Log in

Autoritaire praktijken gaan om meer dan populistische leiders

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 10 (december), pagina 5 tot 9

We moeten ons niet blindstaren op het karakter van individuele leiders als Viktor Orbán of Donald Trump, maar ook het handelen en de retoriek van de clusters van politici, ambtenaren en andere publieke figuren die zich op verschillende niveaus met hen associëren in ogenschouw nemen.

IN DE GREEP VAN DE AUTORITAIRE LEIDER

Autoritaire praktijken gaan om meer dan populistische leiders
Marlies Glasius
Oorlog is mogelijk
Koert Debeuf
Een eigen-volk-eerst-variant van het andersglobalisme
John Vandaele

Geen lezer van het politieke commentaar van de laatste jaren zal zich hebben kunnen onttrekken aan een groeiende zorg, ja zelfs paniek, over een wereldwijde toevloed aan autoritaire leiders die nu ook gevestigde democratieën lijkt te overspoelen. Leiders als de Amerikaanse president Donald Trump, de Hongaarse premier Viktor Orbán, de Filipijnse president Rodrigo Duterte en de recent verkozen Braziliaanse president Jair Bolsonaro worden regelmatig als 'autoritair' bestempeld, en de landen die zij besturen zouden een 'democratische terugval' moeten vrezen.

Bestaat er zoiets als autoritair leiderschap in een democratische samenleving? Of is het een contradictie die alleen maar kan eindigen in ofwel de val van de leider ofwel de val van de democratie? De inzichten van politieke wetenschappers bieden alvast weinig houvast. In de vergelijkende politicologie verwijst 'autoritair' naar een bestel waarin geen vrije en eerlijke verkiezingen worden gehouden. In de politieke psychologie is een 'autoritaire persoonlijkheid' iemand die respect, gehoorzaamheid en goede manieren belangrijker vindt dan onafhankelijkheid, zorgzaamheid en nieuwsgierigheid, voorkeuren die enige relatie lijken te hebben met kiesgedrag.1 Maar deze benaderingen helpen ons niet het gedrag en beleid van Trump, Orbán, Modi, Duterte en Bolsonaro, eenmaal verkozen, te evalueren. Ook kunnen ze ons niet goed vertellen of het verspreiden van nepnieuws 'autoritair' te noemen is, en of het heimelijk verzamelen van onze persoonlijke data de democratie bedreigt.

De moeite die de politicologie heeft met het duiden van deze fenomenen is te wijten aan drie beperkingen in het denken over wat 'autoritair' ofwel 'autocratisch' is. Ten eerste betreft het een restcategorie zonder eigen definitie: autocratisch zijn alle regimes die niet vrije en eerlijke verkiezingen organiseren. Ten tweede is er die nadruk op verkiezingen, terwijl zowel politicologen als gewone burgers sceptisch staan tegenover een directe relatie tussen kiesrecht en werkelijke zeggenschap over politieke besluitvorming. Dit hangt samen met het derde probleem: de assumptie dat politieke besluitvorming – democratisch of autoritair – nog altijd plaatsvindt op het niveau van de staat. De impact van tal van globaliseringsprocessen in de afgelopen decennia wordt daarmee genegeerd.

Om te kunnen begrijpen wat vandaag de dag als 'autoritair' beschouwd moet worden, hebben we een definitie van autoritarisme nodig die substantieel en dynamisch is in plaats van alleen een afwezigheid of tekort aan te duiden; die zich richt op het saboteren van processen van verantwoording in brede zin, niet alleen op de eerlijkheid van verkiezingen; en die zich daarmee ook leent voor het beoordelen van politieke processen binnen of boven de staat, of door verschillende staten heen. Een definitie die zich richt op politieke praktijken in plaats van politieke systemen, stelt ons beter in staat om autoritaire trends in de 21e eeuw te doorgronden en de urgente vragen vanuit de samenleving te beantwoorden.

WAT ZIJN AUTORITAIRE PRAKTIJKEN?

Praktijken zijn, kort gezegd, 'patronen van handelen die zijn ingebed in bepaalde institutionele contexten'.2 Het gaat om meer dan het gedrag van een individu, maar minder dan een staatsbestel. Door in termen van praktijken te denken kunnen we eventuele autoritaire elementen in het bestuur van India, Brazilië of de Verenigde Staten bestuderen zonder het hele politieke systeem als 'autoritair' te kwalificeren. Tegelijkertijd is het niet zinnig de categorie 'autoritarisme' niet zodanig op te rekken dat ieder politiek fenomeen met een negatieve impact op burgers er onder valt. Discriminatie, geweld, corruptie en ongelijkheid hebben misschien een relatie met autoritaire praktijken maar het zijn geen synoniemen. Ik definieer een autoritaire praktijk als 'een patroon van handelen, ingebed in een institutionele context, waarmee verantwoording aan mensen over wie een politieke actor controle uitoefent, of aan hun vertegenwoordigers, wordt gesaboteerd, door hun toegang tot informatie te dwarsbomen of hun stem te onderdrukken'. Zulke praktijken, van het plegen van verkiezingsfraude en het opsluiten van dissidenten tot censuur en propaganda, zijn schering en inslag in autoritaire regimes, maar ze vinden niet alleen daar plaats.

Het dwarsbomen van toegang tot informatie kan op twee manieren: ongeoorloofde geheimhouding en leugens. Politici verfraaien, verdraaien en ontwijken de waarheid natuurlijk voortdurend, maar een patroon van dwarsbomen van informatie gaat veel verder dan een eenmalige leugen of een bepaalde inkleuring van de feiten. Het leugentje van president Trump dat zijn beëdiging de best bezochte inauguratie ooit was, is bijvoorbeeld geen onderdeel van een breder patroon. Maar de aantijgingen dat miljoenen illegale migranten in de Amerikaanse presidentsverkiezingen zouden hebben gestemd, zijn daar wel een voorbeeld van. De beschuldigingen werden voor het eerst geuit tijdens de verkiezingscampagne, en na de verkiezingen (ondanks de overwinning) herhaaldelijk opnieuw van stal gehaald door Trump zelf en andere officials. Er werd zelfs een commissie opgericht, met vicepresident Mike Pence als voorzitter, om de zogenaamde fraude te onderzoeken. Dat initiatief, uiteindelijk gestrand door rechtszaken en gebrek aan medewerking van de meeste staten, had mogelijk als einddoel om stemmen van burgers met een migratieachtergrond te ontmoedigen en bemoeilijken. Het voorbeeld geeft aan hoe het saboteren van verantwoordingsprocessen door middel van leugens en sabotage via het onderdrukken van stemmen kunnen samenhangen.

Maar een stem is meer dan een stembusformulier: a voice, not just a vote. De mediawet van Hongarije van 2010, toen Orbáns partij Fidesz met een absolute meerderheid de verkiezingen had gewonnen, is een voorbeeld van het onderdrukken van 'a voice'. Met deze wet werden de media onder toezicht gesteld van een door leden van de regeringspartij gedomineerde raad. Deze raad heeft geen formeel mandaat om censuur te plegen, maar wel de mogelijkheid om extreem hoge boetes aan radio en televisiezenders op te leggen voor belediging of smaad. De bevoegdheden van de mediaraad, in combinatie met gemanipuleerde aanbestedingsprocedures, hebben een beklemmende uitwerking op de Hongaarse media gehad.3

VOORBIJ POPULISTISCHE LEIDERS

De twee voorgenoemde voorbeelden komen uit Hongarije en de Verenigde Staten, en dat is niet toevallig. Echter, we moeten ons niet blindstaren op het karakter van individuele leiders als Orbán of Trump, maar ook het handelen en de retoriek van de clusters van politici, ambtenaren en andere publieke figuren die zich op verschillende niveaus met hen associëren in ogenschouw nemen. Zonder inbedding in een dergelijke institutionele context zijn autoritaire praktijken niet mogelijk. Sterker nog: autoritaire praktijken komen niet enkel voort uit sterke leiders aan de top. Een goed voorbeeld zijn de geheime afluisterpraktijken van de Amerikaanse National Security Agency (NSA) tussen 2007 en 2013.

De NSA verzamelde gedurende een aantal jaren gigantische hoeveelheden data, vooral van niet-Amerikanen maar ook van Amerikaanse staatsburgers, door middel van het aftappen van kabels, het gebruik van malware, en druk op bedrijven om hun data te delen en spionage via 'achterdeuren' in hun producten te faciliteren.Deze praktijk kwam niet van een bepaalde president: subprojecten werden geïnitieerd onder George W. Bush, maar voortgezet en uitgebreid onder Barack Obama. Het programma werd ondersteund door tal van geheime diensten in andere landen. Telecommunicatie, platform-, hardware- en softwarebedrijven werkten – soms vrijwillig, soms onder druk – mee aan de dataverzameling. Honderden werknemers waren betrokken bij de uitvoering. Leden van het Amerikaanse Congres, met name diegenen die lid waren van de veiligheidscommissies, werden weliswaar gebriefd over de programma's van de NSA, maar het blijft onduidelijk hoe volledig en zorgvuldig de informatievoorziening was. Volksvertegenwoordigers in andere landen, waarvan de burgers onder surveillance stonden, werden zeker niet volledig geïnformeerd.4

De commotie die in de Verenigde Staten zelf ontstond naar aanleiding van de onthullingen van Edward Snowden richtte zich met name op het digitaal bespioneren van de eigen burgers. Amerikaanse officials, tot aan president Obama toe, logen ook meermaals over de aard en omvang van de surveillance, totdat de ontkenningen niet langer vol te houden waren. Het is breed geaccepteerd dat bepaalde, zeer beperkte en precies omschreven vormen van geheimhouding geoorloofd zijn in een democratische samenleving. De grootschalige geheimhouding, gevolgd door leugens rondom de afluisterpraktijken van de NSA gingen zulke beperkingen ver te buiten, en zijn daarom als 'autoritaire praktijken' te beschouwen: het saboteren van processen van verantwoording door het dwarsbomen van toegang tot informatie, zowel van Amerikaanse als andere burgers.

Met een traditioneel begrip van politiek kunnen we het geheime dataverzamelingsprogramma van de NSA niet volledig verklaren. Het ging niet om een vooropgezet plan van een Amerikaanse president om de wereld te bespioneren. De impuls kwam vanuit een gedeelde opvatting binnen de NSA zelf, maar ook ingebed in een breder netwerk in verschillende sectoren en jurisdicties, over wat na 9/11 en in een digitaal tijdperk noodzakelijk en toegestaan was om de nationale veiligheid te waarborgen.

Waar het bij de afluisterpraktijken van de NSA vooral om doofpotpraktijken ging, hebben in de afgelopen jaren actieve digitale disinformatiecampagnes een grote vlucht genomen. Medewerkers van het Oxford Internet Institute definiëren 'computational propaganda', ofwel nepnieuws, als 'het gebruik van algoritmen, automatisering en redactie om bewust misleidende informatie te verspreiden via socialemedianetwerken'. Ze concluderen dat dit zowel in autoritaire als in democratische landen plaatsvindt, en dat bij de verspreiding naast overheden ook politieke partijen, individuen en bedrijven betrokken kunnen zijn.5Het concept 'autoritaire praktijken' leent zich dan ook voor het duiden van systematische verspreiding van nepnieuws.

Autoritaire praktijken kunnen zich ook voordoen binnen institutionele contexten die losstaan van overheidsmacht, daar waar we kunnen stellen dat de betrokken actoren daadwerkelijk controle uitoefenen over relevante groepen mensen. Een duidelijk voorbeeld is de manier waarop de katholieke kerk decennialang en wereldwijd omging met seksueel misbruik van kinderen door geestelijken. In vele individuele gevallen werden priesters noch aangegeven bij de seculiere autoriteiten, noch ontzet uit het geestelijk ambt, maar overgeplaatst. Schandalen werden in de doofpot gestopt, en slachtoffers en hun medestanders geïntimideerd of van leugens beticht. Er was, kortom, sprake van een patroon van leugens, geheimhouding en het onderdrukken van de stemmen van klokkenluiders, een autoritaire praktijk.

ANTILIBERALE PRAKTIJKEN

Autoritaire praktijken ontzeggen ons, 'het volk', informatie en stem. Echter, er zijn ook praktijken die individuen hun waardigheid en zelfstandigheid ontnemen, maar die in volstrekte openheid plaatsvinden. Het gaat hierbij vaak om schending van rechten van minderheden, goedgekeurd of met onverschilligheid bezien door grote delen van het volk. Ik noem dit antiliberale praktijken. Een voorbeeld is het vermoorden van drugsgebruikers door de Filipijnse politie, aangemoedigd door president Rodrigo Duterte zelf. Er lijkt in de Filipijnen aanzienlijke steun te zijn voor het idee dat drugsgebruikers gevaarlijk zijn en geen rechtsbescherming verdienen. De moordpartijen kunnen daarom niet als 'autoritair' worden geoormerkt: ze gebeuren niet in het geheim en zijn niet bedoeld om critici van het regime monddood te maken. Het is eerder een extreme manifestatie van een bepaalde vorm van populisme, die zich uit naam van de meerderheid tegen pluralisme keert.

Dichter bij huis herkennen we die impuls in de agenda van extreemrechtse partijen met betrekking tot moslims en migranten. Maar antiliberale praktijken zijn niet alleen aan deze partijen voorbehouden. Europeanen hebben laten gebeuren dat op de Griekse eilanden Lesbos en Samos migranten, in naam van de EU, onder erbarmelijke omstandigheden maandenlang vastzitten en worden onderworpen aan trage en schijnbaar willekeurige asielprocedures. Ook in Nederland en België kunnen asielzoekers maandenlang in detentie worden gehouden.

Antiliberale praktijken zijn niet per definitie verontrustender of juist minder ernstig dan autoritaire praktijken, het is een analytisch onderscheid. Met autoritaire praktijken onttrekken machthebbers zich aan het afleggen van verantwoording. Antiliberale praktijken kunnen verschillende doelen dienen: soms worden de stemmen van critici onderdrukt, maar het kan ook om het uitvoeren van een ideologisch project gaan, of zelfs het uitvoeren van de wil van de meerderheid. Als de Russische regering repressieve maatregelen neemt tegen homoseksuelen zijn de motieven waarschijnlijk vergelijkbaar met het populisme van Duterte, maar als het Alexei Navalny gevangenzet betreft het een autoritaire poging om een populaire, zelfs populistische opposant het zwijgen op te leggen.

EEN URGENTE AGENDA

Als we meer willen begrijpen van de gevaren die de democratie wereldwijd lijken te bedreigen, moeten we voorbij de retoriek van autoritaire leiders kijken, naar de institutionele contexten die het saboteren van democratische verantwoording en het ontnemen van de waardigheid en zelfstandigheid van individuen mogelijk maken. Vanuit de optiek van 'praktijken' wordt het mogelijk de kennis die politicologen hebben opgedaan over hoe autocratieën functioneren op onze eigen maatschappijen toe te passen. Zo kunnen we leren doorgronden hoe autoritaire praktijken binnen democratieën zich ontwikkelen, onder welke omstandigheden ze gedijen, en hoe ze het beste kunnen worden tegengegaan.

(Dit artikel is een bewerkte en sterk ingekorte versie van 'What authoritarianism is … and is not: a practice perspective', International Affairs, 2016 94(3), pp. 515-533)

Voetnoten

  1. Ronald Inglehart, Pippa Norris, 'Trump and the populist authoritarian parties: the silent revolution in reverse', Perspectives on Politics 15(2), 2017, pp. 443-454.
  2. Emanuel Adler, Vincent Pouliot, 'International practices', International Theory 3(1) 2011, p. 5.
  3. Gabor Polyak, 'Context, rules and praxis of the new Hungarian media laws', in Armin von Bogdandy, Pal Sonnevend, red. 'Constitutional crisis in the European constitutional area'(Oxford: Hart, 2015), pp. 125-150.
  4. Glenn Greenwald, 'No place to hide: Edward Snowden, the NSA, and the U.S. surveillance state'. New York, NY: Picador, 2014.
  5. Samuel Woolley, Philip Howard, 'Computational propaganda worldwide: Executive summary' (Working Paper 2017.11). Oxford, UK: Project on Computational Propaganda, 2017.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 10 (december), pagina 5 tot 9