Log in

Mol: uitdagingen in mijn geweldige gemeente

MIJN GEMEENTE, VK 14/10

Tijdens mijn studiejaren was ik misschien wel de enige met een migratieachtergrond in de klas, maar anno 2018 is dat zelfs in Mol ondenkbaar.

26 jaar geleden deed ik voor het eerst mijn ogen open in het mooie Mol. Voor mijn ouders was Mol de perfecte gemeente om een gezin te beginnen. Huisje, tuintje, drie kinderen en pure rust. Vooral die pure rust.

De omgeving was hier zeer aangenaam. Iedereen was vriendelijk, verdraagzaam en het was er allemaal ook veilig en proper. Mijn ouders vonden Mol de ideale omgeving om hun kinderen te zien opgroeien. Goede scholen, voldoende winkels, veel natuur, een ziekenhuis en alles was ook goed bereikbaar met de bus of gewoon te voet.

Kortom, genoeg redenen om in Mol te settelen.

Toch was het onderwijs voor mijn ouders de doorslaggevende factor. De kleuterschool, de lagere school en het secundair onderwijs lagen op wandelafstand van het station en ons huis. De klassen waren klein, dus er zou genoeg aandacht zijn voor elk kind. Zoals het hoort. Goede scholen investeren namelijk in hun leerlingen én hun leerkrachten. Goede leerkrachten zorgen dan weer voor goede en vooral gelukkige leerlingen. Allemaal belangrijke factoren die bijdragen aan een geslaagde schoolcarrière. Zeker voor kinderen van ouders die geen hoger onderwijs hebben genoten. Statistisch gezien zou ik met mijn achtergrond dus meer kans hebben om geconfronteerd te worden met allerlei obstakels. De financiële thuissituatie, het diploma van mijn ouders en onze roots zijn slechts enkele variabelen die het me moeilijk zouden maken.

Maar om al die obstakels te overwinnen, speelde onder andere taal een belangrijke rol en dat wisten mijn ouders. Ondanks het feit dat ik geboren ben in Mol, waren mijn ouders zich ervan bewust dat zijzelf ook invloed hebben op de manier waarop ik met mijn meertaligheid zou omgaan. Leerlingen die de taal beheersen, kunnen tijdens de lessen beter volgen en behalen in de meeste gevallen ook betere resultaten.

Als kind werd ik dus niet drietalig, maar tweetalig opgevoed. Met mijn vader communiceerde ik in het Nederlands en met mijn moeder communiceerde ik vooral in het Arabisch. Arabisch mét een Kempisch accent dat ik tot op heden niet kan wegwerken. Het was belangrijk dat ik beide talen zou beheersen. Het Nederlands om te kunnen functioneren in onze samenleving en het Arabisch om met mijn familieleden, die in Marokko en in andere landen wonen, te communiceren.

Thuis hadden we bijvoorbeeld twee televisietoestellen. De televisie in de woonkamer was de 'grootste' en daar werden Nederlandstalige programma's opgezet. De kleinere televisie in de eetkamer was een zeer oud toestel met een antenne en die gebruikte vooral mijn moeder om af en toe naar Marokkaanse televisiezenders te kijken. Vaak met frustraties, want de satelliet in onze tuin was niet altijd stabiel genoeg om verbinding te maken.

Mijn liefde voor talen kreeg ik er dus met de paplepel in en dat heeft invloed gehad op mijn toekomst. Het heden.

Het is pas na mijn eerste stappen in steden als Brussel en Antwerpen dat ik geconfronteerd werd met allerlei uitdagingen waarvan ik me niet bewust was. Ja, ik deelde dezelfde achtergrond met de jongeren die ik in deze steden leerde kennen. Toch was er een gigantische kloof tussen ons. Enkele vrienden wisten me namelijk te vertellen dat hun schooltijd allesbehalve rooskleurig was en dat hun beide ouders op een zeer late leeftijd naar België verhuisden. In de meeste gevallen betekende dit dat hun ouders de taal minder goed beheersten en ze dus ook minder in het Nederlands communiceerden. Daar konden ze niets aan doen, maar het had wel invloed op hun resultaten en studieloopbaan. Ze waren zich dus bewust van de obstakels, maar ook de oneerlijke studieadviezen voor jongeren met een migratieachtergrond. Daar werd ik gelukkig nooit mee geconfronteerd, maar voor veel jongeren blijft dit wel de harde realiteit.

Het is geen lachertje om als eerste in een gezin voor het hoger onderwijs te kiezen. Zeker niet in een gezin waar de ouders die kans niet eens kregen. Het is nog moeilijker als je ouders hebt die hun uiterste best doen om je tijdens je studies bij te staan en je toch niet altijd kunnen helpen. Hoe graag ze dat ook willen. En het is pas echt knokken als je niet de kans krijgt om te kiezen voor een studierichting die beter bij je past omdat er begeleiders zijn die niet in je geloven of blind zijn voor de uitdagingen in de klassen.

De reden waarom ik heel dit verhaal heb neergepend, is het feit dat ik vandaag exact dezelfde uitdagingen en frustraties zie in mijn geweldige gemeente. Een gemeente waarvan ik dacht dat ze nooit geconfronteerd zou worden met dezelfde uitdagingen als in grotere steden. Tijdens mijn studiejaren was ik misschien wel de enige met een migratieachtergrond in de klas, maar anno 2018 is dat zelfs in Mol ondenkbaar. Dat wil in de meeste gevallen dus ook zeggen dat veel van de leerlingen die in september 2018 opnieuw achter de schoolbanken zitten, een andere thuistaal hebben dan het Nederlands. Helaas hebben veel van die leerlingen niet het geluk dat ze een ouder hebben die de taal goed beheerst en hen daarin kan bijstaan. Het is ook onrealistisch om dat van de (eerste generatie) ouders te verwachten.

Zo begeleid ik al enkele jaren een tiental leerlingen (eerste en tweede generatie) die een andere thuistaal hebben dan het Nederlands en niet de financiële middelen hebben om een privéleerkracht te betalen. Vaak verloopt het zeer moeizaam. Ze kunnen de schooltaken wel aan, maar begrijpen niet altijd de opdracht. Soms worden er woorden gebruikt waar ze nooit eerder van hebben gehoord. En soms hebben ze een begeleider nodig wanneer ze de opdracht krijgen om luidop te lezen. De ouders kunnen hun kinderen niet altijd verbeteren, omdat ze vaak zelf niet weten hoe sommige woorden uitgesproken of geschreven moeten worden. De wil en betrokkenheid is er wel, uiteraard, maar de middelen zijn er niet altijd.

Gelukkig bestaan er nog geweldige initiatieven zoals 'Babbelkousje'. Een project van de dienst samenlevingsopbouw om kinderen de Nederlandse taal aan te leren. Toch merken de ouders dat er veel meer ondersteuning nodig is. Zo zijn er ouders die op eigen initiatief hun kinderen samenbrengen om elkaar te ondersteunen. Het is uiteraard prachtig als je ziet hoe allerlei initiatieven uit de grond worden gestampt en hoe Mollenaars zich op vrijwillige basis inzetten voor deze kinderen. Toch wil ik er op wijzen dat we niet mogen vergeten dat hier nood is aan een structurele oplossing en vooral ook oplossingen in samenwerking met de scholen waar de leerlingen les volgen. Deze scholen hebben ook ondersteuning nodig om goed te kunnen inspelen op de verschillende noden van hun leerlingen. We mogen niet dezelfde fouten maken als in het verleden en we mogen deze uitdagingen niet onderschatten. Het wordt tijd dat we méér investeren in deze kinderen zodat zij na het secundair onderwijs vlot de overgang maken naar de arbeidsmarkt of het hoger onderwijs. Als we dat niet doen, dan eindigen we in een vicieuze cirkel waar de kinderen opnieuw slachtoffer van worden. Tegelijk mogen we niet in paniek schieten door een negatieve houding aan te nemen wanneer het over meertaligheid gaat. Die meertaligheid is nu eenmaal een feit en elk kind heeft het recht om de moedertaal aan te leren en te spreken. Het is namelijk op die manier dat ik tot op heden kan communiceren met mijn familie en mijn geliefde grootmoeder. Die positieve houding is dus noodzakelijk voor het geluk van het kind en dat hoeft het aanleren van de Nederlandse taal niet in de weg te staan. Zodra we dat allemaal beseffen, kunnen we ons pas écht inzetten voor deze nieuwe generatie.

Ik hoop dat we in Mol deze uitdagingen niet laten liggen en we moedig genoeg zijn om hier voldoende op in te zetten. In het voordeel van de kinderen, de ouders, de scholen en vooral ook onze samenleving.

Deze bijdrage verscheen in de reeks Mijn Gemeente, VK 14/10