Log in

De manager van de wetenschap en de filosoof

Over pater Van Breda en Rudolf Boehm

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 5 (mei), pagina 76 tot 81

Wat moet? En wat is nodig? Over de filosofie van Rudolf Boehm

Paul Willemarck (red)
Garant, Antwerpen, 2018

De pater en de filosoof. De redding van het Husserl-archief

Toon Horsten
Vrijdag, Antwerpen, 2018

Wanneer men 30 of 40 jaar geleden aan een jongere die iet of wat gestudeerd had de vraag stelde of het begrip fenomenologie hem iets zei, was de kans op een positief antwoord vrij groot. Niet dat hij dan een omstandige uitleg deed, dat niet. Hij had er wel over gehoord en wist het woord bijvoorbeeld in verband te brengen met het existentialisme. Existentialisme? Je ontmoet steeds minder jonge mensen die zich ook bij dat woord nog iets kunnen voorstellen. De tijden veranderen, ook voor de filosofie. Niet dat het op zich erg zou zijn dat men vandaag niet meer weet waar fenomenologie voor staat. Het zegt wel iets over een tijd of een tijdsgeest.

De pater en de filosoof, geschreven door Toon Horsten, brengt je alvast terug in de tijd. Het boek leest als een roman. Het vertelt hoe een Vlaamse Franciscaan de nalatenschap van Husserl van vernietiging gered heeft. En Edmund Husserl is toch wel de belangrijkste grondlegger van de fenomenologie. Om het boek te volgen hoef je niet echt te weten wat dat woord inhoudt. Hier en daar wordt op een eenvoudige manier de filosofie van Husserl uit de doeken gedaan, maar het gaat vooral om de prestatie van die pater. En toch hoop ik dat het lezers ook zal aanzetten om ook nog wat langer stil te staan bij een filosofische stroming die naar mijn mening helemaal niet voorbijgestreefd is.

De pater, dat is Herman Leo Van Breda. Na zijn priesterwijding studeerde hij filosofie; en zijn licentiaatsthesis ging al over Husserl. Sindsdien zou die filosoof hem niet meer loslaten. Edmund Husserl was een jood, geboren in 1859 in wat nu Tsjechië heet. Hij bekeerde zich tot het protestantisme en werd filosofieprofessor aan de universiteit van Freiburg. Hij stierf in 1938, zodat hij niet met de ultieme gruwel van de nazi's geconfronteerd werd, maar zijn nalatenschap zou toch beter niet in hun handen vallen. Martin Heidegger was zijn leerling en opvolger. Het is niet zonder reden dat in de tweede uitgave van zijn Sein und Zeit de opdracht aan zijn leermeester verdwenen was. Heidegger werd trouwens lid van de nazipartij en rector van zijn universiteit. Misschien heeft Toon Horsten gelijk en was het joods zijn van Husserl niet echt de aanleiding tot hun verwijdering, maar hij trok zich van hem toch ook niets meer aan. En uit zijn nog niet zo lang geleden gepubliceerde aantekeningen (Schwarze Hefte) blijkt toch minstens dat hij intellectueel veel meer verweven was in de nazi-ideologie dan velen heel lang hebben willen toegeven. Heidegger werd veel meer dan Husserl een cultfiguur. De tijdsgeest van 30 of 40 jaar geleden merkte het ranzige kantje nauwelijks. Ook dat moet gezegd.

De filosofische ambities van Husserl waren niet min. Samen met Nietzsche zette hij rond de eeuwwisseling een vraagteken bij alle filosofische zekerheden, maar eigenlijk wilde hij de filosofie redden. Hij wou een filosofie ontwikkelen als strenge wetenschap, een filosofie opgebouwd met de wiskunde als maatstaf. Filosofie moet wat hem betreft een absolute en alomvattende wetenschap worden. Zijn methode noemt hij fenomenologische reductie, waarmee hij de verschijnselen en begrippen herleidt tot hun essentie. Als hij naar een verschijnsel, een fenomeen kijkt doet hij afstand van alle overtuigingen, vragen en persoonlijke omstandigheden. Hij plaatst die tussen haakjes om tot de kern door te dringen. En die kern is bewustzijn in zijn meest zuivere vorm.

Husserl heeft geprobeerd dat wat zich in dat zuivere bewustzijn voordoet minutieus te beschrijven. Misschien klinkt dat wat vreemd, maar eigenlijk ging het erom onbevangen naar de dingen te kijken. Fenomenologie houdt zich bezig met datgene waar het in het dagelijkse leven om gaat, wat zich echt afspeelt in het bewustzijn. Het gaat niet om een soort objectieve werkelijkheid, maar om de werkelijkheid zoals die zich aan ons bewustzijn voordoet. Vandaar dat de existentialisten daarop sprongen. Sartre ging Husserl al in 1933 in Duitsland bestuderen, maar uiteindelijk kwam een hele stroming onder zijn invloed. Dat zijn die zogenaamde existentialisten, die ervan uitgingen dat een mens niet voor eens en altijd onveranderlijk gegeven is in een essentie. Mensen maken zichzelf, existeren, projecteren hun dromen en verlangens en maken daar hun leven mee. Pas later zie je daar een lijn in.

Het werk van Husserl leverde een nalatenschap op van zo'n 50.000 bladzijden. Zelf had hij niet zo ontzettend veel gepubliceerd, maar hij liet een berg papier achter die dan nog zeer ontoegankelijk was. Hij schreef immers in een speciaal stenoschrift. Steno, voor wie het niet meer kent, is een manier van noteren waarbij je in verkorte vorm opschrijft wat iemand dicteert. Het was vroeger een vaardigheid voor secretaressen, toen chefs hun verslagen nog niet zelf op een PC intikten. Husserl gebruikte dan nog een specifieke methode die in de 19e eeuw ruimer bekend was, maar die reeds tijdens zijn leven ongebruikelijk was. Slechts 10.000 bladzijden waren omgezet in een gewoon schrift. Het was een onoverzichtelijke hoeveelheid papier, die tot vandaag niet helemaal ontsloten is. Het belangrijkste van wat hij geschreven heeft, is pas na zijn dood en soms jaren later gepubliceerd. De korte samenvatting hierboven kan daar natuurlijk zelfs nauwelijks een tipje van oplichten.

Pater Van Breda had gehoord van de ongepubliceerde teksten en wilde ze aanvankelijk eigenlijk alleen maar uitgeven. Hij heeft de auteur niet meer ontmoet, wel zijn weduwe Malvine Husserl. Toen hij in Freiburg van haar en van Eugen Fink, de laatste assistent van haar man, hoorde over welk volume het ging kwam hij onmiddellijk op de idee om een archief op te richten. Zijn eigen Leuvense universiteit aarzelde en wilde geen personeel ter beschikking stellen. De weduwe drong er bij de pater echter op aan om de nalatenschap zo vlug mogelijk in veiligheid te brengen. Ze konden ze voorlopig overbrengen in een klooster, dicht bij Zwitserland. Een non bracht ze per trein over in drie reusachtige koffers. Van Breda zal ze later zelf transporteren naar Berlijn en slaagt er in om ze via de diplomatieke post in België te krijgen. Daar zullen ze de oorlog overleven, op een bepaald moment verspreid over verschillende adressen die alleen de pater kende. Van Breda zorgt er ook voor dat de weduwe een veilig onderkomen krijgt in het Leuvense. De bibliotheek en de meubels vergaat het minder goed, want de container waar ze in Antwerpen in zaten werd in een bombardement vernietigd.

Net voor de Tweede Wereldoorlog kan het archief van start gaan. Twee oud medewerkers van Husserl, Ludwig Landgrebe en Eugen Fink, kunnen aan de slag om de manuscripten om te zetten. Ze zullen tijdens de oorlog moeten vertrekken. Hun werk wordt overgenomen door Gertrude en Stephan Strasser. De laatste zal na de oorlog nog een paar jaar voor het archief werken. Van Breda stond in voor de financiering, wat niet altijd van een leien dakje leek te lopen. Waar hij de middelen vandaan haalde is ook niet altijd te achterhalen. Een stukje uit de bank die oorspronkelijk door zijn broer opgericht was en nog altijd zijn familienaam draagt. Een belangrijk stuk ook uit 'De (nieuwe) Standaard'. Helemaal te achterhalen is het blijkbaar niet. De pater hield niet zo van boekhouden.

Feit echter is dat hij een ondernemende filosoof was, een manager van de wetenschap noemt Horsten hem. Misschien was hij trouwens meer ondernemer dan filosoof, want uiteindelijk blijft van zijn eigen filosofische werk niet veel over. Hij maakte van het archief wel een internationaal centrum, waar heel veel belangrijke filosofen naar toegezogen werden. Maurice Merleau-Ponty was één van de vele. Het archief maakte nooit structureel deel uit van de Leuvense universiteit, die een beetje dubbelzinnig bleef staan tegenover iemand die geen katholiek was. Van het archief werden bijhuizen gesticht in Parijs, New York en Keulen. Op de verschillende sites worden kopieën van Husserls geschriften bewaard. Er kwamen twee prestigieuze uitgaven, die tot vandaag bestaan: de 'Husserliana' die het werk van Husserl zelf bevatten en de 'Phenomenologica', die belangrijke uitgaven over de filosofie van Husserl bevatten.

Een van de boeken in de 'Phenomelogica' is Totalité et infini van Emmanuel Levinas, die later een zeer invloedrijk filosoof zou worden. Van Breda was aanvankelijk niet enthousiast om dat moeilijke werk uit te geven. Hij liet zich overhalen door twee van zijn medewerkers: Rudolf Boehm en Jacques Taminiaux. Hoewel Taminiaux ook een belangrijke rol gespeeld heeft voor het archief, zal ik het verder alleen nog over de eerste figuur hebben: Rudolf Boehm.

Rudolf Boehm komt in het boek uitvoerig aan bod, maar ik wil hem er toch vooral uithalen omdat zijn betekenis verder reikt dan het archief. Boehm is een in 1927 geboren Berlijner. Hij studeerde wiskunde, natuurkunde en filosofie en werd op 21 jarige leeftijd aangesproken om privaat assistent te worden van Heidegger. Boehm deed het niet. Hij vond zichzelf te jong, en er was die nazi-affaire. Van Breda kende hem omdat hij met hem in Keulen onderhandelde over een bijhuis. Toen Van Breda te kennen gaf dat hij een nieuwe medewerker zocht stelde hij zichzelf voor en hij werd het. De volgende 15 jaar zou hij het werk van Husserl transcriberen en uitgeven. Het blijken jaren van intense samenwerking en vriendschap tussen de pater en de ongelovige. In 1967 werd Boehm professor aan de universiteit van Gent. Toen in 1974 Van Breda op betrekkelijk jonge leeftijd stierf, werd hij genoemd als zijn opvolger als directeur van het archief. Hij bleef liever in Gent, maar het is niet zeker of zijn kandidatuur in overweging zou zijn genomen. Boehm was een ongelovige met marxistische sympathieën, schrijft Horsten.

Rudolf Boehm is vandaag ondertussen 90 jaar, blind en met een fragiele gezondheid, maar nog heel lucide. Paul Willemarck stelde zonet een boek samen over zijn latere werk, een soort vervolg op een boek dat ter gelegenheid van zijn emeritaat verscheen. Wat moet? En wat is nodig? is de titel. Ik wil niet proberen de verschillende bijdragen samen te vatten of te bespreken, ik wil gewoon nog eens belichten waar zijn blijvende betekenis als filosoof ligt. Van Breda was een manager van de wetenschap, Boehm was vooral filosoof.

Aan de RUG doceerden eind de jaren 1960 een aantal bekende filosofen: Leo Apostel, Jaap Kruithof en Etienne Vermeersch. In een toen zeer positivistische omgeving was Boehm een beetje een vreemde eend, maar Apostel en Kruithof lijken dat ook uitdrukkelijk zo gewild te hebben. Zij stonden voor een totaal andere filosofie en vonden het voor de filosofiefaculteit (zoals die toen genoemd werd) een goede zaak dat er ook een fenomenoloog was. Vermeersch had het daar moeilijker mee. Hoe dan ook, Boehm stelde zich heel positief op ten aanzien van de studenten, die zich vanaf '68 maatschappijkritisch begonnen op te stellen. Ik was zelf bij hem student tussen 1971 en 1975 en herinner mij hem als een fascinerende persoonlijkheid, die er het best in de seminarieoefeningen uitkwam. Hij sprak Nederlands met een zeer zwaar Duits accent, maar heel bevlogen en heel erudiet. Niet alle studenten filosofie vonden de weg, maar in de loop van de tijd kon hij toch rekenen op een groep getrouwen.

In 1974 kwam zijn hoofdwerk uit, Kritiek der grondslagen van onze tijd, maar hij gaf er al een aantal jaren les over. Het werd in 1976 in het Nederlands vertaald (Het Wereldvenster, Baarn). Er zijn oudere teksten en nadien is er nog heel veel verschenen, waar precies het nieuwe boek de nadruk op legt. Toch denk ik dat in het werk uit 1974 het allerbelangrijkste gezegd is, dat dit boek de reden is waarom men Boehm nog zou moeten bestuderen. Eigenlijk is de basisstelling vrij eenvoudig: mensen hebben de neiging doel en middel om te keren en wanneer een middel doel wordt blijft het doel onbereikbaar. Hij begint zijn zoektocht bij Aristoteles, maar gaat de ganse geschiedenis van de filosofie af. De omkering zit diep ingebakken in de westerse cultuur en economie. Het is gewoon een fundamentele omkering.

Ik haalde daarnet aan dat Boehm misschien Van Breda niet heeft opgevolgd omdat hij marxistische sympathieën gehad zou hebben. Eigenlijk weet ik niet of dat waar is, maar het loont de moeite om in te gaan op de vraag hoe Boehm Karl Marx geïnterpreteerd heeft. Ik heb hem nooit horen zeggen dat hij marxist was, maar hij was wel een zeer goed kenner van zijn werk. Deze wordt tegenwoordig gemakkelijk in het verdomhoekje geduwd, als zou hij verantwoordelijk zijn voor de totalitaire regimes die zich op hem beriepen. Eigenlijk was hij een fervent verdediger van het economisch systeem dat hij kapitalisme noemde. Hij was op bepaalde momenten zelfs bevreesd dat syndicale acties te vlug de levensomstandigheden van de arbeiders zouden verbeteren. Hij wou dat het kapitalisme zich volledig kon ontwikkelen, zodat de materiële (productie)voorwaarden zouden worden gerealiseerd die een socialistische maatschappij mogelijk maken. Het kapitalisme creëert – in de ogen van Marx – van binnenuit een nieuw economisch systeem, dat op een bepaald moment als een rijpe vrucht uit zijn schelp zal vallen. En wat is de motor van dat kapitalisme? Groei. Economie heeft traditioneel te maken met de manier waarop mensen in hun huishoudelijke behoeften voorzien. Economie hoort ervoor te zorgen dat mensen behoorlijk kunnen leven. De kapitalistische economie trekt zich daar niets van aan. Het doel is niet het goede leven, het doel is onbeperkte groei. Dat zit gewoon in de notie kapitaal, dat niet slaat op geld dat nodig is om iets te kopen, maar op geld zonder meer, geld dat opgenomen is in een oneindige stroom van steeds meer.

En daar nu wringt, volgens Boehm, het schoentje. Zo'n proces van oneindige groei moet faliekant uitlopen. In 1972 verscheen De grenzen aan de groei, een rapport van de zogenaamde Club van Rome. Er is toen en later van alles over geschreven, want het was een boodschap die we niet graag horen. Maar Boehm zag er de bevestiging in van de onvermijdelijke crash waar een systeem dat zich niet gelegen laat aan grenzen, dat integendeel per definitie denkt dat er telkens wel een nieuwe oplossing zal worden gevonden, zou op uitkomen. De andere Gentse proffen hadden meer tijd nodig, maar vooral de politieke wereld deed zijn ogen dicht. Wie vraagt wat – vandaag 200 jaar na de geboorte van Marx – aan zijn werk belangrijk blijft, moet horen dat ook vandaag nog onvoldoende ingezien wordt dat het economisch systeem op termijn onhoudbaar is omdat er geen rem op de groei zit, omdat afgeweken wordt van het principe dat een economie in dienst moet staan van behoeften van mensen.

En wie vandaag wil weten wat de blijvende betekenis van Rudolf Boehm is, moet eigenlijk uitkomen bij de bevinding dat hij dit inzicht bij Marx bovengehaald heeft. Dat hij dat kon, heeft alles te maken met de manier waarop hij filosofie benadert. Husserl wilde beschrijven hoe de wereld rondom ons echt in ons bewustzijn binnengedrongen is. Boehm blijft bij het dagelijkse leven, maar is op zoek naar wat voor dat leven relevant is. Voor hem komt filosofie neer op het stellen van de juiste vragen. Boehm nam op de voorstelling van het boek over zijn denken even het woord. Op zijn 90e blijft hij herhalen: je kunt een perfect antwoord geven, maar als de vraag niet de juiste vraag is, heb je er niets aan of riskeer je het omgekeerde te bereiken van wat je wil. Er was net gedebatteerd over de vraag of filosofen de wereld konden veranderen. Los ervan dat dit eigenlijk een slechte referentie naar Marx is, zei hij: 'filosofen kunnen natuurlijk de wereld niet veranderen, maar zij moeten door hun vragen de weg openmaken'. Als ze in Leuven getwijfeld zouden hebben om Boehm directeur te maken van het Husserl-archief omwille van marxistische sympathieën, dan hebben ze zich pijnlijk vergist. Marx ging slechts de helft van de weg. Hij doorzag het mechanisme, maar wilde alleen maar dat het zich in al zijn consequenties zou ontwikkelen. De les van Boehm gaat dieper: hij stelt de groei, de productie omwille van de productie, het kapitalisme, echt in vraag. En de filosofen zullen de wereld niet veranderen, maar als ze de juiste vragen aanreiken zullen er andere mensen opstaan om dat wel te doen.

Fenomenologie is uit de mode en Boehm is bijna vergeten. Maar de wereld blijft verder richting de afgrond afgaan. Boehm blijft er ondertussen zeker van dat het kapitalisme in zijn eindfase zit. Op zich is het niet erg dat jongeren niet meer weten wat fenomenologie of existentialisme is. Er zijn wellicht andere wegen om het economisch mechanisme te doorzien, maar op een of andere manier moet je dan toch werken met de bouwstenen die in het verleden zijn uitgekapt. De pater van het archief was misschien ook als professor verdienstelijk, maar hij was zelf geen groot filosoof. Toch heeft zijn koppige zorg voor de nalatenschap van Husserl er mee voor gezorgd dat we vandaag dat mechanisme kunnen begrijpen. En Boehm heeft generaties van studenten uitgelegd dat het er vooral op aankomt de juiste vragen te stellen. Men kan alleen maar hopen dat dit de wereld een beetje veranderd heeft.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 5 (mei), pagina 76 tot 81