is volgens hem de beste, ook voor de miljardairs zelf. Daarmee plaatst McCain zich op de lijn van de Amerikaanse kapitalist Nick Hanauer, die in 2014 waarschuwde dat mensen met hun rietvorken achter hem en zijn medekapitalisten zouden aankomen, als ze het probleem van de groeiende vermogensongelijkheid niet zouden aanpakken.

Ook al beroept de auteur zich op Marx (naast Adam Smith, J.S. Mill, Keynesianisme, de Oostenrijkse School, …), het boek is dus geen antikapitalistisch traktaat maar een zoektocht naar potentiële oplossingen binnen het kapitalisme.

Voor die oplossingen laat de auteur zich inspireren door twee economen: Sir Arthur Lewis († 1991), die in 1979 de Nobelprijs voor de economie won (hoofdstuk 4), en Thomas Piketty, de Franse econoom die met zijn turf Capital in the twenty-first century een bestseller over ongelijkheid schreef (hoofdstuk 5). Bij Piketty haalt hij het idee van een vermogensbelasting, bij Lewis het idee van een investeringsfonds in publiek bezit ('social endowment fund' of SEF).

Als er een rode draad in het boek te vinden is, zijn het die twee ideeën. De vermogensbelasting is al welbekend, en heel veel nieuwigheden vertelt McCain er niet over, behalve misschien over een soort omzetbelasting voor bedrijven om ontwijking tegen te gaan.

De bedoeling van de vermogensbelasting is voor McCain om een publiek investeringsfonds (het SEF) te spijzen, en dat idee is minder bekend bij het brede publiek. Daarbij houdt de overheid aandelen (en obligaties) aan in private bedrijven via een investeringsfonds, dat beheerd wordt zoals een privaat investeringsfonds, zonder al te veel politieke inmenging.

Wat moet er dan verder met dat investeringsfonds gebeuren? In een eerste fase, op de korte termijn, zou het elk jaar aan elke burger een 'sociaal dividend' kunnen uitkeren (een soort basisinkomen) om de vraag naar producten en de economie aan te zwengelen. Op langere termijn kunnen de winsten geherinvesteerd worden in het fonds zodat het fonds (ook dankzij de nieuwe inkomsten van de blijvende vermogensbelasting) groeit. Langzaam maar zeker groeit de overheid zo via dat fonds uit tot de dominante eigenaar in de economie. Aangezien de winsten van bedrijven hierbij naar iedereen gaan in plaats van naar enkele vermogende private aandeelhouders, wordt de vermogensongelijkheid op die manier teruggedrongen.

Bovendien zou in ondernemingen waarin het SEF recht heeft op een vertegenwoordiger in de raad van bestuur, die vertegenwoordiger verkozen worden door de werknemers van dat bedrijf. Dat betekent dat als het SEF meer dan 50% van de aandelen van een bedrijf in handen heeft, het bedrijf de facto onder werknemerscontrole komt.

Een investeringsfonds oprichten is het interessantste idee om mee te nemen uit het boek. Het sluit aan bij voorstellen van onder meer Matt Bruenig van de Amerikaanse denktank People's Policy Project, de Britse academicus en journalist Stewart Lansley met zijn Social Wealth Funds, en werd in december 2017 nog voorgesteld door de Britse progressieve denktank IPPR in een paper over kapitaalbezit in het Verenigd Koninkrijk. Verder doet het ook denken aan het Zweedse experiment met 'wage-earner funds' in 1984-1991, en aan de 'sovereign wealth funds' (SWFs), waarvan het Noorse wellicht het meest bekende is.

Voor wie geïnteresseerd is in het idee van zo'n publiek investeringsfonds kan het boek dan ook interessante lectuur bieden, ook al staat er zeker geen perfect uitgewerkte blauwdruk in. Het boek vereist wel enige voorkennis, zeker voor wie ook die appendices wil lezen én begrijpen (de eerlijkheid gebiedt me mee te delen dat de auteur van deze boekbespreking ze heeft overgeslagen – spijtig van die omgehakte bomen).

Voor wie daar niet in geïnteresseerd is, zou ik het boek afraden. Naast het jargon, de herhalingen, de appendices, en de overbodige stukken, is het boek ook niet altijd even samenhangend. Het lijkt zo, zoals wel vaker bij academische boeken, dat er verschillende eerder geschreven teksten zijn omgevormd tot verschillende hoofdstukken, die niet altijd even goed passen in het geheel. Bovendien had ik het gevoel dat sommige argumenten en ideeën al beter in kaart zijn gebracht (of kunnen worden gebracht). En af en toe stond er ook een passage in die ik eerder vreemd vond (over genationaliseerde ondernemingen of openbare diensten bijvoorbeeld).

Kortom: interessant thema, af en toe interessante ideeën, maar minder interessante uitwerking. Gelukkig zijn er denktanks die hun medewerkers betalen om dit soort boeken voor u te lezen en samen te vatten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 4 (april), pagina 91 tot 93