Abonneer Log in

Firms as Political Entities

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 5 (mei), pagina 69 tot 72

Firms as Political Entities

Isabelle Ferreras
Cambridge University Press, Cambridge, 2017

De meerderheid van ons merkt het bijna dagelijks: kapitalisme staat op gespannen voet met politieke democratie. Waar we in de ene ondergeschikten zijn in autoritaire organisaties (bedrijven), zijn we in het andere burgers met de macht om de politieke leiding te maken of te kraken. Deze moeilijke combinatie is niet nieuw. Al vaker werden pleidooien gedaan om de politieke democratie die we kennen door te trekken naar het economische. Isabelle Ferreras, professor Sociologie aan de Université Catholique de Louvain, draagt haar steentje bij in dit debat met haar boek Firms as Political Entities. Ze doet dat met een originele insteek en komt zo ook tot originele voorstellen. In het kort wil ze, net zoals bij de ontwikkeling van de politieke democratie, bedrijven die geleid worden door een bicameraal systeem waarin werknemers en aandeelhouders evenveel macht hebben.

Daarover straks meer. Laten we eerst even kijken naar de opbouw van haar betoog want daaraan is het grootste deel van het boek gewijd.

Eén van de fundamentele oorzaken van het probleem (gebrek aan economische democratie) is, aldus Ferreras, een fundamentele misconceptie: dat een bedrijf gelijk zou zijn aan een onderneming. Een onderneming (corporation) is de juridische entiteit waarmee aandeelhouders proberen winst te pakken. Een onderneming doet dat door mensen en kapitaal samen te brengen in een bedrijf (firm). Het lijkt er dan ook op dat een bedrijf gelijk is aan de onderneming en dus enkel gericht is op winstmaximalisatie. Niets is minder waar. Een bedrijf, zo zegt Ferreras, is het resultaat van investeringen van de aandeelhouders en de werknemers (labour investors ­– arbeidsinvesteerders). Ze dient dan ook twee verschillende logica's: de ene instrumenteel (gericht op het maken van winst en het verdienen van een loon) en het tweede expressief (gericht op het werk zelf, en de waarde en inhoud die daaraan gegeven wordt).

De expressieve logica van werk is al lang bekend (en vormt de basis van het marxistische gedachtegoed rond vervreemding), maar wordt in de huidige context des te belangrijker omdat werk meer en meer een publiek karakter heeft gekregen. Denk daarvoor aan typische jobs in de dienstensectoren waarin werknemers persoonlijk in interactie gaan met andere burgers terwijl ze zelf vastzitten in een hiërarchische relatie. Waar vroeger de wrange relatie tussen kapitalisme en democratie zich relatief privé liet voelen op de fabrieksvloer, wordt ze nu publiek ervaren.

Een bedrijf is dus niet gelijk aan een onderneming. Het wordt bepaald door twee verschillende logica's (een instrumentele en een expressieve) en vormgegeven door arbeids- en kapitaalinvesteerders. En dat heeft zo zijn gevolgen. Een bedrijf is, met andere woorden, een politieke entiteit waarin de twee investeerders samenwerken maar soms ook divergerende belangen hebben. En die belangen moeten beide gediend worden.

Momenteel is dat niet het geval. Het bedrijf wordt volledig geleid door de onderneming. Het zijn de aandeelhouders die de strategische beslissingen nemen. Het dagelijks bestuur wordt gedelegeerd aan het management en over arbeidsvoorwaarden wordt er met de vakbonden onderhandeld, maar de strategische richting van het bedrijf is het terrein van de kapitaalinvesteerders, en enkel van hen. De tweede grote groep investeerders, de arbeidsinvesteerders, staan in de kou.

Historisch gezien zijn er wel wat analogieën te trekken tussen wat er in een bedrijf gaande is en wat er zich op nationaal vlak heeft afgespeeld in de ontwikkeling van de democratie. Zo was de staat ook lang een vehikel dat enkel bestond om de belangen van de koning of de aristocratie te dienen. Die stemden de wetten, en de stem van de andere grote belanghebbende (het volk, het plebs, de 99%) werd daarin vlot genegeerd. Als tussenstap naar volledige democratie werd in verschillende landen stapje voor stapje overgestapt naar een bicameraal systeem. Een kamer van aristocraten en een kamer van 'gewone' volksvertegenwoordigers moesten samen akkoord gaan alvorens een wet een wet was. Democratieën gaan, in de woorden van Ferreras, vaak door een bicameraal moment.

En wat gebeurd is op nationaal vlak, moet nu gebeuren op bedrijfsvlak. Daarom stelt Ferreras voor om een nieuwe ondernemingsvorm te voorzien waarin belangrijke strategische beslissingen genomen worden door een akkoord tussen een kamer met vertegenwoordigers van de aandeelhouders en een kamer met vertegenwoordigers van werknemers. Beide partijen, beide investeerders in het bedrijf, krijgen zo een vetorecht over strategische zaken.

Interessant. Volgens Ferreras zou een dergelijke vorm van bedrijfsvoering beter zijn dan de huidige dictatuur van de onderneming. Een bicamerale bedrijfsvoering zou namelijk legitiem, adequaat en intelligent zijn. Legitiem omdat het, in tegenstelling tot de huidige bedrijfsvoering, beide grote investeerders betrekt in het bestuur van het bedrijf. Adequaat omdat het zo de belangen van beide dient en niet enkel de belangen van de aandeelhouders. Slim omdat de betrokkenheid van werknemers in het bestuur een bedrijf geen windeieren zal leggen. Zeker in de huidige kenniseconomie is de kennis en betrokkenheid van de werknemers van onschatbare waarde voor bedrijven.

Zoals je kan merken is het de verdienste van Ferreras dat ze een originele insteek geeft aan een oud probleem: de combinatie van politieke democratie en de kapitalistische vorm van bedrijfsvoering. Het gebruik van de historische analogie met de ontwikkeling van de politieke democratie leidt tot een op zijn minst origineel voorstel: bedrijven laten beheren als landen door rekening te houden met verschillende groepen. Zonder meer een zeer waardevolle bijdrage aan het debat.

Maar helaas ook niet zonder problemen of vraagtekens. Zowel over het boek zelf, maar ook over de essentie van het voorstel en, niet onbelangrijk, de weg ernaartoe. Hoewel het voorstel dat uit het boek komt er redelijk toegepast uit ziet, is de opbouw van het boek dat niet. Het is een academische denkoefening over ondernemingen, bedrijven, democratie, enzovoort. Het voorstel vormt een deel van de academische oefening omdat, in de woorden van Ferreras: 'all too often, scholars hide behind the idea that their role is to offer diagnostics; I believe that we have a responsibility to try to provide concrete proposals as well' (p. 16). Terecht. Toch blijft het boek wat mij betreft vooral academisch en doorspekt met jargon en nogal complexe conceptualiseringen en redeneringen. Jammer, want indien goed neergezet, zou dit debat wel eens tractie kunnen vinden bij een brede laag van werknemers en burgers. Dat dezelfde redenering wél eenvoudiger uitgespeld kan worden, bewijzen de bijhorende filmpjes bij het boek (zie https://isabelleferreras.net), en hopelijk deze bespreking.

Van de vorm naar de inhoud van Ferreras' voorstel. De traditionele tegenargumenten of twijfels rond meer typische vormen van medezeggenschap (genre het Duitse Mitbestimmung) blijven ook hier gelden. Krijgen de werknemers voldoende controle voor de massa aan medeverantwoordelijkheid? En hoe staat dit tegenover de traditionele vormen van inspraak zoals de ondernemingsraad of de syndicale delegatie? Maar de vragen gaan ook verder. Ze gaan hier over de rol van de vakbond in het algemeen. Wat kan en zal een vakbond nog doen in een bedrijf waarin werknemersvertegenwoordigers een vetorecht hebben op strategische beslissingen?

Maar er is meer. De oplossing voor het economisch democratisch deficit wordt in dit boek vooral gezocht op ondernemingsniveau. De vraag is maar of dit de goede strategie is. Traditioneel wordt in België de focus gelegd op medebeheer van de economie op sector en nationaal niveau via collectief overleg. Een unieke focus op de onderneming zou wel eens de solidariteit van werknemers kunnen ondergraven. Tegelijk zien we reeds even een verschuiving naar meer overleg op ondernemingsniveau. Een versterking van de werknemersmacht op dat niveau zou een pragmatische stap vooruit kunnen zijn.

Maar ook de weg ernaartoe is nog lang niet geplaveid. Ferreras gaat hier niet in detail op in en stelt voor dat het idee van een bicamerale onderneming kan worden aangeboden met enkele financiële stimuli om zo'n vorm aan te nemen. Het zou, in de eerste plaats, dus niet gaan over een verplicht systeem. Of dat zal werken, hangt sterk af van hoe ze ondernemingen precies willen stimuleren om dit over te nemen, maar het zou in ieder geval jammer zijn mocht het experiment enkel gedaan worden in de publieke of semipublieke sectoren.

Isabelle Ferreras doet met haar boek een belangrijke en originele bijdrage in het (hopelijk terugkomende) debat over economische democratie. Haar boek gaat verder dan enkel analyse. Het biedt ook een mogelijke oplossing aan. Lang niet alles is al gezegd over die oplossing, maar dat kan enkel leiden tot een des te interessanter debat.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 5 (mei), pagina 69 tot 72