Abonneer Log in

De aanslag op Het Vertrouwen

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 6 (juni), pagina 50 tot 55

'U laat toch ook niet de deur van uw woning openstaan', is een vaak gehoord argument in het vluchtelingendebat. Vluchtelingen zijn immers niet te vertrouwen. Ook steuntrekkers vertrouw je maar beter niet, want die plegen ongetwijfeld sociale fraude. Maar ook de pers, de regering, het parlement of zelfs wetenschappers zijn niet te vertrouwen. Is wantrouwen het nieuwe normaal geworden? En wat doet dat met een samenleving? Als wantrouwen totaal wordt, is samenwerking en solidariteit tussen mensen immers onmogelijk.

We leven al enkele jaren in een sterk gepolariseerde samenleving, waarin tegenstrijdige wereldbeelden en botsende identiteiten ons onderling verdelen. Die verdeling wordt ervaren in de vorm van een diep wantrouwen: wantrouwen in 'de anderen', in de instituten, economische actoren en banken, in politieke partijen en regeringen, in de rechtspraak, in experts en de media. Dat wantrouwen is zelfs deel gaan uitmaken van de ideologie van de alt-right in de Verenigde Staten, waar 'fake news', 'corrupte politici' and 'nepexperts' het leitmotiv zijn geworden van het presidentiële narratief.

Nochtans is net 'Vertrouwen' de grondvoorwaarde voor wederzijdse samenwerking. Het is als het ware een sociaal contract waarmee we het gedrag van anderen voorspelbaar maken. We rekenen er op dat we van mensen die we vertrouwen weten hoe ze zullen reageren op bepaalde gebeurtenissen. Daarom werd vertrouwen ook het 'glijmiddel van samenwerking' of 'de emotionele basis van samenwerking' genoemd. Wantrouwen daarentegen maakt samenwerking uiterst moeilijk. Als het wantrouwen totaal is, wordt samenwerking zelfs onmogelijk.

Vertrouwen vloeit voort uit het feit dat mensen van nature sociale wezens zijn die een uitzonderlijk talent hebben ontwikkeld om in hele grote groepen samen te werken. Op die manier bouwden we immense rijken, slaagden we er in internationale handel op te zetten, konden we de industriële revolutie opstarten en verbluffende technologieën ontwikkelen waarmee we levens konden redden en zijn we zelfs in staat de ruimte te verkennen. Niets van dit alles zou mogelijk zijn geweest zonder collectieve actie en solidariteit, gebaseerd op vertrouwen.

HET DUNBAR-CIJFER

Om te begrijpen hoe mensen zo'n uitzonderlijke graad van samenwerking hebben bereikt, moeten we terugkeren naar ons verleden, zo'n 70.000 jaar geleden, toen homo sapiens foerageerde op de vlakten van Afrika. Onze voorouders deden dat in kleine groepjes die niet groter konden geweest zijn dan 150 individuen. 150 is het zogenaamde Dunbar-cijfer, genoemd naar de Britse antropoloog Robin Dunbar.

Dunbar gaat er van uit dat 150 individuen het maximale aantal mensen is waarmee je stabiele sociale contacten kunt onderhouden. In dit soort van hechte relaties weet je immers wie elk lid van de groep is en hoe die mensen zich ten opzichte van elkaar verhouden. Zo kan je weten hoe groepsleden op bepaalde voorvallen zullen reageren, waardoor je risico's kunt inschatten en dus ook beperken.

Van zodra je het Dunbar-cijfer echter overschrijdt, heb je er geen idee meer van wie precies wie is, wat hun motieven zijn en hoe de betrokkenen op bepaalde gebeurtenissen zullen reageren. Het wordt daarom onmogelijk om deze 'buitenstaanders' te vertrouwen. Gedurende zowat 100.000 jaar leefden moderne mensen in die situatie, waarbij ze enkel de leden van hun groep vertrouwden en anderen als potentieel gevaarlijke buitenstaanders beschouwden.

DE COGNITIEVE REVOLUTIE

In zijn inmiddels vermaarde boek Sapiens schrijft de Israëlische historicus Yuval Noah Harari het volgende: 'Het belangrijkste wat je moet weten over prehistorische mensen is dat het onbelangrijke dieren waren die niet meer impact hadden op hun omgeving dan gorilla's, vuurvliegjes of kwallen.' Dit veranderde zo'n 70.000 jaar geleden, toen de mens een middel vond om het vertrouwen - en daardoor ook wederzijdse samenwerking en solidariteit - uit te breiden tot ver buiten het Dunbar-cijfer van 150.

Hij noemt deze gigantische sprong vooruit de 'cognitieve revolutie'. We gebruikten een uitzonderlijk menselijk talent: onze verbeelding. Daarmee konden we onder meer in de toekomst kijken en ons dingen inbeelden die nog niet bestaan. Maar we konden er ook gemeenschappelijke mythen en verbeelde werelden mee creëren die in staat waren miljoenen 'vreemdelingen' met elkaar te verenigen. Dat maakte het mogelijk om ons gedrag veel sneller te veranderen dan via genetische evolutie. Een hagedis kan bijvoorbeeld 'leren' vliegen door genetische evolutie, maar dat duurt miljoenen jaren. Wij leerden véél sneller vliegen door met elkaar samen te werken en vliegtuigen te bouwen.

De allereerste mythen zijn ook vandaag nog gekend: religies. Hun doel was om gemeenschappelijke regels - denk bijvoorbeeld aan de Tien Geboden uit de joods-christelijke traditie - op te leggen aan grote gemeenschappen van mensen. Vandaag zullen critici vaak beweren dat religies verdeeldheid creëren, maar hun oorspronkelijke doel was net het omgekeerde: eenheid verzekeren in grote groepen mensen door hen gemeenschappelijke streefdoelen en regels aan te reiken. Die regels waren geenszins 'natuurlijk'. Zelfs als de Tien Geboden waarschuwen dat je nooit mag verlangen naar je buurmans vrouw, blijkt dat mensen, net zoals andere dieren, wel degelijk gevolg geven aan die verlangens. Maar als de groep regels heeft, kunnen mensen die de regels overtreden ook gestraft worden. Die sancties bieden op hun beurt zekerheid, of, zoals we het vandaag zouden noemen, rechtszekerheid.

WETTEN EN RECHTEN MAKEN

Inderdaad, hedendaagse rechtszekerheid is gebouwd op wetten en reguleringen die we verzonnen hebben om grote groepen mensen of gemeenschappen vredig met elkaar te laten samenwerken. Op hun beurt zijn die regels gebaseerd op ingebeelde supermachten: aanvankelijk goden, nadien monarchieën en vandaag de democratie. Geen enkele van die instituten bestaat in de natuurlijke wereld. Het zijn allemaal vruchten van onze verbeelding.

Eén van de allereerste bundels met seculiere regels is de beroemde Codex van Hammurabi, de Babylonische koning die zo'n 4.000 jaar geleden regeerde. De Codex is erg gedetailleerd en handelt onder meer over contractverplichtingen door bijvoorbeeld de prijs te bepalen voor de diensten van een menner van een ossenwagen of een arts. Op die manier kon je er op vertrouwen dat een totaal onbekende je toch een faire prijs zou betalen voor een rit met je ossenwagen. Dat is niet anders met onze moderne wetten en verdragen.

Het beschamen van vertrouwen heeft een grote impact op mensen, niet enkel in het geval van interpersoonlijke relaties, maar ook als publiek vertrouwen beschaamd wordt. We voelen ons bijvoorbeeld diep geschokt als we vernemen dat artsen onnodige operaties uitvoeren bij bejaarde medeburgers louter omwille van winstbejag, of als multinationals zoals Volkswagen of Monsanto ons bedotten door sjoemelsoftware in wagens in te bouwen of wetenschappelijk onderzoek te vervalsen; of als politici of rechters zich laten omkopen. Wie het publieke vertrouwen beschaamt, veroorzaakt grote schade aan het hart van de samenleving. Het is deze aanslag op het vertrouwen, veel meer dan het loutere feit dat het illegaal is, dat ons woedend maakt.

Een belangrijk verbindend instituut in onze samenleving is iets wat we allemaal vanzelfsprekend vinden: geld. Het bestaat niet in de natuur en is bijgevolg uit onze verbeelding voortgesproten. Geld is een symbolische manifestatie van waarde, uitsluitend gebaseerd op vertrouwen. Daarom worden we ook zo boos als dit vertrouwen beschaamd wordt. Herinner u de financiële crisis, waarbij grote banken monetaire bubbels creëerden, gebaseerd op 'waarde' die in werkelijkheid niet bestond. We verloren alle vertrouwen in de banken en gedurende tien jaar werd het politieke discours in de Europese Unie gedomineerd door het 'herstel van het vertrouwen in onze financiële instellingen'. Dat deden we door nieuwe regels te verzinnen, een proces waar we nu nog mee bezig zijn in de uitbouw van de Europese bankenunie.

VERANDERENDE WERELD

Het lastige aan ons talent om verbeelde realiteiten te creëren, is dat ze nooit in steen gehouwen zijn. Wat gisteren werkte om vertrouwen te wekken, werkt niet noodzakelijk vandaag. We proberen daarom voortdurend oplossingen te bedenken voor nieuwe uitdagingen. Want wat mensen verenigt, kan hen plots ook verdelen. Als religie oorspronkelijk een manier was om grote groepen te verenigen door hen dezelfde morele regels op te leggen, is het nu vaak een bron van verdeeldheid geworden. Hoe is dat kunnen gebeuren?

In een wereld waar transport makkelijk en goedkoop is geworden en waarin we beschikken over razendsnelle communicatietechnologie is migratie steeds gemakkelijker geworden. Mensen met heel verschillende religieuze en culturele achtergronden wonen en leven inmiddels naast elkaar. Het gevolg is dat onderling vertrouwen dreigt weg te smelten. Daardoor worden solidariteit en samenwerking moeilijker. Als we het vertrouwen willen herstellen, zullen we een nieuw paradigma moeten ontwikkelen, nieuwe spelregels die geschikt zijn voor de superdiverse wereld van vandaag en morgen.

Zo hebben we het trouwens ook in het verleden gedaan. In de Codex van Hammurabi hing de strafmaat bijvoorbeeld af van je status in de samenleving. Een slaaf werd zwaarder gestraft voor hetzelfde misdrijf dan een vrije vrouw, die op haar beurt zwaarder gestraft werd dan een vrije man. Die regel lijkt vandaag totaal uitzinnig. In onze nieuwe verbeelde regels zijn alle mensen immers gelijk. Dat toont aan dat regels niet in steen gehouwen zijn en dat we voortdurend de basis van vertrouwen moeten aanpassen.

CULTURELE IDENTITEIT, DE NATIESTAAT EN EUROPA

De soms nijdige discussies waarmee we vandaag geconfronteerd worden, gaan vaak over de groep waartoe we behoren en waarin we vertrouwen kunnen hebben: de natiestaat en onze culturele identiteit, beiden opnieuw producten van onze verbeelding. Natiestaten zijn een vrij recent verschijnsel, dat terug gaat tot ongeveer de 18e eeuw. Er wordt beweerd dat natiestaten het licht zagen om grootschalige vormen van samenwerking mogelijk te maken in het door oorlogen getroffen Europa. Nationale identiteit en ideologie moesten het gevoel van eenheid creëren dat nodig was om reusachtige legers op de been te krijgen, zoals dat van Napoleon. Maar natiestaten namen de interne conflicten in Europa niet weg, integendeel, de verdeeldheid leidde tot één van de meest gruwelijke oorlogen die Europa ooit gekend heeft. De oplossing was niet meer maar minder verdeeldheid.

Na de Tweede Wereldoorlog lanceerden de Europese regeringsleiders daarom het idee van wat vandaag de Europese Unie is geworden, waardoor we evolueerden naar een reeks post-nationale regels die de volkeren van Europa konden verenigen en een grootschaligere vorm van samenwerking konden bewerkstelligen. Maar hebben we nog wel vertrouwen in de Europese Unie? Op die vraag wordt door nationalisten en populisten vandaag negatief geantwoord in een poging de ontwikkeling van de Unie tegen te houden of de Unie zelfs op te blazen. Nochtans is het een 'valse' vraag. Uit alle peilingen blijkt dat het vertrouwen in de Unie nog steeds hoger ligt dan het vertrouwen in nationale parlementen en regeringen. Uit de laatst beschikbare cijfers van de Eurobarometer (2017) blijkt het vertrouwen in de Unie weer gestegen te zijn van 30% (2014) naar 42%. Dat is nog steeds meer dan het vertrouwen in nationale regeringen en nationale parlementen dat respectievelijk op 37 en 36% ligt.

In september vorig jaar vroeg het Nederlandse dagblad Trouw aan Thomas Piketty of de democratie kon bestaan buiten het raamwerk van de natiestaat. 'Om bijvoorbeeld schulden te delen met Grieken en Italianen,' zei de journalist, 'moet je ervan op aan kunnen dat het in de toekomst beter gaat. Dat vertrouwen ontbreekt.' Piketty antwoordde: 'Dat zie ik heel anders. Ik denk dat loyaliteit en vertrouwen zaken zijn die je kunt opbouwen. Dat is in de geschiedenis ook gebleken. Solidariteit is nooit iets natuurlijks. Bewoners van de regio rond Parijs zijn niet van nature meer solidair met bewoners van de Limousin, een streek in het zuidwesten van Frankrijk, dan met die van Catalonië in Spanje, om maar eens wat te noemen. Solidariteit is een constructie, het is maakbaar.'

Wat Piketty vertelde, is dat het inperken van solidariteit en vertrouwen binnen de grenzen van de natiestaat geen natuurwet is. Als vertrouwen iets is wat 'gemaakt' kan worden door verbeelde realiteiten te creëren in de vorm van wetten, mensenrechten of economische regelgeving, dan rust er een zware verantwoordelijkheid op de schouders van de mensen die deze wetten en regels maken en er op toezien dat ze nageleefd worden. Het is daarom schandelijk dat populistische en nationalistische bewegingen in heel Europa doelbewust wantrouwen aanstoken, het Vertrouwen aanvallen, en op die manier de fundamentele basis van samenwerking en solidariteit vernietigen.

De Unie is pakweg een halve eeuw oud en geen afgewerkt project. Maar het biedt wel al antwoord op belangrijke uitdagingen waar we voor staan in een steeds diversere wereld. Antwoorden die nooit kunnen gegeven worden door natiestaten, bijvoorbeeld als het gaat over internationale criminaliteit en fraude, klimaatverandering, internationale handelsverdragen of het beheersen van wat vandaag zo mooi technologische disruptie wordt genoemd, de impact van datamining, artificiële intelligentie en robotica op de mens. Een Unie van deze omvang kan echter niet gebouwd worden op culturele en etnische identiteiten, omdat die te veel van elkaar verschillen om de basis te kunnen vormen voor samenhorigheid.

De discussie over het narratief dat we wel nodig hebben is nog aan de gang, maar we evolueren stilaan naar een Europese identiteit die gebouwd is op gedeelde burgerrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat. Opnieuw, die ingrediënten van een gedeelde Europese identiteit zijn vruchten van onze verbeelding, maar ze kunnen het onderlinge vertrouwen, de solidariteit en de samenwerking versterken. We zien deze evolutie onder onze ogen gebeuren, nu bijvoorbeeld de Europese Commissie Polen in gebreke heeft gesteld omwille van de ernstige bedreiging van de rechtsstaat of nu ook de discussies oplaaien om lidstaten die de Europese basisregels aan hun laars lappen financieel te sanctioneren. Uiteraard zullen we de Polen niet vertrouwen omwille van de Poolse identiteit, maar wel omdat we samen uitgaan van dezelfde democratische basisbeginselen.

Het doel van vertrouwen is een antwoord te kunnen bieden op grote bezorgdheden waardoor mensen zich kwetsbaar en onzeker voelen. De promotoren van het wantrouwen doen net het tegenovergestelde door gevoelens van kwetsbaarheid en onzekerheid aan te wakkeren. Dat doen ze door een sfeer van angst voor het onbekende te creëren. Zoals één van de deelnemers van een enquête van De Standaard in september vorig jaar zei: 'Angst is tenslotte de afwezigheid van vertrouwen. (…) Veiligheid is dan de geruststelling dat je angsten geen waarheid worden.' Dat is de reden waarom het veiligheidsdiscours bij populisten en nationalisten zo belangrijk is. In plaats van een nieuw vertrouwensparadigma te ontwikkelen dat geschikt is om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan, keren ze terug naar de 'gekende' verbeelde werkelijkheid van het nationalisme.

Daarom is het herstel van het vertrouwen in onze instellingen zo belangrijk. Vertrouwen is belangrijk in een goed functionerende democratie. Zonder vertrouwen glijdt een gezond scepticisme over politieke besluitvorming af naar een vernietigend cynisme over het politieke systeem en keren burgers zich af van de parlementaire democratie. Wantrouwen maakt overheden fragieler en daarom minder in staat mensen te mobiliseren voor een toekomstproject waarin ze kunnen geloven. Dat is wat we vandaag in heel Europa meemaken.

DE UITDAGING VOOR PROGRESSIEVEN

Ik ben van mening dat progressieven die uitdaging niet alleen moeten aangaan, maar dat ze ook het best geplaatst zijn om dat te doen. Dat is omdat vertrouwen, althans volgens de theorie van George Lakoff over het verschil tussen conservatieven en progressieven, een progressieve basiswaarde is. Volgens Lakoff baseren mensen hun beslissingen op waardesystemen die teruggaan naar de familiewaarden waarmee ze opgevoed werden. Voor conservatieven gaat het over autoritaire waarden. In deze families worden kinderen bijvoorbeeld niet vertrouwd en moeten ze de regels op autoritaire manier aangeleerd krijgen. Progressieven baseren hun waarden op wat Lakoff het verzorgende familie-model noemt, waarin vertrouwen, eerlijkheid en openheid kernbegrippen zijn. In die families is samenwerking belangrijk. Dat is ook de reden waarom wantrouwen sterker aanwezig is bij conservatieve kiezers dan bij progressieve kiezers en waarom angst voor het onbekende minder belangrijk is voor progressieve dan voor conservatieve kiezers.

Het is daarom de plicht van progressieven om niet enkel het vertrouwen in de instellingen te herstellen, maar ook om vertrouwenswaardige oplossingen aan te reiken voor de uitdagingen waar we voor staan. We moeten de moed hebben om onze verbeelde werelden een nieuwe inhoud te geven en nieuwe narratieven te ontwikkelen voor de toekomst die mensen kunnen verenigen in een wereld die steeds diverser wordt en onder druk staat. We moeten weer gemeenschappelijke streefdoelen hebben, zoals de strijd tegen de klimaatverandering en de groeiende ongelijkheid of de radicale hervorming van ons economisch model dat we duurzaam en circulair moeten maken, ten dienste van de meerderheid en niet van enkelingen.

(Dit artikel is een bewerking van de lezing die Kathleen Van Brempt gaf voor de Studium Generale - Leerstoel Kinsbergen op 27 februari 2018 in deSingel in Antwerpen)

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 6 (juni), pagina 50 tot 55