Log in

Gent: een rookgordijn boven onze cultuurstad

MIJN GEMEENTE, VK 14/10

Reële participatie gaat niet over wie mag meedoen binnen de marges die voor hen voorzien zijn, maar over wie mag meebepalen waar de marges liggen.

'Hoe hadden jullie het aangepakt als dit jullie eigen project was geweest?' Dat was de vraag van de begeleider van een sociaal-artistiek project aan een panel diverse deelnemers tijdens het toonmoment.

Op zich is het een onschuldige vraag, maar als je er even over nadenkt maakt het meteen de rolverdeling duidelijk en raakt het één van de pijnpunten van het Gentse diversiteitsbeleid in de cultuursector aan: het eigenaarschap van wat er wordt gerealiseerd. Initiatieven en projecten die door de cultuursector worden opgezet met de bedoeling om cultuurparticipatie 'diverser' te maken of 'meer kleur te brengen' in een overwegend wit cultuurlandschap. Soms lukt het al beter dan anders, soms liggen echt goede intenties aan de basis, vaak natuurlijk ook financiële stimulansen: werken rond diversiteit levert bijkomende subsidies op en is vaak een beoordelingscriterium in subsidiedossiers. Ook dit criterium werd ingevoerd met de beste intenties, vanuit een besef dat er iets moest veranderen.

Ooit was het anders.

Toen meer dan 50 jaar geleden de arbeidsmigratie op gang kwam en grote getalen Italiaanse, Turkse en Marokkaanse 'gastarbeiders' op uitnodiging van de Belgische staat kwamen werken in onze naoorlogse industriële boom, waren dat vrij homogene groepen: laaggeschoolde arbeiders uit kleine rurale gebieden in het zuiden, die het niet breed hadden en een betere toekomst zochten voor hun gezin. In Gent kwamen ze voornamelijk uit Turkije, en meer bijzonder het kleine Anatolische dorpje Emirdag. De eerste pioniers die zich toentertijd het lot van die 'gastarbeiders' aantrokken deden het uit humanistische overtuigingen, vaak vrijwillig of althans zonder al te veel subsidies. De noden waren sociaal: scholing, huisvesting, tewerkstelling. De culturele initiatieven op maat van socio-economisch zwakkere groepen, met sterke sociale en emanciperende doelstellingen: kunst veredelt.

Zo'n 50 jaar later is er wel wat veranderd: een derde generatie die hier geboren werd en opgroeide, die beter Gents dan Arabisch praat en meer vertrouwd is met de MediaMarkt dan met de Souk. Tijdelijke arbeidskrachten uit Polen, Slowaakse Roma, oorlogsvluchtelingen uit Irak, Syrië en Afghanistan. Asielzoekers uit Eritrea en Nepal. Er is ondertussen meer dan Turkije aan de Leie. Geen one-size-fits-all meer. Etnisch-culturele origine, cultuurbeleving en socio-economische situatie vallen niet noodzakelijk meer samen.

Wat bedoelen we dan nog met 'diversiteit' of 'allochtoon'? De termen vallen op door hun universele asymmetrie: ze classificeren zowat elke hierboven vermelde groep als relatief aan een westers-Europese blanke standaard, en reduceren daarmee de interne diversiteit van al die groepen.

Ondertussen veranderde ook het beleid. Na de eerste Zwarte Zondag leek men plots het belang in te zien van samenleven en representativiteit. Het was de geboorte van een heuse integratie- en diversiteitssector: projectsubsidies, interculturele centra, migrantencentra, inburgeringscursussen, integratie-ambtenaren en diversiteitsexperten… ontwikkelden stappenplannen, tools, trajecten, onderzoeken, studiedagen, rondetafelgesprekken, methodologieën en strategieën. De vraag hoe we voor 'die anderen' een plekje konden vinden in 'onze' samenleving creëerde jobs, opleidingen, specialisaties en bood vooral veel stof voor debatten, studiedagen en publicaties. Diversiteit werd vooral een opdracht. Iets wat vanuit de bestaande instellingen en instituten moest worden gerealiseerd, al dan niet met de hulp van bovenvermelde specialisten. Het is een spijtige vaststelling dat na zoveel decennia de resultaten niet in verhouding staan tot de aangewende tijd, middelen en personeel. Ook in Gent.

Het amalgaam dat telkens gemaakt wordt, botst met de realiteit. Het meest pijnlijk wanneer men soms nog steeds trajecten opzet als zou men maatschappelijk kwetsbare ongeschoolde landbouwers uit een dorp moeten ontvoogden, terwijl hun kleinkinderen de dag van vandaag met universitaire diploma's, gerenoveerde gezinswoningen en een abonnement op de Gantoise door het leven gaan. Of wanneer 'diversiteit' een doel (en doelgroep) op zich wordt en men binnen diversiteitstrajecten zowel derde generaties als nieuwkomers wil bereiken, want die hebben toch dezelfde kleur. Soms lijkt men zich meer te bekommeren om het cosmetische dan om het inhoudelijke: gekleurde gezichten op het podium of in de zaal als maatstaf voor succes. Als er 'allochtonenautomaten' bestonden, zouden die dagelijks bijgevuld moeten worden.

Wat bedoelen we nog met 'diversiteit'? Hebben we het gereduceerd tot meer kleur? De cultuursector lijkt het zelf niet goed meer te weten. Een restaurant dat 'wereldkeuken' serveert en en passant wat aan sociale tewerkstelling doet, een interimkantoor voor vluchtelingen, een theatervoorstelling van een doctor in de kunsten of een sociaal-artistiek project met kansarme gekleurde jongeren: allemaal diversiteit, allemaal een vinkje op het actieplan. Door het blindstaren op de cosmetische en oppervlakkige aanpassingen gaan we (al dan niet bewust) voorbij aan de kern van de zaak: de democratisering van de cultuursector. Want uiteindelijk maakt het niet uit welke kleur artiesten of publiek hebben, het gaat erom wie de beslissingen neemt, wie de middelen verdeelt en wie ze beheert. En daar zit een groot democratisch deficit.

De afgelopen jaren zijn in Gent talrijke nieuwe culturele praktijken ontstaan, buiten de gesubsidieerde circuits, zonder werkingsmiddelen en vanuit hun eigen autonome doelstellingen. Hun erkenning blijft echter afhangen van de mate waarin zij zelf de geijkte paden en gesubsidieerde instellingen erkennen. Van de mate waarin ze passen in de agenda's en bereid zijn de trajecten uit te voeren die voor hen werden uitgestippeld door de talloze organisaties en instellingen die van diversiteit en interculturaliteit hun raison d'être maakten. Zo wordt de winkel in stand gehouden en draait de diversiteitsindustrie gestaag verder, worden middelen binnengehaald door spelers die zichzelf het monopolie op diversiteit toe-eigenen en wachten nieuwe spelers aan de zijlijn tot ze binnengehaald of buitengehouden worden. Ondertussen blijven dezelfde blanke mannen beslissingen nemen, blijven de professionals uit de sector studiedagen en diversiteitswerven organiseren en blijven directies, adviesraden en jury's teren op een select clubje 'alibi Ali's'.

Reële participatie gaat niet over wie mag meedoen binnen de marges die voor hen voorzien zijn, maar over wie mag meebepalen waar de marges liggen. Wanneer het culturele landschap verandert en nieuwe praktijken, dynamieken en spelers zich aftekenen, dan is het ook democratisch dat zij vertegenwoordigd zijn in de besluitvorming. En dat men daarbij gaat kijken welke nieuwe dynamieken en culturele noden binnen de samenleving aanwezig zijn. Zo niet dreigen we te vervallen cosmetische aanpassingen, vertekende representatie en het krampachtig vasthouden aan structuren en tools die misschien al lang de lading niet meer dekken.

Dat men daarbij buiten de bestaande instellingen moet durven denken en handelen, besefte de Caraïbisch-Amerikaanse schrijver en activist Audrey Lorde al in de jaren 1970 toen ze stelde dat 'the masters' tools will never dismantle the masters' house'. Diversiteit zonder participatie en zonder het breder kaderen binnen een democratisch proces binnen de culturele instellingen, is een rookgordijn om daadwerkelijke verandering te maskeren. Enkel een nieuwe wind kan die verjagen.

Deze bijdrage verscheen in de reeks Mijn Gemeente, VK 14/10