Abonneer Log in

De mens centraal

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 6 (juni), pagina 71 tot 73

De mens centraal

Dries Deweer & Steven Van Hecke (red.)
Pelckmans Pro, Antwerpen, 2017

Het idee voor De mens centraal lijkt op papier erg goed. Het personalisme inspireert al sinds het Kerstprogramma van de CVP uit 1945 niet enkel christendemocratische politici, maar ook christelijke zorginstellingen en scholen. Het expliciete gebruik van de term is verdwenen en ook de betekenis ervan zonk onder het wateroppervlak. Daarom lijkt het interessant om zowel de theorie als de praktijk terug boven water te brengen. De auteurs doen dit door telkens een meer filosofisch hoofdstuk te laten volgen door een beschrijving van een ervaringsdeskundige over hoe hij/zij het personalisme in zijn/haar dagelijkse werk toepast. De thema's zijn onder andere zorg, milieu, economie, onderwijs, spiritualiteit.

Een originele opzet die succesvol van start gaat met een kraakhelder, precies en prikkelend theoretisch hoofdstuk van Vlaanderens meest eminente personalistische intellectueel Dries Deweer. Hij verduidelijkt dat personalisme essentieel van andere ideologieën verschilt door zijn nadruk op spiritualiteit en verbondenheid met een gemeenschap. Vervolgens beschrijft de goed geplaatste historicus Emmanuel Gerard, onder andere schrijver van De christelijke arbeidersbeweging in België, 1891-1991, inzichtelijk de invloed van het personalisme in België – vooral Leuven. Maar vervolgens kapseist het schip. Waarom?

Veel van de hoofdstukken lijden aan een vaak voorkomende kwaal in academische publicaties: een teveel aan cerebrale fantasie. De auteurs verzinnen abstracte concepten waarna ze die een hoofdstuk lang met elkaar vergelijken en rangschikken. Dat leidt tot typologieën en zogenaamde conclusies die ver van de realiteit staan. Bijvoorbeeld de tegenstelling tussen 'relationeel' en 'rationeel' denken bij Geert en Luk Bouckaert of deze tussen 'ratio' en 'rede' als criteria voor rechtvaardigheid in het hoofdstuk van Hendrik Opdebeeck. Daarnaast rijden de theoretische bijdragen zich vaak vast in natte wol zoals in het hoofdstuk 'Personalisme als levenskunst' dat zo uit Happinez Magazine lijkt geplukt. Een fortune cookie citaat ter illustratie: 'Wanneer je kennis verbindt met liefde, kom je tot wijsheid'. Soms wordt wolligheid zelfs esoterisch gewauwel zoals in het hoofdstuk van Geert en Luk Bouckaert: 'De idee van het Goede kunnen we beter beschouwen als lichtbron van waaruit alles zin en samenhang krijgt.' Het dieptepunt wordt bereikt bij de onbegrijpelijke wirwar van transcendentie en transitie in het hoofdstuk van Hendrik Opdebeeck over een economie voor de mens vandaag.

Bij de hoofdstukken uit de praktijk blijkt de link met personalisme apocrief. Ze beschrijven niet hoe personalisme hun praktijk beïnvloedt, maar hoe idealiter het werk in hun sector gebeurt. Daarbij maken de auteurs zelden duidelijk hoe de praktijk geïnspireerd door het personalisme verschilt van de praktijk geïnspireerd door andere ideologieën. De praktische hoofdstukken doen daarom vaak denken aan vage beleidsplannen met voor de hand liggende doelstellingen die werkelijk elke open deur intrappen. Zo blijkt sociaal agoog Bart Deltour net als verschillende andere auteurs tegen commercialisering en bureaucratisering. Alternatieven worden echter niet uitgewerkt. Uit het hoofdstuk van Yvonne Denier leren we dat personalisme betekent dat de zorg menswaardig moet zijn. Voor Hilde Ingels zegt personalisme dat studenten maximale kansen tot ontplooiing moeten krijgen. Zou iemand daartegen zijn? Maar hoe ze dit concreet denken te bereiken en wat er voor zou moeten worden opgegeven, blijft onvermeld.

In ideologieën gaat het net om keuzes te maken. Sommige waarden staan boven andere: gemeenschap boven individu, gelijkheid boven vrijheid, spiritueel boven materieel. Maar niet in de theoretische hoofdstukken en evenmin in de praktische hoofdstukken maken de auteurs deze keuzes. Vanzelfsprekend zijn er uitzonderingen. Voormalig Agalev-voorzitter Jos Geysels deelt mijn irritatie: 'Wie het personalistische principe van rentmeesterschap ernstig wil nemen, moet durven keuzes maken' en stelt vervolgens duidelijk ecologie boven economie. Prof. Dr. Petruschka Schaafsma kiest familie boven overheid én beargumenteert filosofisch waarom de mens enkel een persoon wordt in de familie. Ze neemt ook beredeneerd een standpunt in, namelijk dat de overheid zich ver van het gezinsbeleid moet houden. Sterker nog, de familie zou eerder de overheid moeten beïnvloeden dan andersom. Ook Geert Noels weet wel een concrete kritiek te geven op de hedendaagse economie, namelijk dat grote spelers bevoordeeld worden door middel van een lage rente, fiscale gunstregimes voor multinationals en hun invloed op de politiek. Kleinschalige familiebedrijven en een duurzame korte keten vormen volgens hem de personalistisch geïnspireerde oplossing. Al had ook hij het verband tussen personalisme en deze maatregelen explicieter mogen maken.

Elke bundel lijdt aan de wisselende kwaliteit van auteurs, maar Dries Deweer en Steven Van Hecke hadden beter zelf een boek over personalisme als politieke ideologie geschreven zodat in aanloop naar de verkiezingen ook de theoretische strijd weer kan losbarsten. Alvast een schot voor de boeg. De titel van het boek is De mens centraal, maar het personalisme is mijns inziens geen humanisme. De mens staat er niet centraal, maar wel religie en gemeenschap.

Deweer benadrukt dat de persoon uniek is, verbonden met de gemeenschap en spiritualiteit. Elke mens is inderdaad uniek, maar zijn behoeften (honger, dorst, erkenning) zijn dat niet. Alle mensen delen dezelfde behoeften waarbij de materiële belangrijker zijn dan de spirituele. De spirituele dimensie wordt in dit boek door Jonas Slaats eerst minimalistisch voorgesteld als nederigheid van de mens. Was het in de geschiedenis daarbij gebleven, dan was er ons veel leed bespaard, maar ook hij komt met het advies dat het personalisme zich minder op de mens maar meer op God moet richten. Het lijkt mij echter nuttiger om de beperkte tijd en energie van ieder mens te richten op het helpen van andere mensen in plaats van God. Stel je ter illustratie maar eens voor hoeveel ziektes en lijden vandaag zouden kunnen worden verholpen indien al die briljante theologen zich doorheen de tijd niet op vraagstukken over de heilige drievuldigheid maar op de studie van geneeskunde hadden gericht.

De mens moet zich richten op de mensheid en niet op de gemeenschap. Volgens het personalisme is de persoon integraal verbonden met de gemeenschap. Deze stelling heeft het personalisme gemeen met het conservatisme. Maar net als alle conservatieve filosofen weet Deweer deze gemeenschap niet te definiëren – 'een bepaalde historische vorm die de spontane ethische band tussen mensen aanneemt'. Niemand kan gemeenschap definiëren omdat ze volledig willekeurig is. Dit werd geïllustreerd door Kamervoorzitter Siegfried Bracke toen hij zei: 'Dat we ons Vlaming voelen (ik probeer het woord identiteit te mijden), dat Vlaanderen als denkkader bestaat, komt vooral omdat we van De Panne tot Maasmechelen naar dezelfde tv kijken, dezelfde kranten en _boekskes _lezen.' De focus op de gemeenschap is een nefaste illusie die de aandacht van de mens afhoudt van zijn objectieve verbondenheid met de mensheid. Politieke actie dient niet te worden gestuurd door de uniciteit en spiritualiteit van de persoon en evenmin door zijn verbondenheid met een gemeenschap, maar door de collectieve en meestal materiële behoeften en verbondenheid met de hele mensheid.

Kortom, een assertieve actualisering van het personalisme als politieke ideologie is dit boek helaas niet. Het maakt ook zijn ambitie om de impliciete aanwezigheid van het personalisme doorheen de samenleving aan de oppervlakte te brengen niet waar. Sterker nog: op enkele goede hoofdstukken na, zoals het hoofdstuk van Deweer, komt het personalisme te weinig aan bod. De theoretische hoofdstukken luchtfietsen in abstracte concepten en de praktische hoofdstukken beschrijven de ideale praktijk zonder ideologische keuzes te maken. Zonde, want in aanloop naar de verkiezingen zou een ideologisch debat boven de waan van de dag welkom zijn.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 6 (juni), pagina 71 tot 73